Samenvatting Nederlands
Een concreet zelfstandig naamwoord (czn) geeft iets tastbaars aan.
Een abstract zelfstandig naamwoord (azn) geeft iets aan wat je niet kan
aanraken.
Een bepaald lidwoord (blw) zijn de woorden de en het.
Een onbepaald lidwoord ( olw ) is het woord een.
Een bijvoeglijk naamwoord (bn) vertelt iets over een zelfstandig naamwoord:
bijv. een stoere filmster.
Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord (st.bn) zegt van welke stof iets gemaakt is
Een persoonlijk voornaamwoord (pers.vnw) duidt een persoon of ding aan.
Een bezittelijk voornaamwoord (bez.vnw) geeft aan van wie iets is.
Persoonlijk voornaamwoord Bezittelijke
voornaamwoorden
onderwerp Geen
onderwerp
Enkelvoud 1e persoon Ik Mij/me Mijn/m’n
2e persoon Jij/je Jou/je Jouw/je
U U Uw
3e persoon Hij Hem/ ‘m Zijn/z’n
Zij/ze Haar/ ze/ ‘r Haar/d’r
Het/ ‘t Het/ ‘t Zijn/z’n
Meervoud 1e persoon Wij/we Ons Ons/onze
2e persoon Jullie Jullie Jullie
U U Uw
3e persoon Zij/ ze Hun/hen/ze hun
Als in een zin met een werkwoordelijk gezegde maar één werkwoord staat dan
is dat een zelfstandig werkwoord (zww). Het geeft aan wat het onderwerp
doet.
De andere werkwoorden (ook de pv) zijn hulpwerkwoorden ( hww).
Als in een zin met een naamwoordelijk gezegde (is koning, wordt piloot) maar
één werkwoord staat, is dat een koppelwerkwoord (kww). Het
koppelwerkwoord koppelt een tijdelijke eigenschap aan het onderwerp.
Een concreet zelfstandig naamwoord (czn) geeft iets tastbaars aan.
Een abstract zelfstandig naamwoord (azn) geeft iets aan wat je niet kan
aanraken.
Een bepaald lidwoord (blw) zijn de woorden de en het.
Een onbepaald lidwoord ( olw ) is het woord een.
Een bijvoeglijk naamwoord (bn) vertelt iets over een zelfstandig naamwoord:
bijv. een stoere filmster.
Een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord (st.bn) zegt van welke stof iets gemaakt is
Een persoonlijk voornaamwoord (pers.vnw) duidt een persoon of ding aan.
Een bezittelijk voornaamwoord (bez.vnw) geeft aan van wie iets is.
Persoonlijk voornaamwoord Bezittelijke
voornaamwoorden
onderwerp Geen
onderwerp
Enkelvoud 1e persoon Ik Mij/me Mijn/m’n
2e persoon Jij/je Jou/je Jouw/je
U U Uw
3e persoon Hij Hem/ ‘m Zijn/z’n
Zij/ze Haar/ ze/ ‘r Haar/d’r
Het/ ‘t Het/ ‘t Zijn/z’n
Meervoud 1e persoon Wij/we Ons Ons/onze
2e persoon Jullie Jullie Jullie
U U Uw
3e persoon Zij/ ze Hun/hen/ze hun
Als in een zin met een werkwoordelijk gezegde maar één werkwoord staat dan
is dat een zelfstandig werkwoord (zww). Het geeft aan wat het onderwerp
doet.
De andere werkwoorden (ook de pv) zijn hulpwerkwoorden ( hww).
Als in een zin met een naamwoordelijk gezegde (is koning, wordt piloot) maar
één werkwoord staat, is dat een koppelwerkwoord (kww). Het
koppelwerkwoord koppelt een tijdelijke eigenschap aan het onderwerp.