Funbio samenvatting H.26
Buiten dieren, planten en fungi zijn alle organismen micro-organismen: organismen die
microscopisch klein en eencellig (kunnen) zijn.
Virussen zijn microscopisch klein, maar het zijn geen
levende organismen. Virussen zijn namelijk afhankelijk
voor replicatie van andere cellen en ze hebben geen eigen
metabolisme. De ontdekker van de virussen was
Beijerinck. Hij deed onderzoek naar het tobacco mosaic
disease. Hij zag dat als hij een extract nam van een
geïnfecteerde plant, en de bacteriën daaruit filterde, dan
de gezonde planten toch ziek konden worden door het
filtraat. Er moest dus iets veel kleiners zijn dan een
bacterie die een ziekteverwekker was een virus.
Virussen kunnen verschillende
structuren hebben. Hun virale
genoom bestaat uit dsDNA, ssDNA,
dsRNA of ssRNA. De meeste
virussen hebben een eiwitmantel,
een capsid die bestaat uit
capsomeres. Sommige virussen
hebben een envelop (membraam van
de gastheercel met virale eiwitten).
Bacteriofagen (fagen): virussen die
bacteriën kunnen infecteren.
Dit is de algemene replicatie van virussen. Virussen kunnen alleen repliceren in een
gastheercel, ze hebben namelijk zelf geen metabolische enzymen, ribosomen etc. Ieder virus
kan bepaalde gastheercellen infecteren (host range):
Eiwitten aan de buitenkant van een virus
binden aan eiwitten (receptoren) van de
gastheercelen.
Daarna maakt het virus gebruik van
enzymen, tRNA’s, ribosomen en
aminozuren van de host cel om virus
eiwitten te maken en het virusgenoom te
repliceren.
Daarna assembleren het virale genoom en
de capsomeres eiwitten spontaan tot
nieuwe virusparikels.
Zie dat de host cel van alles met het virale
genoom gaat doen, of die het nou wil of niet.
Buiten dieren, planten en fungi zijn alle organismen micro-organismen: organismen die
microscopisch klein en eencellig (kunnen) zijn.
Virussen zijn microscopisch klein, maar het zijn geen
levende organismen. Virussen zijn namelijk afhankelijk
voor replicatie van andere cellen en ze hebben geen eigen
metabolisme. De ontdekker van de virussen was
Beijerinck. Hij deed onderzoek naar het tobacco mosaic
disease. Hij zag dat als hij een extract nam van een
geïnfecteerde plant, en de bacteriën daaruit filterde, dan
de gezonde planten toch ziek konden worden door het
filtraat. Er moest dus iets veel kleiners zijn dan een
bacterie die een ziekteverwekker was een virus.
Virussen kunnen verschillende
structuren hebben. Hun virale
genoom bestaat uit dsDNA, ssDNA,
dsRNA of ssRNA. De meeste
virussen hebben een eiwitmantel,
een capsid die bestaat uit
capsomeres. Sommige virussen
hebben een envelop (membraam van
de gastheercel met virale eiwitten).
Bacteriofagen (fagen): virussen die
bacteriën kunnen infecteren.
Dit is de algemene replicatie van virussen. Virussen kunnen alleen repliceren in een
gastheercel, ze hebben namelijk zelf geen metabolische enzymen, ribosomen etc. Ieder virus
kan bepaalde gastheercellen infecteren (host range):
Eiwitten aan de buitenkant van een virus
binden aan eiwitten (receptoren) van de
gastheercelen.
Daarna maakt het virus gebruik van
enzymen, tRNA’s, ribosomen en
aminozuren van de host cel om virus
eiwitten te maken en het virusgenoom te
repliceren.
Daarna assembleren het virale genoom en
de capsomeres eiwitten spontaan tot
nieuwe virusparikels.
Zie dat de host cel van alles met het virale
genoom gaat doen, of die het nou wil of niet.