FARMACOLOGIE
Hoofdstuk 2: Het geneesmiddel
Farmacotherapie = het behandelen met geneesmiddelen
1. Werking van geneesmiddelen
Geneesmiddelen kunnen op verschillende wijzen een werking uitvoeren:
Causale werking
o Oorzaak bestrijden (curatief)
o Vb. antibioticum
Profylactische werking
o Preventief
o Vb. vaccinatie
Substitutiewerking
o Ontbrekende stoffen vervangen/aanvullen
o Vb. insuline
Symptomatische werking
o Symptomen verlichten (zonder de oorzaak aan te pakken)
o Vb. paracetamol
o Bijzondere vorm: palliatieve behandeling (leven zo draaglijk mogelijk maken + verlichten van
klachten)
Diagnostisch gebruik
o Om de oorzaak of aard van de aandoening vast te stellen
o Vb. laxativum (voor een coloscopie)
Placebowerking
o Geen werkzame bestanddelen (‘neppil’)
Belangrijke termen:
Geneesmiddel = elk natuurlijk/synthetisch middel ter behandeling van klachten of het genezen van ziekten =
farmacon, medicijn, medicament
Indicatie = de reden van voorschrijven (kunnen ook meerdere zijn)
Contra-indicatie = reden om iets niet voor te schrijven (vb. bij bepaalde risicopatiënten)
Dosering = de hoeveelheid per keer; overdosering bijwerkingen en onderdosering symptomen
Bijwerking = ongewenste effecten of nevenwerkingen, verschilt van persoon tot persoon
Gewenning = minder effect na langdurige inname (verslavende middelen)
Verslaving = abstinentieverschijnselen bij plots stoppen
Interactie = wisselwerking tussen verschillende geneesmiddelen of tussen een geneesmiddel en een
voedingsmiddel (meer info in H5)
2. Naamgeving van geneesmiddelen
Merkgeneesmiddel met merknaam = hoofdletter met speciaal r-tje = elk geneesmiddel dat onder een speciale
benaming en in een bijzondere verpakking in de handel wordt gebracht.
Hoofdstuk 2: Het geneesmiddel
Farmacotherapie = het behandelen met geneesmiddelen
1. Werking van geneesmiddelen
Geneesmiddelen kunnen op verschillende wijzen een werking uitvoeren:
Causale werking
o Oorzaak bestrijden (curatief)
o Vb. antibioticum
Profylactische werking
o Preventief
o Vb. vaccinatie
Substitutiewerking
o Ontbrekende stoffen vervangen/aanvullen
o Vb. insuline
Symptomatische werking
o Symptomen verlichten (zonder de oorzaak aan te pakken)
o Vb. paracetamol
o Bijzondere vorm: palliatieve behandeling (leven zo draaglijk mogelijk maken + verlichten van
klachten)
Diagnostisch gebruik
o Om de oorzaak of aard van de aandoening vast te stellen
o Vb. laxativum (voor een coloscopie)
Placebowerking
o Geen werkzame bestanddelen (‘neppil’)
Belangrijke termen:
Geneesmiddel = elk natuurlijk/synthetisch middel ter behandeling van klachten of het genezen van ziekten =
farmacon, medicijn, medicament
Indicatie = de reden van voorschrijven (kunnen ook meerdere zijn)
Contra-indicatie = reden om iets niet voor te schrijven (vb. bij bepaalde risicopatiënten)
Dosering = de hoeveelheid per keer; overdosering bijwerkingen en onderdosering symptomen
Bijwerking = ongewenste effecten of nevenwerkingen, verschilt van persoon tot persoon
Gewenning = minder effect na langdurige inname (verslavende middelen)
Verslaving = abstinentieverschijnselen bij plots stoppen
Interactie = wisselwerking tussen verschillende geneesmiddelen of tussen een geneesmiddel en een
voedingsmiddel (meer info in H5)
2. Naamgeving van geneesmiddelen
Merkgeneesmiddel met merknaam = hoofdletter met speciaal r-tje = elk geneesmiddel dat onder een speciale
benaming en in een bijzondere verpakking in de handel wordt gebracht.