Inleiding tot audiotechnologie
Tags
Doelstellingen
Weten wat geluid is als fysisch verschijnsel
Hoe wij geluid ervaren, in het bijzonder wat we bedoelen met luid en stil
Weten wat geluidsfrequentie en geluidsvolume is
Wat geluidsbereik is en welk bereik het menselijk oor kan horen
Hoe we geluid zowel mechanisch, elektrisch en digitaal bewaren
Hoe we geluid transporteren
Hoe we geluid digitaliseren
Hoe we digitale geluiden bewaren en wat MP3 is.
1. Geluid
Hetgeen we met ons zintuig “horen” ervaren.
Trillingen: Beweging van luchtdeeltjes, zoals door een snaar, trommelvel of
luidspreker.
Amplitude: Grootte van de trilling, bepaalt hoe luid we een geluid horen.
Frequentie: Aantal trillingen per seconde, gemeten in Hertz (Hz).
Staande golf: Geluidsgolf waarbij alle punten in fase bewegen en een
regelmatig patroon van buiken en knopen vertonen.
Lopende golf: Geluidsgolf waarbij de deeltjes zich niet exact gelijk
verplaatsen, zoals bij zeegolven.
Longitudinale golf: Geluidsgolf in gassen en vloeistoffen, deeltjes bewegen
evenwijdig aan de voortplantingsrichting.
Transversale golf: Geluidsgolf in vaste stoffen, deeltjes bewegen loodrecht
op de voortplantingsrichting.
Snelheid van geluid: Hangt af van het medium en factoren zoals
temperatuur, vochtigheid en wind. In lucht bij 15°C is de snelheid ongeveer
Inleiding tot audiotechnologie 1
, 340 m/s.
Medium: Materiaal waardoor geluid zich voortplant. Geluid beweegt sneller
in vaste stoffen dan in gassen of vloeistoffen.
Echo: Geluid dat meerdere keren na elkaar wordt gehoord door
verschillende aankomsttijden van geluidsgolven.
Demping: Vermindering van de amplitude van een geluidsgolf, sneller in
vaste stoffen.
1.1 Het oor
Oor: Orgaan waarmee we geluiden waarnemen.
Trommelvlies: Vangt luchttrillingen op en zet deze om in zenuwprikkels via
hamer, aambeeld en stijgbeugel.
1.2 Dopplereffect en schokgolven
Dopplereffect: Verandering in toonhoogte van een geluid door beweging
van de geluidsbron of waarnemer.
Schokgolf: Ontstaat wanneer een geluidsbron sneller beweegt dan de
geluidssnelheid, waargenomen als een luide knal.
1.3 Kenmerken van een geluidsgolf
Frequentie: Toonhoogte van een geluid, gemeten in Hertz (Hz). 1 Hz is één
trilling per seconde.
Golflengte: Afstand tussen twee dezelfde punten van een golf. Hoe hoger
de frequentie, hoe kleiner de golflengte.
Amplitude: Grootte van de golf, bepaalt hoe luid we een geluid horen.
Periodiciteit: Regelmaat van de golfvorm. Een zuivere toon vertoont een
sinusoïde vorm, ruis is onregelmatig.
1.4 De decibel (of het geluidsvolume)
Decibel (dB): Eenheid voor geluidsniveau, geeft aan hoe luid een geluid is.
Volume: Geluidsterkte, vaak aangegeven op geluidsinstallaties.
Luchtdruk: Verandering in luchtdruk veroorzaakt door geluid, gemeten in
Pascal (Pa).
Inleiding tot audiotechnologie 2
Tags
Doelstellingen
Weten wat geluid is als fysisch verschijnsel
Hoe wij geluid ervaren, in het bijzonder wat we bedoelen met luid en stil
Weten wat geluidsfrequentie en geluidsvolume is
Wat geluidsbereik is en welk bereik het menselijk oor kan horen
Hoe we geluid zowel mechanisch, elektrisch en digitaal bewaren
Hoe we geluid transporteren
Hoe we geluid digitaliseren
Hoe we digitale geluiden bewaren en wat MP3 is.
1. Geluid
Hetgeen we met ons zintuig “horen” ervaren.
Trillingen: Beweging van luchtdeeltjes, zoals door een snaar, trommelvel of
luidspreker.
Amplitude: Grootte van de trilling, bepaalt hoe luid we een geluid horen.
Frequentie: Aantal trillingen per seconde, gemeten in Hertz (Hz).
Staande golf: Geluidsgolf waarbij alle punten in fase bewegen en een
regelmatig patroon van buiken en knopen vertonen.
Lopende golf: Geluidsgolf waarbij de deeltjes zich niet exact gelijk
verplaatsen, zoals bij zeegolven.
Longitudinale golf: Geluidsgolf in gassen en vloeistoffen, deeltjes bewegen
evenwijdig aan de voortplantingsrichting.
Transversale golf: Geluidsgolf in vaste stoffen, deeltjes bewegen loodrecht
op de voortplantingsrichting.
Snelheid van geluid: Hangt af van het medium en factoren zoals
temperatuur, vochtigheid en wind. In lucht bij 15°C is de snelheid ongeveer
Inleiding tot audiotechnologie 1
, 340 m/s.
Medium: Materiaal waardoor geluid zich voortplant. Geluid beweegt sneller
in vaste stoffen dan in gassen of vloeistoffen.
Echo: Geluid dat meerdere keren na elkaar wordt gehoord door
verschillende aankomsttijden van geluidsgolven.
Demping: Vermindering van de amplitude van een geluidsgolf, sneller in
vaste stoffen.
1.1 Het oor
Oor: Orgaan waarmee we geluiden waarnemen.
Trommelvlies: Vangt luchttrillingen op en zet deze om in zenuwprikkels via
hamer, aambeeld en stijgbeugel.
1.2 Dopplereffect en schokgolven
Dopplereffect: Verandering in toonhoogte van een geluid door beweging
van de geluidsbron of waarnemer.
Schokgolf: Ontstaat wanneer een geluidsbron sneller beweegt dan de
geluidssnelheid, waargenomen als een luide knal.
1.3 Kenmerken van een geluidsgolf
Frequentie: Toonhoogte van een geluid, gemeten in Hertz (Hz). 1 Hz is één
trilling per seconde.
Golflengte: Afstand tussen twee dezelfde punten van een golf. Hoe hoger
de frequentie, hoe kleiner de golflengte.
Amplitude: Grootte van de golf, bepaalt hoe luid we een geluid horen.
Periodiciteit: Regelmaat van de golfvorm. Een zuivere toon vertoont een
sinusoïde vorm, ruis is onregelmatig.
1.4 De decibel (of het geluidsvolume)
Decibel (dB): Eenheid voor geluidsniveau, geeft aan hoe luid een geluid is.
Volume: Geluidsterkte, vaak aangegeven op geluidsinstallaties.
Luchtdruk: Verandering in luchtdruk veroorzaakt door geluid, gemeten in
Pascal (Pa).
Inleiding tot audiotechnologie 2