8.1 Social Cognitive Theory
Albert Bandura: grondlegger; theorie over leren via observatie, interactie en modeling in sociale context.
Evolutie van unidirectioneel (omgeving → gedrag) naar transactioneel model (wederkerige beïnvloeding).
Agentic perspectief: mensen zijn actieve actoren die hun omgeving vormen en gedrag aanpassen om doelen te bereiken.
Relevant voor media-effecten: leren via observatie is niet beperkt tot directe omgeving; media vergroten bereik (geweld, zelfbeeld, eetgedrag).
Bobo Doll experiment: kleuters imiteren agressief gedrag van volwassenen op eigen manier → sociale factoren dragen bij aan gedrag. Ethische
kritiek.
8.2 Agency
Symbolizing capability: observeren → symbolisch opslaan → beteknis geven → sturen gedrag
bv. Slang linken met gevaar
Self-regulatory capability: doelen stellen, gedrag aanpassen; discrepancy reduction (standaard zetten om doel te
bereiken) /production (eigen doel hoger zetten) ; anticiperen op uitkomst, mens is actief, interne standaarden voor succes
forethought (anticiperen op uitkomst en aanpassen waar nodig)
Self-reflective capability: juistheid van eigen denken controleren
- enactive verification: gevolg eiegn gedrag
- vicarious verification: gevolg anderen hun gedrag
- social verification: mening anderen
- logical verification: consistentie met andere kennis
- self-efficacy = geloof in eigen kunnen.
Vicarious capability: leren via gedrag van anderen en gevolgen (media als extra leerbron → electronic acculturation).
observationeel leren link aan cultivatietheorie overname
8.3 Mechanismen van observationeel leren (= modeling)
Vier fasen:
1. Aandacht: wat observeer je? (attention), eyetracking
2. Bewaring: relevante info omzetten naar symbolische modellen (retention)
3. Reproductie: omzetten naar gedrag als motivatie aanwezig is aanwezogheid v (in)directe beloning/straf kan helpen
4. Motivatie: direct, vicarious of self-produced; soms tegenstrijdig (bv. sociale druk vs morele standaarden) bv alcohol
8.4 Abstract Modeling
Niet letterlijk kopiëren, maar onderliggende principes begrijpen en toepassen in nieuwe contexten.
bv. Je leert uit die danspas hoe ritme en balans werkt gebruikt dat later bij eigen choreografie
8.5 Vicarious Arousal
Emotionele reacties via observatie van anderen → kan leiden tot langdurige attitudes en copingstrategieën.
bv: in een film verdrinkt iemand jij: angstig voorzichtiger met zwemmen hoe mensen omgaan met emoties
8.6 Motivational Effects
Social Cognitive Theory benadrukt dat mensen niet alleen leren wat ze kunnen doen, maar ook beslissen of ze het doen — afhankelijk van
motivatie.
1. Vicarious motivators
Motivatie door observatie van gevolgen bij anderen.
Beloning → meer kans op imitatie; straf → minder kans.
Voorbeeld: likes op social media motiveren om content te maken; kritiek ontmoedigt.
2. Invloed op beloningswaardering (valentie) vicarious incentives
Gevoel over eigen beloning verandert door vergelijking met anderen.
Voorbeeld: loonsverhoging voelt minder waardevol als collega méér krijgt.
3. Transgressief gedrag Inhibitory & disinhibitory effects
Inhibitory: normen versterken → gedrag afremmen.
Disinhibitory: remmingen verzwakken → gedrag stimuleren.
Voorbeeld disinhibitory: geweld of dronkenschap in media als leuk of slim neerzetten.
4. Morale ontkoppeling
Uitschakelen van morele remmingen via o.a.:
1. Moral justification (“het is voor gerechtigheid”)
2. Exonerative comparison (“het is maar fictie”)
3. Euphemistic labeling (“actie” i.p.v. “geweld”)
4. Minimizing consequences
5. Dehumanizing the victim
6. Displacement/diffusion of responsibility
5. Voorbeeld geweld op tv
Detrimental practices:
- moral justification: geweld = noodzakelijk/goed (bv. Superhelden)
, - exonerative comparison: geweld lijkt minder door te vergelijken met erger geweld
- euphemistic labeling: verzachtende term zoals actie
Injurious effects: gevolgen minimaliseren.
Victim: slachtoffer minder menselijk maken of schuld geven. (bv vijanden minder menselijk, zogezegd uitgelokt)
Displacement/diffusion of responsibility: verantwoordelijkheid verschuiven naar anderen / verantwoordelijkheid verdelen
“iedereen kijkt het”
Belang: Media kunnen prosociaal gedrag stimuleren, maar ook schadelijk gedrag normaliseren. Motivaties kunnen botsen (bv. sociale beloning
vs morele standaarden).
8.7 Constructie sociale werkelijkheid & Social Prompting
Constructie sociale werkelijkheid
Media creëren een symbolische versie van de werkelijkheid die mensen gebruiken om hun wereldbeeld te vormen
(vicarious cultivation of beliefs).
Kan stereotypes of misconcepties versterken.
Link met cultivatietheorie: veel mediaconsumptie → groter effect op perceptie.
Social prompting
Media activeren eerder geleerd gedrag door te tonen wat sociaal wenselijk of populair is.
Vaak gebruikt in reclame en mode → fungeert als “trigger” voor bepaald gedrag.
Onderzoeksmethoden
1. Observational learning effects: beïnvloeding van attitudes/denkstijlen. Vb: bobodoll experiment
2. Performance effects: verhoogde kans op bepaald gedrag.
3. Desensitization effects: minder gevoelig voor stimuli.
4. Social construction of reality effects: invloed op wereldbeeld.
8.8 Dual link vs multipattern flow of influence
Two-step flow (traditioneel): Media → opinieleiders → publiek.
Social Cognitive Theory: Dual pathway
1. Direct: media beïnvloeden gedrag meteen (informeren, motiveren, sturen).
2. Indirect: via anderen die door media zijn beïnvloed, soms zonder dat je zelf media ziet.
Kernpunt: invloed kan zowel rechtstreeks als via meerdere tussenstappen verlopen.
8.9 Reflectie Theorie
- Welke effecten de theorie kan verklaren (ongewenst en gewenst).
Ongewenste effecten:
Agressie (o.a. via games; rol persoonlijke factoren).
Gezondheid: positieve beeldvorming van ongezond gedrag (alcohol, roken, eten).
Gewenste effecten:
Entertainment education: prosociale boodschappen in entertainment (bv. seksuele voorlichting, gendergelijkheid).
Gezondheidscampagnes: self-efficacy verhogen via modeling.
- Wat is de toekomst van het onderzoek.
Nieuwe media (games, VR, sociale media) krijgen meer aandacht.
Er kan nog veel onderzocht worden, vooral:
Invloed van influencers en peers op platforms zoals Instagram of TikTok.
Mogelijke toename van negatieve attitudes/gedrag (bv. alcoholgebruik door social media).
SCT blijft breed toepasbaar, maar werd oorspronkelijk voor tv ontwikkeld → er is nood aan uitbreiding voor nieuwe media.