TERMEN SOCIOLOGIE
- Conviviale SL: mensen leven samen en verwezenlijken samen op hartelijke manier dingen
- Consensus universalis: gemeenschappelijk geheel van ideeën en vooral morele waarden naar
conservatief recept, universele overeenstemming nodig, geformuleerd door sociologen en verspreid
door onderwijs
- Reïficatie: toekennen van mogelijkheid tot handelen aan dingen
- Anomie: sociale stoornis, afwezigheid van waarden en normen, geen duidelijke regels voor individu
- Agency: mogelijkheid tot handelen
- Interdependentie: onderlinge afhankelijkheid
- Doelrationaliteit: doelbewuste omgang met middelen met oog op positief effect eigenbelang, idee
van efficiëntie en kosten-batenanalyse
- Zero sum game: wat de ene meer krijgt, verliest de andere meerwaarde
- Hefboomfonds: beleggingsfonds dat open is voor beperkt aantal investeerders en dat door financiële
autoriteiten wordt toegestaan om groter aantal strategieën toe te passen
- Intersectionaliteit: complexe onderlinge verwevenheid van diverse vormen van sociale ongelijkheid
dat consequenties heeft voor individuele levens en vroegere eenvoudige klasse analyse complexer
maakt
- Waardenoriëntaties: normatief cultureel-ideologisch element van breuklijn, soort wereldbeeld hoe
het hoort te zijn
- Cliëntelisme: werd iets gedaan voor mensen van eigen zuil bv. Als socialist naar vakbond ging om iets
geregeld te krijgen moest katholiek zijn om bij kind en gezin te kunnen werken: persoon of groep
mensen ondersteunen/dienst bewijzen in ruil voor politieke steun
- Beleidskwestie: elke kwestie waarover gediscussieerd wordt in politiek ≠ breuklijnen
- Verzuilde SL: vorm van segregatie tussen zuilen, leven naast elkaar, stutten SL maar weinig contact
met elkaar (behalve in onderhandelingen)
- Pacificatiedemocratie: staatsvorm waarbij leiders ondanks hun meningsverschillen bereidheid
vertonen om samen te werken
- Sociale stratificatie: indelen van groepen mensen in maatschappelijke lagen, waartussen
ongelijkheidsverhouding bestaat
- Breuklijnen:
o Krachten die electoraal gedrag richting geven en conditioneren (lopen door mekaar en
werken samen om de andere schaak te zetten)
o Meer dan uitvloeisels van sociale stratificatie
o Meer dan alleen cultureel-ideologische opdelingen op basis van waarden en normen
3 niveaus moeten tegelijk aanwezig zijn:
Empirisch element: links-rechts, arm-rijk, werknemer-werkgever …
Normatief element: gevoel van identiteit bv. Als je arbeider bent ben je
socialist
Organisationeel/gedragsmatig element: instituties, organisaties, politieke
partijen
- Agalev
o Postindustriële SL:
Beroepenstructuur: secundaire industriële dienstverlening tertiaire sector
Toegenomen welvaart en onderwijsniveau
Verzorgingsstaat: zachte sector
Herverdelingskwestie minder urgent: want harder werk = hoger loon geen last
van inflatie geen verarming
Pacificatiedemocratie obv compromissen dankzij volgehouden economische groei
1
- Conviviale SL: mensen leven samen en verwezenlijken samen op hartelijke manier dingen
- Consensus universalis: gemeenschappelijk geheel van ideeën en vooral morele waarden naar
conservatief recept, universele overeenstemming nodig, geformuleerd door sociologen en verspreid
door onderwijs
- Reïficatie: toekennen van mogelijkheid tot handelen aan dingen
- Anomie: sociale stoornis, afwezigheid van waarden en normen, geen duidelijke regels voor individu
- Agency: mogelijkheid tot handelen
- Interdependentie: onderlinge afhankelijkheid
- Doelrationaliteit: doelbewuste omgang met middelen met oog op positief effect eigenbelang, idee
van efficiëntie en kosten-batenanalyse
- Zero sum game: wat de ene meer krijgt, verliest de andere meerwaarde
- Hefboomfonds: beleggingsfonds dat open is voor beperkt aantal investeerders en dat door financiële
autoriteiten wordt toegestaan om groter aantal strategieën toe te passen
- Intersectionaliteit: complexe onderlinge verwevenheid van diverse vormen van sociale ongelijkheid
dat consequenties heeft voor individuele levens en vroegere eenvoudige klasse analyse complexer
maakt
- Waardenoriëntaties: normatief cultureel-ideologisch element van breuklijn, soort wereldbeeld hoe
het hoort te zijn
- Cliëntelisme: werd iets gedaan voor mensen van eigen zuil bv. Als socialist naar vakbond ging om iets
geregeld te krijgen moest katholiek zijn om bij kind en gezin te kunnen werken: persoon of groep
mensen ondersteunen/dienst bewijzen in ruil voor politieke steun
- Beleidskwestie: elke kwestie waarover gediscussieerd wordt in politiek ≠ breuklijnen
- Verzuilde SL: vorm van segregatie tussen zuilen, leven naast elkaar, stutten SL maar weinig contact
met elkaar (behalve in onderhandelingen)
- Pacificatiedemocratie: staatsvorm waarbij leiders ondanks hun meningsverschillen bereidheid
vertonen om samen te werken
- Sociale stratificatie: indelen van groepen mensen in maatschappelijke lagen, waartussen
ongelijkheidsverhouding bestaat
- Breuklijnen:
o Krachten die electoraal gedrag richting geven en conditioneren (lopen door mekaar en
werken samen om de andere schaak te zetten)
o Meer dan uitvloeisels van sociale stratificatie
o Meer dan alleen cultureel-ideologische opdelingen op basis van waarden en normen
3 niveaus moeten tegelijk aanwezig zijn:
Empirisch element: links-rechts, arm-rijk, werknemer-werkgever …
Normatief element: gevoel van identiteit bv. Als je arbeider bent ben je
socialist
Organisationeel/gedragsmatig element: instituties, organisaties, politieke
partijen
- Agalev
o Postindustriële SL:
Beroepenstructuur: secundaire industriële dienstverlening tertiaire sector
Toegenomen welvaart en onderwijsniveau
Verzorgingsstaat: zachte sector
Herverdelingskwestie minder urgent: want harder werk = hoger loon geen last
van inflatie geen verarming
Pacificatiedemocratie obv compromissen dankzij volgehouden economische groei
1