Moleculaire celbiologie - H.12 – 11/10/2017
Membranen zijn selectief permeabel: sommige moleculen gaan er
wel doorheen en andere niet. De permeabiliteit hangt af van:
Polariteit: oplosbaarheid in membranen
Grootte: diffsiesnelheid door membranen
Sommige moleculen kunnen niet door een membraan, hiervoor
gebruik je dan transporters of kanalen.
Passief transport: met concentratie/elektrochemische gradiënt mee. Soorten:
Simpele diffusie
Vergemakkelijkte difussie
Transporters en kanalen
Vergemakkelijkt transsport (diffusie): door kanalen en transporters kunnen stoffen door het
membraan mee met de concentratiegradiënt (van een hoge naar een lage concentratie).
Kanalen en transporters zijn op een
gegeven moment verzadigd waardoor
er een Vmax ontstaat. Dit is zo bij
vergemakkelijkt en actief transport
Verschil in reactiesnelheden
Voor ongeladen deeltjes is alleen de concentratie belangrijk voor de richting van het
transport: concentratie gradiënt
Voor geladen deeltjes zijn de concentratie en de lading belangrijk voor de richting van het
transport: elektrochemische gradiënt. (er zal minder transport zijn als de stof met de
concentratie meegaat maar tegen de lading is en visa versa).
Osmose: diffusie van water van een lage naar hoge osmotische waarde (passief transport).
Als water de cel in wil, dan gaat de cel zwellen. Een plantencel gebruikt zijn celwanden een
dierlijke cel zijn cytoskelet om de druk te kunnen houden. Het water slaan plantencellen op in
hun vacuole en sommige protozoa maken gebruik van een contractiele vacuole (tijdelijke
vacuole die naar buiten gewerkt wordt.
Hypotone oplossing: lage concentratie
Hypertone oplossing: hoge concentratie
Actief transport: gaat tegen concentratie/elektrochemische gradiënt in. Hiervoor is wel ATP
nodig. De energie daarvoor kan ook uit licht gehaald worden. Actief transport gaat altijd via
transporters.
Natrium/kalium pomp: behouden van het rustpotentiaal. 3 natriumionen binden, daarna
bindt ATP en laat één fosfaatgroep achter (ADP blijft over in de cel), de pomp klapt om en de
3 natriumionen gaan naar buiten de cel. Hierna binden 2 kaliumionen en fosfaat laat los, en
pomp klapt weer op en kalium stroomt de cel binnen. De affiniteit verandert dus steeds.
Membranen zijn selectief permeabel: sommige moleculen gaan er
wel doorheen en andere niet. De permeabiliteit hangt af van:
Polariteit: oplosbaarheid in membranen
Grootte: diffsiesnelheid door membranen
Sommige moleculen kunnen niet door een membraan, hiervoor
gebruik je dan transporters of kanalen.
Passief transport: met concentratie/elektrochemische gradiënt mee. Soorten:
Simpele diffusie
Vergemakkelijkte difussie
Transporters en kanalen
Vergemakkelijkt transsport (diffusie): door kanalen en transporters kunnen stoffen door het
membraan mee met de concentratiegradiënt (van een hoge naar een lage concentratie).
Kanalen en transporters zijn op een
gegeven moment verzadigd waardoor
er een Vmax ontstaat. Dit is zo bij
vergemakkelijkt en actief transport
Verschil in reactiesnelheden
Voor ongeladen deeltjes is alleen de concentratie belangrijk voor de richting van het
transport: concentratie gradiënt
Voor geladen deeltjes zijn de concentratie en de lading belangrijk voor de richting van het
transport: elektrochemische gradiënt. (er zal minder transport zijn als de stof met de
concentratie meegaat maar tegen de lading is en visa versa).
Osmose: diffusie van water van een lage naar hoge osmotische waarde (passief transport).
Als water de cel in wil, dan gaat de cel zwellen. Een plantencel gebruikt zijn celwanden een
dierlijke cel zijn cytoskelet om de druk te kunnen houden. Het water slaan plantencellen op in
hun vacuole en sommige protozoa maken gebruik van een contractiele vacuole (tijdelijke
vacuole die naar buiten gewerkt wordt.
Hypotone oplossing: lage concentratie
Hypertone oplossing: hoge concentratie
Actief transport: gaat tegen concentratie/elektrochemische gradiënt in. Hiervoor is wel ATP
nodig. De energie daarvoor kan ook uit licht gehaald worden. Actief transport gaat altijd via
transporters.
Natrium/kalium pomp: behouden van het rustpotentiaal. 3 natriumionen binden, daarna
bindt ATP en laat één fosfaatgroep achter (ADP blijft over in de cel), de pomp klapt om en de
3 natriumionen gaan naar buiten de cel. Hierna binden 2 kaliumionen en fosfaat laat los, en
pomp klapt weer op en kalium stroomt de cel binnen. De affiniteit verandert dus steeds.