Beeldende kunst begrippen
Met uitleg
Je kunt vragen verwachten over de verschillen tussen deze begrippen (met name
voorstelling en vormgeving). Ook moet je deze begrippen kunnen toepassen op
kunstwerken en stukken tekst.
Voorstelling:
De voorstelling geeft aan wat er wordt afgebeeld
Een beeldend werk kan een onderwerp of boodschap hebben of een verhaal vertellen, maar
dat hoeft niet.
Beeldende kunst die geen voorstelling heeft noem je abstract of non-figuratief.
Vormgeving:
De vormgeving geeft aan hoe het werk eruit ziet.
Een kunstenaar kan dan kiezen tussen beeldende middelen of materialen en technieken.
Denk aan: vorm, kleur, licht, ruimte, compositie, materialen en technieken
Vorm: Kun je beschrijven met woorden als geometrisch (meetkundige vormen), organisch
(natuur), gestileerd (vereenvoudigde vormen).
Kleur:
- Primaire kleuren (rood, geel en blauw)
- Secundaire kleuren (oranje, paars en groen)
- Tertiaire kleuren (vergrijsde kleuren)
Hoe meer je kleuren mengt, hoe minder zuiver ze worden.
Als je tegenstellingen tussen kleuren ziet, noem je dat contrasten.
- Uiterste tegenstelling (rood-groen, paars-geel) = complementair contrast
- Kleuren waarin blauw overheersend is = koude kleuren
- Kleuren waarin rood, geel overheerst = warme kleuren
Licht: De manier waarop natuurlijk licht valt op een 3D werk, bepaalt hoe het eruit ziet
In een 2D werk worden licht en schaduw verbeeld door de kunstenaar.
- eigen schaduw is de schaduw op de niet-belichte kant van een object. Eigen
schaduw verhoogt de plasticiteit.
- Slagschaduw is de schaduw die een object werpt op de ondergrond of een ander
object.
Ruimte: 3D kunstwerken nemen ruimte in.
In 2D werken wordt de ruimte verbeeld door de kunstenaar.
Dit kan op verschillende manieren:
- Overlapping: Het ene voorwerp staat voor, of overlapt het andere voorwerp
- Groot-klein: De voorwerpen op de voorgrond worden groter afgebeeld dan de
voorwerpen die verder weg staan, soms wiskundig onderbouwd met het
lijnperspectief.
- Kleurperspectief: Wat dichtbij staat heeft fellere kleuren dan wat verder weg staat.
- Eigen schaduw: verhoogt de plasticiteit van een voorwerp
- Afsnijding: Links, rechts, boven of onder lijkt de voorstelling door te lopen buiten de
rand van de afbeelding. Hierdoor lijkt het alsof er meer ruimte is.
Met uitleg
Je kunt vragen verwachten over de verschillen tussen deze begrippen (met name
voorstelling en vormgeving). Ook moet je deze begrippen kunnen toepassen op
kunstwerken en stukken tekst.
Voorstelling:
De voorstelling geeft aan wat er wordt afgebeeld
Een beeldend werk kan een onderwerp of boodschap hebben of een verhaal vertellen, maar
dat hoeft niet.
Beeldende kunst die geen voorstelling heeft noem je abstract of non-figuratief.
Vormgeving:
De vormgeving geeft aan hoe het werk eruit ziet.
Een kunstenaar kan dan kiezen tussen beeldende middelen of materialen en technieken.
Denk aan: vorm, kleur, licht, ruimte, compositie, materialen en technieken
Vorm: Kun je beschrijven met woorden als geometrisch (meetkundige vormen), organisch
(natuur), gestileerd (vereenvoudigde vormen).
Kleur:
- Primaire kleuren (rood, geel en blauw)
- Secundaire kleuren (oranje, paars en groen)
- Tertiaire kleuren (vergrijsde kleuren)
Hoe meer je kleuren mengt, hoe minder zuiver ze worden.
Als je tegenstellingen tussen kleuren ziet, noem je dat contrasten.
- Uiterste tegenstelling (rood-groen, paars-geel) = complementair contrast
- Kleuren waarin blauw overheersend is = koude kleuren
- Kleuren waarin rood, geel overheerst = warme kleuren
Licht: De manier waarop natuurlijk licht valt op een 3D werk, bepaalt hoe het eruit ziet
In een 2D werk worden licht en schaduw verbeeld door de kunstenaar.
- eigen schaduw is de schaduw op de niet-belichte kant van een object. Eigen
schaduw verhoogt de plasticiteit.
- Slagschaduw is de schaduw die een object werpt op de ondergrond of een ander
object.
Ruimte: 3D kunstwerken nemen ruimte in.
In 2D werken wordt de ruimte verbeeld door de kunstenaar.
Dit kan op verschillende manieren:
- Overlapping: Het ene voorwerp staat voor, of overlapt het andere voorwerp
- Groot-klein: De voorwerpen op de voorgrond worden groter afgebeeld dan de
voorwerpen die verder weg staan, soms wiskundig onderbouwd met het
lijnperspectief.
- Kleurperspectief: Wat dichtbij staat heeft fellere kleuren dan wat verder weg staat.
- Eigen schaduw: verhoogt de plasticiteit van een voorwerp
- Afsnijding: Links, rechts, boven of onder lijkt de voorstelling door te lopen buiten de
rand van de afbeelding. Hierdoor lijkt het alsof er meer ruimte is.