Studiewijzer Hoofdstuk 1
Kernvragen
1. Wat verstaat Aristoteles onder ‘filosofie’? Leg uit aan de hand van de etymologie van
het begrip filosofie / wijsbegeerte.
Filosofie is een vertaling van het Griekse philo-Sophia, het betekent ‘liefde tot de wijsheid’,
wijsbegeerte is hier een synoniem van. Volgens Aristoteles is de ‘metafysica’ de hoogste
wetenschap. filosofie streeft naar de kennis van ‘de eerste beginselen en oorzaken’, dit zijn de
fundamentele bouwstenen van de werkelijkheid: waarom dingen bestaan, waarom ze gebeuren, en wat
hun grondslag is. Met andere woorden het verlangen naar perfecte kennis. Deze wijsheid wordt gezien
als het hoogste goed voor de ziel, eens deze gekend is, leidt het tot persoonlijke gelukzaligheid. Het
vertelt ons hoe we moeten leven, tegenwoordig zijn dat dingen die in het recht worden verteld (wat
mag (niet)). Filosofie wordt omwille van zichzelf nagestreefd (= een doel op zichzelf).
2. De Griekse filosofie wou in twee opzichten een levenskunst zijn. Leg uit. Waarom
betekende dit ook een breuk met het op mythe en verhaaltraditie gebaseerde
wereldbeeld van de archaïsche cultuur?
filosofie heeft zowel een theoretisch als praktisch nut.
Onder het theoretisch nut verstaan we dat de filosofie op zich waardevol is en dat het leidt tot het ware
geluk (Eudaimonia).
Het praktische nut is een gids tot een beter leven, het is een soort leidraad over de inrichting van het
goede leven, zowel voor het individu als voor de staat.
3. De filosofie vormt één van de pijlers van de Westerse cultuur. Leg uit.
De filosofie, ontstaan in het oude Griekenland, vormt naast de christelijke religie en het
Romeinse Recht één van de pijlers van de Westerse cultuur. Als product van het menselijk
vernuft (inventiviteit) heeft zij doorheen een geschiedenis van meer dan tweeduizend jaar een
belangrijke rol gespeeld in de vorming van de identiteit van de hedendaagse mens
wereldwijd.
4. Wat zijn de 4 centrale doelstellingen van deze cursus? Verhelder het verband tussen
deze doelstellingen.
1. karakterschets van de weg van de moderne filosofie
a. dmv. markante filosofen (17e-19e eeuw): Descartes, Hume, Kant, Hegel, Marx
b. dmv. enkele cruciale voorlopers: Plato, Aristoteles, Cicero, Augustinus, Thomas van
Aquino
- deze selectie van filosofen is een keuze geweest van de prof; via hun ideeën uitleggen:
, 2. hoe de moderne filosofie bepalend is geweest voor de (identiteit van) moderne cultuur
waarin we vandaag leven
- we hebben het over de moderne filosofie omdat de prof een bepaald fenomeen wil bespreken
en dit wil verduidelijken;
3. bepalen wat we verstaan onder (het fenomeen van) de crisis van de verlichte rede
- ten slotte wil de prof;
4. aantonen hoe we dankzij het verhaal van de moderne filosofie beter tot inzicht kunnen
komen van hedendaagse uitdagingen (spiritueel, moreel en politiek vlak)
5. Er zijn 2 redenen om de geschiedenis van de moderne filosofie te bespreken beginnend
bij Plato en eindigend in de 20ste eeuw. Geef deze redenen en leg uit.
De moderne filosofie is ontstaan in de 17e eeuw, als we deze beter willen begrijpen moeten we:
Ten eerste
kan de moderne filosofie, hoewel ze pas in de 17de eeuw ontstaat, enkel volledig begrepen
worden wanneer men het traject kent dat eraan voorafgaat, we moeten dit bekijken over een
breed tijdsperspectief: het verhaal begint vroeger dan de moderne filosofie, en eindigt wanneer die
moderne filosofie weer verandert van vorm. Met andere woorden;. De breuk die moderne denkers
zoals Descartes, Locke en Kant tot stand brengen, krijgt pas betekenis wanneer duidelijk
wordt welke traditie zij achter zich laten en welke vragen al sinds de Griekse Oudheid gesteld
werden. Daarom moet het verhaal beginnen bij Plato, bij de “school van Athene”, waar de
basis werd gelegd voor de thema’s, vragen en begrippen waarop moderne filosofen verder
bouwen.
Ten tweede is er,
ondanks die breuk, en ondanks dat de moderne filosofen willen afstappen van de ‘klassieke
rede’ ook sprake van een diepgaande continuïteit. Het handhaaft de oorspronkelijke
ambitie: het verlangen naar alomvattend weten (hoogste wetenschap) en tegelijk wil het
levensleer zijn. Ook nu zoekt de filosofie antwoorden op dezelfde vragen die reeds bij Plato
en Aristoteles centraal stonden. Zelfs in het zogenaamd postmetafysische denken van de 20ste
eeuw, zoals bij Simone Weil, klinkt dit klassieke verlangen nog door. Daarom is een breed
tijdsperspectief noodzakelijk: het toont zowel de historische weg die naar het moderne denken
leidt als de blijvende invloed van het premoderne filosofische erfgoed. Tegelijkertijd heerst
er scepticisme bij moderne filosofen over dit ideaal, de moderne filosoof heeft twijfel bij het
‘alomvattende’, dit is volgens hen niet haalbaar. (scepticisme over de metafysica van
aristoteles, en heeft ‘school van athene haar legitimiteit nog in de moderne cultuur?’
Vandaag de dag leven we in postmoderne of postmetafysische tijden
- filosofie is veroverd door de moderne wetenschap
- filosofie heeft nog steeds een eigen identiteit maar is niet meer ‘de hoogste
wetenschap' (sommigen vinden zelf dat de klassieke invulling volledig
voorbijgestreefd is)
Kernvragen
1. Wat verstaat Aristoteles onder ‘filosofie’? Leg uit aan de hand van de etymologie van
het begrip filosofie / wijsbegeerte.
Filosofie is een vertaling van het Griekse philo-Sophia, het betekent ‘liefde tot de wijsheid’,
wijsbegeerte is hier een synoniem van. Volgens Aristoteles is de ‘metafysica’ de hoogste
wetenschap. filosofie streeft naar de kennis van ‘de eerste beginselen en oorzaken’, dit zijn de
fundamentele bouwstenen van de werkelijkheid: waarom dingen bestaan, waarom ze gebeuren, en wat
hun grondslag is. Met andere woorden het verlangen naar perfecte kennis. Deze wijsheid wordt gezien
als het hoogste goed voor de ziel, eens deze gekend is, leidt het tot persoonlijke gelukzaligheid. Het
vertelt ons hoe we moeten leven, tegenwoordig zijn dat dingen die in het recht worden verteld (wat
mag (niet)). Filosofie wordt omwille van zichzelf nagestreefd (= een doel op zichzelf).
2. De Griekse filosofie wou in twee opzichten een levenskunst zijn. Leg uit. Waarom
betekende dit ook een breuk met het op mythe en verhaaltraditie gebaseerde
wereldbeeld van de archaïsche cultuur?
filosofie heeft zowel een theoretisch als praktisch nut.
Onder het theoretisch nut verstaan we dat de filosofie op zich waardevol is en dat het leidt tot het ware
geluk (Eudaimonia).
Het praktische nut is een gids tot een beter leven, het is een soort leidraad over de inrichting van het
goede leven, zowel voor het individu als voor de staat.
3. De filosofie vormt één van de pijlers van de Westerse cultuur. Leg uit.
De filosofie, ontstaan in het oude Griekenland, vormt naast de christelijke religie en het
Romeinse Recht één van de pijlers van de Westerse cultuur. Als product van het menselijk
vernuft (inventiviteit) heeft zij doorheen een geschiedenis van meer dan tweeduizend jaar een
belangrijke rol gespeeld in de vorming van de identiteit van de hedendaagse mens
wereldwijd.
4. Wat zijn de 4 centrale doelstellingen van deze cursus? Verhelder het verband tussen
deze doelstellingen.
1. karakterschets van de weg van de moderne filosofie
a. dmv. markante filosofen (17e-19e eeuw): Descartes, Hume, Kant, Hegel, Marx
b. dmv. enkele cruciale voorlopers: Plato, Aristoteles, Cicero, Augustinus, Thomas van
Aquino
- deze selectie van filosofen is een keuze geweest van de prof; via hun ideeën uitleggen:
, 2. hoe de moderne filosofie bepalend is geweest voor de (identiteit van) moderne cultuur
waarin we vandaag leven
- we hebben het over de moderne filosofie omdat de prof een bepaald fenomeen wil bespreken
en dit wil verduidelijken;
3. bepalen wat we verstaan onder (het fenomeen van) de crisis van de verlichte rede
- ten slotte wil de prof;
4. aantonen hoe we dankzij het verhaal van de moderne filosofie beter tot inzicht kunnen
komen van hedendaagse uitdagingen (spiritueel, moreel en politiek vlak)
5. Er zijn 2 redenen om de geschiedenis van de moderne filosofie te bespreken beginnend
bij Plato en eindigend in de 20ste eeuw. Geef deze redenen en leg uit.
De moderne filosofie is ontstaan in de 17e eeuw, als we deze beter willen begrijpen moeten we:
Ten eerste
kan de moderne filosofie, hoewel ze pas in de 17de eeuw ontstaat, enkel volledig begrepen
worden wanneer men het traject kent dat eraan voorafgaat, we moeten dit bekijken over een
breed tijdsperspectief: het verhaal begint vroeger dan de moderne filosofie, en eindigt wanneer die
moderne filosofie weer verandert van vorm. Met andere woorden;. De breuk die moderne denkers
zoals Descartes, Locke en Kant tot stand brengen, krijgt pas betekenis wanneer duidelijk
wordt welke traditie zij achter zich laten en welke vragen al sinds de Griekse Oudheid gesteld
werden. Daarom moet het verhaal beginnen bij Plato, bij de “school van Athene”, waar de
basis werd gelegd voor de thema’s, vragen en begrippen waarop moderne filosofen verder
bouwen.
Ten tweede is er,
ondanks die breuk, en ondanks dat de moderne filosofen willen afstappen van de ‘klassieke
rede’ ook sprake van een diepgaande continuïteit. Het handhaaft de oorspronkelijke
ambitie: het verlangen naar alomvattend weten (hoogste wetenschap) en tegelijk wil het
levensleer zijn. Ook nu zoekt de filosofie antwoorden op dezelfde vragen die reeds bij Plato
en Aristoteles centraal stonden. Zelfs in het zogenaamd postmetafysische denken van de 20ste
eeuw, zoals bij Simone Weil, klinkt dit klassieke verlangen nog door. Daarom is een breed
tijdsperspectief noodzakelijk: het toont zowel de historische weg die naar het moderne denken
leidt als de blijvende invloed van het premoderne filosofische erfgoed. Tegelijkertijd heerst
er scepticisme bij moderne filosofen over dit ideaal, de moderne filosoof heeft twijfel bij het
‘alomvattende’, dit is volgens hen niet haalbaar. (scepticisme over de metafysica van
aristoteles, en heeft ‘school van athene haar legitimiteit nog in de moderne cultuur?’
Vandaag de dag leven we in postmoderne of postmetafysische tijden
- filosofie is veroverd door de moderne wetenschap
- filosofie heeft nog steeds een eigen identiteit maar is niet meer ‘de hoogste
wetenschap' (sommigen vinden zelf dat de klassieke invulling volledig
voorbijgestreefd is)