AGZVGG online college Botten en gewrichten (20-09-17)
Bewegingsapparaat
Het beenderstelsel omvat:
- Botten
- Kraakbeen
- Gewrichten (bewegingen)
- Spieren
Functies van het skelet
- Steun tegen de zwaartekracht
- Opslag
o Calcium, fosfor
o Vet
- Bloedcelproductie (rood beenmerg)
- Bescherming van de zachte inwendige organen (Schedel, ribben, bekken)
- Hefboomwerking voor spierbewegingen
De botstructuur
- Macroscopische kenmerken van de botten
o Algemene vormen van botten:
o Lange botten (dijbeen)
o Korte botten (handwortelbeentjes)
o Platte botten (ribben, schedel en schouderbladen)
o Onregelmatige botten (ruggenwervels)
Kenmerken van een lang bot:
- Diafyse (schacht)
o Compact (dicht) botweefsel
o Omgeeft de mergholte
o Mergholte<> beenmerg
- Epifysen (uiteinden)
o Spongieus botweefsel
o Bedekt met gewichtskraakbeen
- Periost (beenvlies)
o Vermengt met pezen en gewrichtsbanden
o Verbinding met de spieren
- Endost (binnenbekleding)
o Bekleedt de mergholte
o Botgroei en botherstel
Proximaal -> het bot wijst naar het lichaam toe
Distaal-> het bot wijst van het lichaam af
Botmarkeringen
- Lange botten
o Trochanter= ruw en groot uitsteeksel
o Kop en hals
o Fossa = ondiepe instulping
o Facet = gewrichtsvlak
o Sulcus = smalle groeve
o Gewrichtsknobbel
, - Schedel
o Sinus = holte met lucht gevuld
o Kanaal= doorgang door het botweefsel
o Foramen = ronde doorgang voor bloedvaten en zenuwen
o Fissuur= langwerpige spleet
o Processus = uitsteeksel of bobbel
- Bekken
o Crista = opvallende rand
o Linea = lage rand
o Ramus = verlenging van een bot met een hoek
o Spina = puntig uitsteeksel
o Fossa = ondiepe instulping
Indeling skelet
- Het axiale skelet (80 beenderen)
o Schedel
o Borstkas en borstbeen
o Wervelkolom
- Appendiculair skelet (126 beenderen)
o Armen, benen
o Schoudergordel
o Bekkengordel
Axiaal <> schedel
Cranium <> 22 beenderen
8 ter behoeve van hersenschedel
14 aangezichtsbeenderen
- Gehoorbeentjes<> 6
- Os hyoideum <> tongbeen
- Totaal 29 beenderen
Cranium :
- Os frontale : voorhoofdsbeen
o Voorhoofd, dak van oogkassen
o Frontale sinus (lucht van slijm voor de neusholten)
o Supraorbitaal foramen (opening door de benige rand van de oogkassen. )
o Doorgang voor bloedvaten en zenuwen van de wenkbrauwen en oogleden
- Ossa parietalia : twee wandbeenderen
o Zijkant en bovenkant
o Dak en bovenste wanden van de schedel
o Via de pijlnaad zijn de parietale beenderen verbonden
- Os occipitale (achterhoofdsbeen
o Foramen magnum (Verlengde ruggenmerg)
o Achterhoofdsknobbels
Plaatsen waar de schedel en wervelkolom verbonden zijn
- Ossa temporalia (Twee slaapbeenderen)
o Zijkanten en basis van de schedel
o Uitwendige gehoorgang
Bewegingsapparaat
Het beenderstelsel omvat:
- Botten
- Kraakbeen
- Gewrichten (bewegingen)
- Spieren
Functies van het skelet
- Steun tegen de zwaartekracht
- Opslag
o Calcium, fosfor
o Vet
- Bloedcelproductie (rood beenmerg)
- Bescherming van de zachte inwendige organen (Schedel, ribben, bekken)
- Hefboomwerking voor spierbewegingen
De botstructuur
- Macroscopische kenmerken van de botten
o Algemene vormen van botten:
o Lange botten (dijbeen)
o Korte botten (handwortelbeentjes)
o Platte botten (ribben, schedel en schouderbladen)
o Onregelmatige botten (ruggenwervels)
Kenmerken van een lang bot:
- Diafyse (schacht)
o Compact (dicht) botweefsel
o Omgeeft de mergholte
o Mergholte<> beenmerg
- Epifysen (uiteinden)
o Spongieus botweefsel
o Bedekt met gewichtskraakbeen
- Periost (beenvlies)
o Vermengt met pezen en gewrichtsbanden
o Verbinding met de spieren
- Endost (binnenbekleding)
o Bekleedt de mergholte
o Botgroei en botherstel
Proximaal -> het bot wijst naar het lichaam toe
Distaal-> het bot wijst van het lichaam af
Botmarkeringen
- Lange botten
o Trochanter= ruw en groot uitsteeksel
o Kop en hals
o Fossa = ondiepe instulping
o Facet = gewrichtsvlak
o Sulcus = smalle groeve
o Gewrichtsknobbel
, - Schedel
o Sinus = holte met lucht gevuld
o Kanaal= doorgang door het botweefsel
o Foramen = ronde doorgang voor bloedvaten en zenuwen
o Fissuur= langwerpige spleet
o Processus = uitsteeksel of bobbel
- Bekken
o Crista = opvallende rand
o Linea = lage rand
o Ramus = verlenging van een bot met een hoek
o Spina = puntig uitsteeksel
o Fossa = ondiepe instulping
Indeling skelet
- Het axiale skelet (80 beenderen)
o Schedel
o Borstkas en borstbeen
o Wervelkolom
- Appendiculair skelet (126 beenderen)
o Armen, benen
o Schoudergordel
o Bekkengordel
Axiaal <> schedel
Cranium <> 22 beenderen
8 ter behoeve van hersenschedel
14 aangezichtsbeenderen
- Gehoorbeentjes<> 6
- Os hyoideum <> tongbeen
- Totaal 29 beenderen
Cranium :
- Os frontale : voorhoofdsbeen
o Voorhoofd, dak van oogkassen
o Frontale sinus (lucht van slijm voor de neusholten)
o Supraorbitaal foramen (opening door de benige rand van de oogkassen. )
o Doorgang voor bloedvaten en zenuwen van de wenkbrauwen en oogleden
- Ossa parietalia : twee wandbeenderen
o Zijkant en bovenkant
o Dak en bovenste wanden van de schedel
o Via de pijlnaad zijn de parietale beenderen verbonden
- Os occipitale (achterhoofdsbeen
o Foramen magnum (Verlengde ruggenmerg)
o Achterhoofdsknobbels
Plaatsen waar de schedel en wervelkolom verbonden zijn
- Ossa temporalia (Twee slaapbeenderen)
o Zijkanten en basis van de schedel
o Uitwendige gehoorgang