Samenvatting mediapsychologie (leerdoelen)
Week 1: mediapsychologie, een sociale wetenschap
Mediapsychologie als vorm van toegepaste psychologie
Psychologie: bestudeert het menselijk gedrag dat vertoond wordt in een bepaalde sociale omgeving.
Wat is gedrag?
- Waarneembaar
- Niet waarneembaar
BASISTHEORIEEN TOEGEPASTE/SOCIALE PSYCHOLOGIE:
1. Conformisme (Soloman Asch)
Man kiest wat de rest van de groep kiest: ook als het fout is.
Sociaal wezen > sociale druk.
Conformeren = aanpassen
Kijken: wat is normaal? > dat nadoen.
Zo overleeft de mens > kuddemensen.
2. Autoriteitsgevoeligheid (milgram)
Wanneer iemand de opdracht van autoriteitsfiguur krijgt voelt hij zich minder verantwoordelijk.
Is daardoor meer bereid om slechte dingen te doen > tweede wereldoorlog.
3. Stanford prison experiment
Hierarchy > evil.
Nep bewakers, en nep gevangenen.
Onbewust de rol innemen.
Tot het punt dat ze het echt worden.
Grensoverschrijdend gedrag vertonen.
Wat kunnen mediapsychologen met de lessen uit voorgaande experimenten? Verschillende soorten invloed.
Mediapsychologie: wetenschap & toegepast onderzoek. Wanneer spreek men vanuit de wetenschap
over beïnvloeding? (Oorzaak en gevolg).
MEDIAPSYCHOLOGIE: de studie van cognitieve, affectieve en automatische verwerking van media-informatie en
van de mediaconsumptie.
- Onderzoek binnen mediapsychologie > Mediapsychologie is een wetenschap: de werkelijkheid wordt
systematisch in kaart gebracht.
WETENSCHAP EN TOEGEPAST ONDERZOEK
Correlatie (verband)
Correlatie: een verandering binnen de ene variabele gaat gepaard met een verandering in de andere
variabele.
Positieve correlatie = toename van geweld in games gaat gepaard met toename agressieve gedachten
afname gaat gepaard met afname. – of ++
Negatieve correlatie = toename van geweld in games gaat gepaard met afname agressieve gedachten of
afname met toename. -+ of +-
Het warm weer wordt minder > er wordt minder water gedronken = positief
Warm weer wordt minder > er wordt meer theegedronken = negatief
Causaliteit (oorzaak > gevolg)
Causaliteit: oorzakelijk verband
1. Het is een correlatie
2. A heeft invloed op B maar niet andersom
3. Veel jenever = dronkenschap
4. Dronkenschap = NIET veel jenever
,Onderzoek naar respons op drie niveaus (mediapsychologie):
1. Cognitieve respons (denken)
2. Affectieve respons (voelen)
3. Gedragsmatige respons (doen)
Twee typen variabelen spelen een rol bij responsonderzoek:
1. Onafhankelijke variabelen (hebben invloed op de respons).
Zijn oorzaak variabelen > onafhankelijk van wat je doet.
Feitelijkheden
Persoonsvariabelen = geslacht, leeftijd etc.
Situationele variabelen = bepaalde reclame of wedstrijd
2. Afhankelijke variabelen (cognities, emoties, gedragingen)
Zijn gevolg variabele
Wat er met iemand gebeurt
Week 2: ben ik te beïnvloeden?
, Hoe verwerken we informatie en welke factoren hebben daar invloed op?
Vereenvoudigd Informatieverwerkingsmodel = boodschap > zender > ontvanger > effect.
INFORMATIEVERWERKINGSMODEL
Alle kenmerken (die van invloed kunnen zijn op het effect):
1. Boodschap (onafhankelijke variabele)
Inhoud: argumentatie (cognitief, affectief, gedrag)
Bron: wie zit erachter? (Bijv. Trump)
Strategie: op welke wijze? (Herhaling, juiste/verkeerde timing)
Genre: welk genre?
2. Medium (onafhankelijke variabele)
Distributie: tijd, plek, toegankelijkheid.
Controle: zelf bepalen wanneer ik het tot me neem? Mate van interactie.
Format: formule, structuur.
Context: rondom & binnen medium.
3. Ontvanger (onafhankelijke variabele)
Voorgaande ervaringen
Betrokkenheid
Motivatie
Stemming
4. Effect (afhankelijke variabele)
Op psychofysiologisch niveau (hartslag, etc.)
Cognitief niveau (denken)
Affectief niveau (voelen)
Gedragsniveau (doen)
Wat is de geschiedenis van mediaonderzoek en welke lessen kunnen we daaruit trekken?
3 stromingen (geschiedenis onderzoek invloed media):
1. Machtige media (almacht van de media)
2. Het actieve publiek (users & gratifications)
3. Audience cum content
ALMACHT VAN DE MEDIATHEORIE:
Massamedia bereiken iedereen.
Er is sprake van eenrichtingsverkeer (zender > ontvanger).
Direct verband: boodschap > invloed.
Ontvanger neemt alle boodschappen in zich op = passief en kritiekloos.
De invloed van de media = slecht.
Boodschap direct van zender naar ontvanger; er zit geen filter tussen.
Massa is makkelijk te manipuleren, de elite niet (te slim, wel educatie gehad).
Massamens wordt beïnvloed.
Week 1: mediapsychologie, een sociale wetenschap
Mediapsychologie als vorm van toegepaste psychologie
Psychologie: bestudeert het menselijk gedrag dat vertoond wordt in een bepaalde sociale omgeving.
Wat is gedrag?
- Waarneembaar
- Niet waarneembaar
BASISTHEORIEEN TOEGEPASTE/SOCIALE PSYCHOLOGIE:
1. Conformisme (Soloman Asch)
Man kiest wat de rest van de groep kiest: ook als het fout is.
Sociaal wezen > sociale druk.
Conformeren = aanpassen
Kijken: wat is normaal? > dat nadoen.
Zo overleeft de mens > kuddemensen.
2. Autoriteitsgevoeligheid (milgram)
Wanneer iemand de opdracht van autoriteitsfiguur krijgt voelt hij zich minder verantwoordelijk.
Is daardoor meer bereid om slechte dingen te doen > tweede wereldoorlog.
3. Stanford prison experiment
Hierarchy > evil.
Nep bewakers, en nep gevangenen.
Onbewust de rol innemen.
Tot het punt dat ze het echt worden.
Grensoverschrijdend gedrag vertonen.
Wat kunnen mediapsychologen met de lessen uit voorgaande experimenten? Verschillende soorten invloed.
Mediapsychologie: wetenschap & toegepast onderzoek. Wanneer spreek men vanuit de wetenschap
over beïnvloeding? (Oorzaak en gevolg).
MEDIAPSYCHOLOGIE: de studie van cognitieve, affectieve en automatische verwerking van media-informatie en
van de mediaconsumptie.
- Onderzoek binnen mediapsychologie > Mediapsychologie is een wetenschap: de werkelijkheid wordt
systematisch in kaart gebracht.
WETENSCHAP EN TOEGEPAST ONDERZOEK
Correlatie (verband)
Correlatie: een verandering binnen de ene variabele gaat gepaard met een verandering in de andere
variabele.
Positieve correlatie = toename van geweld in games gaat gepaard met toename agressieve gedachten
afname gaat gepaard met afname. – of ++
Negatieve correlatie = toename van geweld in games gaat gepaard met afname agressieve gedachten of
afname met toename. -+ of +-
Het warm weer wordt minder > er wordt minder water gedronken = positief
Warm weer wordt minder > er wordt meer theegedronken = negatief
Causaliteit (oorzaak > gevolg)
Causaliteit: oorzakelijk verband
1. Het is een correlatie
2. A heeft invloed op B maar niet andersom
3. Veel jenever = dronkenschap
4. Dronkenschap = NIET veel jenever
,Onderzoek naar respons op drie niveaus (mediapsychologie):
1. Cognitieve respons (denken)
2. Affectieve respons (voelen)
3. Gedragsmatige respons (doen)
Twee typen variabelen spelen een rol bij responsonderzoek:
1. Onafhankelijke variabelen (hebben invloed op de respons).
Zijn oorzaak variabelen > onafhankelijk van wat je doet.
Feitelijkheden
Persoonsvariabelen = geslacht, leeftijd etc.
Situationele variabelen = bepaalde reclame of wedstrijd
2. Afhankelijke variabelen (cognities, emoties, gedragingen)
Zijn gevolg variabele
Wat er met iemand gebeurt
Week 2: ben ik te beïnvloeden?
, Hoe verwerken we informatie en welke factoren hebben daar invloed op?
Vereenvoudigd Informatieverwerkingsmodel = boodschap > zender > ontvanger > effect.
INFORMATIEVERWERKINGSMODEL
Alle kenmerken (die van invloed kunnen zijn op het effect):
1. Boodschap (onafhankelijke variabele)
Inhoud: argumentatie (cognitief, affectief, gedrag)
Bron: wie zit erachter? (Bijv. Trump)
Strategie: op welke wijze? (Herhaling, juiste/verkeerde timing)
Genre: welk genre?
2. Medium (onafhankelijke variabele)
Distributie: tijd, plek, toegankelijkheid.
Controle: zelf bepalen wanneer ik het tot me neem? Mate van interactie.
Format: formule, structuur.
Context: rondom & binnen medium.
3. Ontvanger (onafhankelijke variabele)
Voorgaande ervaringen
Betrokkenheid
Motivatie
Stemming
4. Effect (afhankelijke variabele)
Op psychofysiologisch niveau (hartslag, etc.)
Cognitief niveau (denken)
Affectief niveau (voelen)
Gedragsniveau (doen)
Wat is de geschiedenis van mediaonderzoek en welke lessen kunnen we daaruit trekken?
3 stromingen (geschiedenis onderzoek invloed media):
1. Machtige media (almacht van de media)
2. Het actieve publiek (users & gratifications)
3. Audience cum content
ALMACHT VAN DE MEDIATHEORIE:
Massamedia bereiken iedereen.
Er is sprake van eenrichtingsverkeer (zender > ontvanger).
Direct verband: boodschap > invloed.
Ontvanger neemt alle boodschappen in zich op = passief en kritiekloos.
De invloed van de media = slecht.
Boodschap direct van zender naar ontvanger; er zit geen filter tussen.
Massa is makkelijk te manipuleren, de elite niet (te slim, wel educatie gehad).
Massamens wordt beïnvloed.