Samenvatting Statistiek toets leerjaar 3 – Jaap Gulikers
Inhoudsopgave
Te bestuderen onderwijsleerstof ....................................................................................................................... 2
Offringa – inleiding in evidence-based medicine ......................................................................................... 2
§ 4.1. Inleiding ............................................................................................................................................... 2
§ 4.2. Diagnose .............................................................................................................................................. 2
§ 4.3 Prognose ............................................................................................................................................... 5
§ 4.4 Therapie ................................................................................................................................................ 6
§ 4.7 Klinimetrie ............................................................................................................................................ 9
§ 5.1 Kritisch beoordelen van een artikel: secundair onderzoek ................................................................ 12
Ostelo – Onderwijs in Wetenschap, lesbrieven voor paramedici ............................................................. 15
Hoofdstuk 2: Van patiënt naar wetenschappelijk onderzoek ..................................................................... 15
Hoofdstuk 3: Architectuur van kwantitatief wetenschappelijk onderzoek ................................................. 16
Hoofdstuk 11: Beschrijvende statistiek ....................................................................................................... 18
Hoofdstuk 12: Toetsende statistiek ............................................................................................................. 19
Hoofdstuk 13: Interpretatie van resultaten uit wetenschappelijk onderzoek ............................................ 21
Hoofdstuk 15: Is de p-waarde wel zo significant? ....................................................................................... 23
Hoofdstuk 16: Alternatieven voor de p-waarde .......................................................................................... 24
Hoofdstuk 17: Methodologie van diagnostische tests 1: ver-van-mijn-bedshow? ..................................... 26
Hoofdstuk 19: Predictie, het voorspellen van natuurlijk beloop ................................................................. 30
Hoofdstuk 20: Klinische predictiemodellen; wat moeten we ermee? ........................................................ 31
Hoofdstuk 21: Randomiseren: een wetenschappelijke loterij? ................................................................... 32
Hoofdstuk 22: Zicht op blinderen ................................................................................................................ 33
Hoofdstuk 24: Economische evaluaties in de eerstelijnsgezondheidszorg. ................................................ 34
Hoofdstuk 25: Systematische reviews van effectonderzoek: doel en opzet ............................................... 35
Fletcher R et al., Clinical Epidemiology. The essentials – 5th Edition (2012). ............................................ 37
Hoofdstukken 1, 4, 5, 6, 9 ........................................................................................................................... 37
Hoofdstuk 8 blz. 108 – 125 tot aan ‘multiple tests’ ................................................................................... 37
Hoofdstuk 13, paragraaf ‘Systematic reviews of observational and diagnostic studies’ (pagina 221 –
222) .............................................................................................................................................................. 37
Fletcher R et al., Clinical Epidemiology. The essentials – 5th Edition (2012). ............................................ 37
Hoofdstuk 1: Introduction ........................................................................................................................... 37
Hoofdstuk 4: Risk: Basic Principles .............................................................................................................. 38
Hoofdstuk 5: Exposure to disease ............................................................................................................... 40
Hoofdstuk 6: From disease to exposure ...................................................................................................... 42
Hoofdstuk 8: Diagnosis (t/m multiple tests) ................................................................................................ 44
Hoofdstuk 9: Treatment .............................................................................................................................. 46
Hoofdstuk 13 (Systematic reviews of observational and diagnostic studies): ............................................ 47
Hoorcolleges: ................................................................................................................................................... 48
Methodologie van onderzoek naar diagnostiek, jaar 1, Module CWK-1 .................................................. 48
Betrouwbaarheid, jaar 1, Module LWK/bekken/ThWK-1 ......................................................................... 60
Beloop en Prognose, Module LWK/bekken/ThWK-2 ................................................................................ 67
Methodologie van onderzoek naar Effectiviteit en Risico, Module LWK/bekken/ThWK-2 ..................... 72
Klinimetrie, Module LWK/bekken/ThWK-2 ............................................................................................... 80
Regelgeving & Ethiek, jaar 3, Module Masterproef (hier is geen kennisclip van, college op de SOMT) .. 87
,Te bestuderen onderwijsleerstof
Offringa – inleiding in evidence-based medicine
§ 4.1. Inleiding
4.1.1 Validiteit:
Hierbij hebben we het vooral over onderzoek doen naar risk of bias (kans op vertekening).
Belangrijk is echter dat kan worden besloten of het onderzoek ontwerp ‘fatale’ fouten bevat,
die het gebruik van de resultaten onwenselijk maken.
4.1.2 Betekenis van de resultaten:
Het resultaat bestaat uit de schatting van het effect en de precisie van deze schatting (hoe
zeker zijn we van de schatting) uitgedrukt met behulp van een 95% betrouwbaarheidsinterval
4.1.3 Toepasbaarheid:
Na de beoordeling van de validiteit en de betekenis van de resultaten van een onderzoek moet
worden bepaald in hoeverre de resultaten toepasbaar zijn op andere dan die in het onderzoek
betrokken patiënten (externe validiteit).
§ 4.2. Diagnose
4.2.1 inleiding:
Een diagnostische test kan van alles betreffen: patientenkenmerken (leeftijd, geslacht),
anamnesevragen (hemoptoe, doorzakgevoel van de knie), bevindingen bij lichamelijk
onderzoek (cachexie, positieve voorstekruisladetest), laboratoriumonderzoek (verhoogde
bezinking) en beeldvormende diagnostiek (onregelmatige schaduw op de thoraxfoto). → Elke
test kan een stukje meer zekerheid geven.
Deze paragraaf gaat over onderzoeken die het onderscheidend vermogen, ofwel diagnostische
accuratesse, van een test bepalen. Dit wordt altijd gedaan middels de gouden standaard ofwel
referentiestandaard (dus bij kruisband bijvoorbeeld artroscopie).
Hierin worden parameters als sensitiviteit en specificiteit gebruikt.
- De sensitiviteit is de proportie personen met een positieve indextest binnen de groep
die de vermoede aandoening heeft
- De specificiteit is de proportie personen met een negatieve indextest binnen de groep
die de vermoede aandoening niet heeft.
Om iets te kunnen zeggen over het nut van een test op basis van sensitiviteit en specificiteit,
moeten we weten wat de gevolgen zijn van een (fout-)positieve testuitslag en van een (fout-)
negatieve testuitslag.
4.2.2 Beoordeling van een onderzoek naar het onderscheidend vermogen van een
diagnostische test
,De algemeen geaccepteerde checklist QUADAS-2 combineert deze verschillende aspecten,
waarvan de belangrijkste in deze paragraaf besproken worden. De STARD-checklist wordt in
dit kader ook vak genoemd.
Validiteit:
1. Valide selectie van patiënten voor het onderzoek: het is van belang dat voorgaand aan
inclusie van patiënten in het onderzoek geen selectie is opgetreden.
2. Valide referentie-test: de referentietest dient zo goed mogelijk aan te tonen of iemand
de aandoening heeft of niet.
3. Onafhankelijke (blinde) vergelijking van de indextest met de referentietest: de
indextest en de referentietest moeten onafhankelijk van elkaar (blind) worden
beoordeeld.
4. Uitvoeren van de referentietest onafhankelijk van de uitslag van de indextest: de
indextest en de referentietest moeten beide bij alle patiënten zijn uitgevoerd. Wees op
uw hoede als er nauwelijks patiënten met een negatieve indextest in het onderzoek zijn
opgenomen. Waarschijnlijk heeft dan al voor het onderzoek een selectie
plaatsgevonden.
5. Selectieve uitval: soms volgen niet alle patiënten het volledige protocol van het
onderzoek en vallen zij uit het onderzoek voordat de resultaten van de indextest, de
referentietest of beide bekend zijn.
De hiervoor opgesomde kwaliteitscriteria zijn belangrijke bronnen van vertekening. Zij zijn
afkomstig uit QUADAS-2, een gevalideerd instrument voor het bepalen van de
methodologische kwaliteit van een diagnostisch accuratesseonderzoek.
Betekenis van de resultaten:
1. Onderscheidend vermogen van de indextest: indien we te maken hebben met een
valide en goed toepasbaar onderzoek naar het onderscheidend vermogen van een
diagnostische indextest, dan kan worden vastgesteld hoe goed de indextest de aan-0 of
afwezigheid van de onderzochte aandoening kan detecteren.
- Sensitiviteit van een test geeft dus aan welke proportie (of welk percentage) van de
zieken inderdaad een positieve indexuitslag heeft en dus door de indextest terecht als
ziek geclassificeerd wordt.
- Specificiteit van een test geeft dus aan welke proportie (of welk percentage) van de
niet-zieken inderdaad een negatieve indextestuitslag heeft en dus door de indextest
terecht als niet-ziek geclassificeerd wordt.
Sensitiviteit en specificiteit geven aan hoeveel patiënten met de aandoening gemiddelde
genomen gemist zullen worden (fout negatieven) en hoeveel patiënten onterecht doorverwezen
of behandeld zullen worden (de fout positieven).
- De voorspellende waarde (PVW) van een positief indexresutlaat is de proportie zieken
onder de personen met een positieve uitslag op de indextest.
- De voorspellende waarde (NVW) van een negatief indexresutlaat is de proportie niet
zieken onder de personen met een negatieve uitslag op de indextest.
Let op deze voorspellende waarden van de indextest zijn afhankelijk van hoe vaak de
onderzochte aandoening voorkomt in de groep personen bij wie de test wordt uitgevoerd
(prevalentie).
, De likelihood ratio van een testresultaat geeft aan hoeveel vaker dat resultaat wordt gezien bij
zieken dan bij niet zieken. LR varieert van 0 tot oneindig. Is de verhouding groter dan 1 dan
wordt het vaker gezien bij zieken. Is de verhouding kleiner dan 1 dan wordt het resultaat
vaker gezien bij niet zieken.
- LR+ is dus de verhouding tussen de proportie met een positieve uitslag op de indextest
binnen de groep personen met de ziekte en de propportie met een positieve testuitslag
binnen de groep personen zonder de ziekte.
- LR- is dus de verhouding tussen de proportie met een negatieve uitslag op de indextest
binnen de groep personen met de ziekte en de proportie met een negatieve testuitslag
binnen de groep personen zonder de ziekte.
Verschillende afkappunten voor een indextest gemeten op een continue schaal → sensitiviteit
en specificiteit zijn negatief gecorreleerd. Dit wordt weergegeven op de zogehete ROC-curve
(receiver operating characteristic-curve). Hoe beter de onderscheidend vermogen van de test,
des te groter het oppervlak tussen de curve en de diagonaal (area under the curve).
2. Precisie van de geschatte diagnostische parameters: een betrouwbaarheidsinterval
wordt smaller naar mate er meer patiënten aan het onderzoek meedoen. Kleine
onderzoeken hebben brede betrouwbaarheidsintervallen en leveren weinig informatie
(uitkomsten die minder zeker zijn). Bij de interpretatie van de resultaten van
diagnostische accuratesseonderzoek dient u rekening te houden met de door het
betrouwbaarheidsinterval aangegeven onzekerheidsmarges.
Toepasbaarheid:
Het gaat hierbij niet om de interne validiteit van het onderzoek, maar om de mate waarop het
onderzoek zich leent om de vragen van de lezer te beantwoorden. De toepasbaarheid kan aan
de hand van de volgende criteria beoordeel worden:
- Overeenkomst van de patiënten in het onderzoek met de eigen patiënt(en): de
kenmerken van de patiënten bij wie de lezer de test wil toepassen, moeten voldoende
overeenkomen met die van de in het onderzoek betrokken patiënten.
- Doel en toepasbaarheid van de diagnostische test: een diagnostische test kan
verschillende doelen hebben in verschillende fasen van het diagnostische proces
ingezet worden (denk aan triage test en add-on test).
- Toepasbaarheid van de referentiestandaard: de aandoening die vastgesteld wordt door
middel van de referentiestandaard in het gevonden onderzoek moet overeenkomen met
de aandoening die aangetoond dan wel uitgesloten dient te worden bij de betrokken
patiënten.
- Toepassing bij een individuele patiënt: het is onder bepaalde voorwaarden ook
mogelijk om te berekenen wat een testresultaat voor een individuele patiënt betekent
in termen van een afname in onzekerheid.
- Beïnvloeding van uw handelwijze door de verkregen achterafkant: bij de overgang van
diagnosestelling naar verder beleid komen twee belangrijke vragen aan bod (1) is de
waarschijnlijkheid van de vooropgestelde diagnose voldoende hoog om zinvolle hulp
te bieden en (2) kan een bijkomende test de beslissing over het vervolgtraject
wijzigen?
- Belasting door de test: de patiënt moet uiteraard goed worden ingelicht over de inhoud
van de diagnostische test (te verwachten belasting en gevaren), opdat hij zelf kan
beslissen of hij de test wel wil ondergaan.
4.2.3 Conclusie:
Inhoudsopgave
Te bestuderen onderwijsleerstof ....................................................................................................................... 2
Offringa – inleiding in evidence-based medicine ......................................................................................... 2
§ 4.1. Inleiding ............................................................................................................................................... 2
§ 4.2. Diagnose .............................................................................................................................................. 2
§ 4.3 Prognose ............................................................................................................................................... 5
§ 4.4 Therapie ................................................................................................................................................ 6
§ 4.7 Klinimetrie ............................................................................................................................................ 9
§ 5.1 Kritisch beoordelen van een artikel: secundair onderzoek ................................................................ 12
Ostelo – Onderwijs in Wetenschap, lesbrieven voor paramedici ............................................................. 15
Hoofdstuk 2: Van patiënt naar wetenschappelijk onderzoek ..................................................................... 15
Hoofdstuk 3: Architectuur van kwantitatief wetenschappelijk onderzoek ................................................. 16
Hoofdstuk 11: Beschrijvende statistiek ....................................................................................................... 18
Hoofdstuk 12: Toetsende statistiek ............................................................................................................. 19
Hoofdstuk 13: Interpretatie van resultaten uit wetenschappelijk onderzoek ............................................ 21
Hoofdstuk 15: Is de p-waarde wel zo significant? ....................................................................................... 23
Hoofdstuk 16: Alternatieven voor de p-waarde .......................................................................................... 24
Hoofdstuk 17: Methodologie van diagnostische tests 1: ver-van-mijn-bedshow? ..................................... 26
Hoofdstuk 19: Predictie, het voorspellen van natuurlijk beloop ................................................................. 30
Hoofdstuk 20: Klinische predictiemodellen; wat moeten we ermee? ........................................................ 31
Hoofdstuk 21: Randomiseren: een wetenschappelijke loterij? ................................................................... 32
Hoofdstuk 22: Zicht op blinderen ................................................................................................................ 33
Hoofdstuk 24: Economische evaluaties in de eerstelijnsgezondheidszorg. ................................................ 34
Hoofdstuk 25: Systematische reviews van effectonderzoek: doel en opzet ............................................... 35
Fletcher R et al., Clinical Epidemiology. The essentials – 5th Edition (2012). ............................................ 37
Hoofdstukken 1, 4, 5, 6, 9 ........................................................................................................................... 37
Hoofdstuk 8 blz. 108 – 125 tot aan ‘multiple tests’ ................................................................................... 37
Hoofdstuk 13, paragraaf ‘Systematic reviews of observational and diagnostic studies’ (pagina 221 –
222) .............................................................................................................................................................. 37
Fletcher R et al., Clinical Epidemiology. The essentials – 5th Edition (2012). ............................................ 37
Hoofdstuk 1: Introduction ........................................................................................................................... 37
Hoofdstuk 4: Risk: Basic Principles .............................................................................................................. 38
Hoofdstuk 5: Exposure to disease ............................................................................................................... 40
Hoofdstuk 6: From disease to exposure ...................................................................................................... 42
Hoofdstuk 8: Diagnosis (t/m multiple tests) ................................................................................................ 44
Hoofdstuk 9: Treatment .............................................................................................................................. 46
Hoofdstuk 13 (Systematic reviews of observational and diagnostic studies): ............................................ 47
Hoorcolleges: ................................................................................................................................................... 48
Methodologie van onderzoek naar diagnostiek, jaar 1, Module CWK-1 .................................................. 48
Betrouwbaarheid, jaar 1, Module LWK/bekken/ThWK-1 ......................................................................... 60
Beloop en Prognose, Module LWK/bekken/ThWK-2 ................................................................................ 67
Methodologie van onderzoek naar Effectiviteit en Risico, Module LWK/bekken/ThWK-2 ..................... 72
Klinimetrie, Module LWK/bekken/ThWK-2 ............................................................................................... 80
Regelgeving & Ethiek, jaar 3, Module Masterproef (hier is geen kennisclip van, college op de SOMT) .. 87
,Te bestuderen onderwijsleerstof
Offringa – inleiding in evidence-based medicine
§ 4.1. Inleiding
4.1.1 Validiteit:
Hierbij hebben we het vooral over onderzoek doen naar risk of bias (kans op vertekening).
Belangrijk is echter dat kan worden besloten of het onderzoek ontwerp ‘fatale’ fouten bevat,
die het gebruik van de resultaten onwenselijk maken.
4.1.2 Betekenis van de resultaten:
Het resultaat bestaat uit de schatting van het effect en de precisie van deze schatting (hoe
zeker zijn we van de schatting) uitgedrukt met behulp van een 95% betrouwbaarheidsinterval
4.1.3 Toepasbaarheid:
Na de beoordeling van de validiteit en de betekenis van de resultaten van een onderzoek moet
worden bepaald in hoeverre de resultaten toepasbaar zijn op andere dan die in het onderzoek
betrokken patiënten (externe validiteit).
§ 4.2. Diagnose
4.2.1 inleiding:
Een diagnostische test kan van alles betreffen: patientenkenmerken (leeftijd, geslacht),
anamnesevragen (hemoptoe, doorzakgevoel van de knie), bevindingen bij lichamelijk
onderzoek (cachexie, positieve voorstekruisladetest), laboratoriumonderzoek (verhoogde
bezinking) en beeldvormende diagnostiek (onregelmatige schaduw op de thoraxfoto). → Elke
test kan een stukje meer zekerheid geven.
Deze paragraaf gaat over onderzoeken die het onderscheidend vermogen, ofwel diagnostische
accuratesse, van een test bepalen. Dit wordt altijd gedaan middels de gouden standaard ofwel
referentiestandaard (dus bij kruisband bijvoorbeeld artroscopie).
Hierin worden parameters als sensitiviteit en specificiteit gebruikt.
- De sensitiviteit is de proportie personen met een positieve indextest binnen de groep
die de vermoede aandoening heeft
- De specificiteit is de proportie personen met een negatieve indextest binnen de groep
die de vermoede aandoening niet heeft.
Om iets te kunnen zeggen over het nut van een test op basis van sensitiviteit en specificiteit,
moeten we weten wat de gevolgen zijn van een (fout-)positieve testuitslag en van een (fout-)
negatieve testuitslag.
4.2.2 Beoordeling van een onderzoek naar het onderscheidend vermogen van een
diagnostische test
,De algemeen geaccepteerde checklist QUADAS-2 combineert deze verschillende aspecten,
waarvan de belangrijkste in deze paragraaf besproken worden. De STARD-checklist wordt in
dit kader ook vak genoemd.
Validiteit:
1. Valide selectie van patiënten voor het onderzoek: het is van belang dat voorgaand aan
inclusie van patiënten in het onderzoek geen selectie is opgetreden.
2. Valide referentie-test: de referentietest dient zo goed mogelijk aan te tonen of iemand
de aandoening heeft of niet.
3. Onafhankelijke (blinde) vergelijking van de indextest met de referentietest: de
indextest en de referentietest moeten onafhankelijk van elkaar (blind) worden
beoordeeld.
4. Uitvoeren van de referentietest onafhankelijk van de uitslag van de indextest: de
indextest en de referentietest moeten beide bij alle patiënten zijn uitgevoerd. Wees op
uw hoede als er nauwelijks patiënten met een negatieve indextest in het onderzoek zijn
opgenomen. Waarschijnlijk heeft dan al voor het onderzoek een selectie
plaatsgevonden.
5. Selectieve uitval: soms volgen niet alle patiënten het volledige protocol van het
onderzoek en vallen zij uit het onderzoek voordat de resultaten van de indextest, de
referentietest of beide bekend zijn.
De hiervoor opgesomde kwaliteitscriteria zijn belangrijke bronnen van vertekening. Zij zijn
afkomstig uit QUADAS-2, een gevalideerd instrument voor het bepalen van de
methodologische kwaliteit van een diagnostisch accuratesseonderzoek.
Betekenis van de resultaten:
1. Onderscheidend vermogen van de indextest: indien we te maken hebben met een
valide en goed toepasbaar onderzoek naar het onderscheidend vermogen van een
diagnostische indextest, dan kan worden vastgesteld hoe goed de indextest de aan-0 of
afwezigheid van de onderzochte aandoening kan detecteren.
- Sensitiviteit van een test geeft dus aan welke proportie (of welk percentage) van de
zieken inderdaad een positieve indexuitslag heeft en dus door de indextest terecht als
ziek geclassificeerd wordt.
- Specificiteit van een test geeft dus aan welke proportie (of welk percentage) van de
niet-zieken inderdaad een negatieve indextestuitslag heeft en dus door de indextest
terecht als niet-ziek geclassificeerd wordt.
Sensitiviteit en specificiteit geven aan hoeveel patiënten met de aandoening gemiddelde
genomen gemist zullen worden (fout negatieven) en hoeveel patiënten onterecht doorverwezen
of behandeld zullen worden (de fout positieven).
- De voorspellende waarde (PVW) van een positief indexresutlaat is de proportie zieken
onder de personen met een positieve uitslag op de indextest.
- De voorspellende waarde (NVW) van een negatief indexresutlaat is de proportie niet
zieken onder de personen met een negatieve uitslag op de indextest.
Let op deze voorspellende waarden van de indextest zijn afhankelijk van hoe vaak de
onderzochte aandoening voorkomt in de groep personen bij wie de test wordt uitgevoerd
(prevalentie).
, De likelihood ratio van een testresultaat geeft aan hoeveel vaker dat resultaat wordt gezien bij
zieken dan bij niet zieken. LR varieert van 0 tot oneindig. Is de verhouding groter dan 1 dan
wordt het vaker gezien bij zieken. Is de verhouding kleiner dan 1 dan wordt het resultaat
vaker gezien bij niet zieken.
- LR+ is dus de verhouding tussen de proportie met een positieve uitslag op de indextest
binnen de groep personen met de ziekte en de propportie met een positieve testuitslag
binnen de groep personen zonder de ziekte.
- LR- is dus de verhouding tussen de proportie met een negatieve uitslag op de indextest
binnen de groep personen met de ziekte en de proportie met een negatieve testuitslag
binnen de groep personen zonder de ziekte.
Verschillende afkappunten voor een indextest gemeten op een continue schaal → sensitiviteit
en specificiteit zijn negatief gecorreleerd. Dit wordt weergegeven op de zogehete ROC-curve
(receiver operating characteristic-curve). Hoe beter de onderscheidend vermogen van de test,
des te groter het oppervlak tussen de curve en de diagonaal (area under the curve).
2. Precisie van de geschatte diagnostische parameters: een betrouwbaarheidsinterval
wordt smaller naar mate er meer patiënten aan het onderzoek meedoen. Kleine
onderzoeken hebben brede betrouwbaarheidsintervallen en leveren weinig informatie
(uitkomsten die minder zeker zijn). Bij de interpretatie van de resultaten van
diagnostische accuratesseonderzoek dient u rekening te houden met de door het
betrouwbaarheidsinterval aangegeven onzekerheidsmarges.
Toepasbaarheid:
Het gaat hierbij niet om de interne validiteit van het onderzoek, maar om de mate waarop het
onderzoek zich leent om de vragen van de lezer te beantwoorden. De toepasbaarheid kan aan
de hand van de volgende criteria beoordeel worden:
- Overeenkomst van de patiënten in het onderzoek met de eigen patiënt(en): de
kenmerken van de patiënten bij wie de lezer de test wil toepassen, moeten voldoende
overeenkomen met die van de in het onderzoek betrokken patiënten.
- Doel en toepasbaarheid van de diagnostische test: een diagnostische test kan
verschillende doelen hebben in verschillende fasen van het diagnostische proces
ingezet worden (denk aan triage test en add-on test).
- Toepasbaarheid van de referentiestandaard: de aandoening die vastgesteld wordt door
middel van de referentiestandaard in het gevonden onderzoek moet overeenkomen met
de aandoening die aangetoond dan wel uitgesloten dient te worden bij de betrokken
patiënten.
- Toepassing bij een individuele patiënt: het is onder bepaalde voorwaarden ook
mogelijk om te berekenen wat een testresultaat voor een individuele patiënt betekent
in termen van een afname in onzekerheid.
- Beïnvloeding van uw handelwijze door de verkregen achterafkant: bij de overgang van
diagnosestelling naar verder beleid komen twee belangrijke vragen aan bod (1) is de
waarschijnlijkheid van de vooropgestelde diagnose voldoende hoog om zinvolle hulp
te bieden en (2) kan een bijkomende test de beslissing over het vervolgtraject
wijzigen?
- Belasting door de test: de patiënt moet uiteraard goed worden ingelicht over de inhoud
van de diagnostische test (te verwachten belasting en gevaren), opdat hij zelf kan
beslissen of hij de test wel wil ondergaan.
4.2.3 Conclusie: