BSM samenvatting 1.6 & 1.7
Een fitheidstest geeft een indicatie over je fitheid
Fitheidstesten worden gebruikt voor:
lichamelijke fitheid te meten
Geeft aan wat je trainingsintensiteit kan zijn of waar je met name aandacht op
moet vestigen als je gaat trainen
Wetenschappelijke aard (effecten van trainingsprogramma's)
Dienen als diagnosemiddel (lichamelijke reacties op zware inspanningen)
Conditie = hoelang en intensief iemand kan hardlopen, fietsen of roeien
Fitheid = het algemene vermogen om lichamelijke prestaties te leveren
Fitheid kun je uitsplitsten in verschillende grond motorische eigenschappen:
uithoudingsvermogen : het vermogen om een lichamelijke belasting vol te
houden (hierbij is onderscheid tussen aeroob (met zuurstof) en anaeroob (zonder
zuurstof)
Snelheid : de afstand die per tijdseenheid wordt afgelegd
Lenigheid : de mate van bewegingsuitslagen van de gewrichten (flexibiliteit)
Coördinatie : de organisatie en besturing van het motorische systeem
Kracht : het vermogen om door spierwerking een bepaalde weerstand te
overwinnen
Het belang van grond motorische eigenschappen is om te weten wat je wilt gaan
trainen (verschillende trainingen Bv. Bodybuilder en voetballer)
Betrouwbare Test moet een 4 voorwaarden voldoen:
validiteit (een geschikt meetinstrument)
De test onder de zelfde omstandigheden uit te voeren
Elke keer zelfde meetinstrument gebruiken
Testinstrument telkens op dezelfde wijzen gebruiken
Bij test of metingen spelen haalbaarheid en meetbaarheid een rol
Haalbaarheid = het doel moet reëel zijn
Meetbaarheid = het meetresultaat moet een betekenisvolle waarde opleveren voor
de beoordeling van het trainingseffect
Een vb. Van je fitheid te testen is een eurofittest
Nadat je je beginsituatie gemeten hebt, stel je een trainingsdoel op. Een wordt vaak
smart omschreven, waarbij smart staat voor:
, Specifiek : de doelstelling moet duidelijk en concreet zijn
Meetbaar : onder welke voorwaarden of vorm is net doel bereikt
Acceptabel : deze acceptabel genoeg voor alle betrokkenen
Realistisch : de doelstelling moet haalbaar zijn
Tijdgebonden : wanneer moet het doel bereikt zijn
Antropometrie betekent letterlijk meten van de mens hierbij word lichaamsgewicht
lengte vetpercentage en de BMI (body Mass index) gemeten
Door BMI kun je iemands gewicht beoordelen ten opzichten van zijn lichaamslengte
in het kwadraat
1.7
Trainingsdoel = kennis verwerven door het verzamelen van ervaringen uit de
trainingspraktijk en de bevindingen van wetenschappelijk onderzoek
De fysiologie van het menselijk lichaam = het bewegen van het menselijk lichaam en
de processen achter het menselijk bewegen
Energie = het vermogen om te arbeid te leveren
Bronnen van energie zijn : vetten eiwitten en koolhydraten
Koolhydraten, vetten en eiwitten worden in aanwezigheid van zuurstof (O2) afgebroken tot
koolstofdioxide (co2) en water (H2O) hierbij ontstaat chemische energie die wordt omgezet
in mechanische energie deze omzetting energie maakt het mogelijk om te bewegen
In de spiercellen wordt energie in vorm van adenosine-tri-fosfaat (ATP) opgeslagen
Als het ATP splitst in adenosine (ADP) en fosforzuur (P) dan komt er energie vrij
Afbraak van ATP = ATP ADP + P + energie mechanisch
De voorraad is klein van ATP en bij een maximale inspanning zo op daarom moet er nieuwe
ATP worden gevormd (resynthese)
Resynthese = het snel vormen van ATP wanneer het op is
Resynthese van ATP = ADP + P + energie ATP
3 verschillende systemen die zorgen voor aanvoer van energie voor de resynthese van ATP:
- (creatine)fosfaatsysteem
- Anaerobe systeem
- Aerobe systeem
, (creatine)fosfaatsysteem
Naast ATP ligt ook creatinefosfaat (CP) in de spieren opgeslagen
De functie van CP is de spieren de mogelijkheid geven langer gebruik te maken van een
snelle ATP-resynthese
Het fosfaatsysteem stelt het lichaam in staat om gedurende korte tijd een hoog vermogen te
leveren
Afbraak van CP = CP P (fosforzuur) + C (creatine) + chemische energie
Resynthese van ATP = energie + ADP + P ATP
Afbraak van ATP = ATP ADP + P = mechanisch energie
Creatinefosfaatpoel = een getrainde atleet legt een extra voorraad CP in de spiercellen aan
Bij dit proces is voor de aanvoer van chemische energie naar de spiercellen geen zuurstof
nodig en daardoor ontstaat er bij de verbranding geen restproduct
Het (creatine)fosfaatsysteem levert energie voor sporten zoals de 60 en 100 meter sprint
Anaerobe systeem
Dit systeem neemt de energievoorziening over van het fosfaatsysteem op het moment dat de
creatinenfosfaatpoel is uitgeput zal ongeveer na 10 tot 25 sec zijn
Anaerobe systeem levert door middel van glycolyse (suikerverbranding) energie voor de
resynthese van ATP
Koolhydraten worden omgezet in glucose tijdens de anaerobe glycolyse wordt glucose niet
helemaal afgebroken dit komt omdat er niet genoeg zuurstof aangeleverd kan worden
Door onvolledige verbranding van glucose blijft een reststof achter : melkzuur/lactaat
Melkzuur = een bijproduct van de onvolledige verbranding
Met de afbraak van 1 molecule glycogeen worden 2 moleculen ATP gevormd
Wanneer je tijdens een training boven de anaerobe drempel traint gaat je lichaam over op
anaerobe glycolyse (komt voor bij bv. Eindsprint bij wielrennen)
Anaerobe systeem levert energie voor 800 meter sprint 1500 meter schaatsen 1000 meter
roeien
Aerobe systeem
Dit systeem neemt de energievoorziening bij langdurige arbeid na ongeveer 2 tot 3 min over
van het anaerobe systeem
Het aerobe systeem heeft even tijd nodig om in een steady state te komen
Tijdens de steady state is er sprake van een regelmatige hartslag en ademhaling er is een
evenwicht tussen energieverbruik en energieaanbod
Een fitheidstest geeft een indicatie over je fitheid
Fitheidstesten worden gebruikt voor:
lichamelijke fitheid te meten
Geeft aan wat je trainingsintensiteit kan zijn of waar je met name aandacht op
moet vestigen als je gaat trainen
Wetenschappelijke aard (effecten van trainingsprogramma's)
Dienen als diagnosemiddel (lichamelijke reacties op zware inspanningen)
Conditie = hoelang en intensief iemand kan hardlopen, fietsen of roeien
Fitheid = het algemene vermogen om lichamelijke prestaties te leveren
Fitheid kun je uitsplitsten in verschillende grond motorische eigenschappen:
uithoudingsvermogen : het vermogen om een lichamelijke belasting vol te
houden (hierbij is onderscheid tussen aeroob (met zuurstof) en anaeroob (zonder
zuurstof)
Snelheid : de afstand die per tijdseenheid wordt afgelegd
Lenigheid : de mate van bewegingsuitslagen van de gewrichten (flexibiliteit)
Coördinatie : de organisatie en besturing van het motorische systeem
Kracht : het vermogen om door spierwerking een bepaalde weerstand te
overwinnen
Het belang van grond motorische eigenschappen is om te weten wat je wilt gaan
trainen (verschillende trainingen Bv. Bodybuilder en voetballer)
Betrouwbare Test moet een 4 voorwaarden voldoen:
validiteit (een geschikt meetinstrument)
De test onder de zelfde omstandigheden uit te voeren
Elke keer zelfde meetinstrument gebruiken
Testinstrument telkens op dezelfde wijzen gebruiken
Bij test of metingen spelen haalbaarheid en meetbaarheid een rol
Haalbaarheid = het doel moet reëel zijn
Meetbaarheid = het meetresultaat moet een betekenisvolle waarde opleveren voor
de beoordeling van het trainingseffect
Een vb. Van je fitheid te testen is een eurofittest
Nadat je je beginsituatie gemeten hebt, stel je een trainingsdoel op. Een wordt vaak
smart omschreven, waarbij smart staat voor:
, Specifiek : de doelstelling moet duidelijk en concreet zijn
Meetbaar : onder welke voorwaarden of vorm is net doel bereikt
Acceptabel : deze acceptabel genoeg voor alle betrokkenen
Realistisch : de doelstelling moet haalbaar zijn
Tijdgebonden : wanneer moet het doel bereikt zijn
Antropometrie betekent letterlijk meten van de mens hierbij word lichaamsgewicht
lengte vetpercentage en de BMI (body Mass index) gemeten
Door BMI kun je iemands gewicht beoordelen ten opzichten van zijn lichaamslengte
in het kwadraat
1.7
Trainingsdoel = kennis verwerven door het verzamelen van ervaringen uit de
trainingspraktijk en de bevindingen van wetenschappelijk onderzoek
De fysiologie van het menselijk lichaam = het bewegen van het menselijk lichaam en
de processen achter het menselijk bewegen
Energie = het vermogen om te arbeid te leveren
Bronnen van energie zijn : vetten eiwitten en koolhydraten
Koolhydraten, vetten en eiwitten worden in aanwezigheid van zuurstof (O2) afgebroken tot
koolstofdioxide (co2) en water (H2O) hierbij ontstaat chemische energie die wordt omgezet
in mechanische energie deze omzetting energie maakt het mogelijk om te bewegen
In de spiercellen wordt energie in vorm van adenosine-tri-fosfaat (ATP) opgeslagen
Als het ATP splitst in adenosine (ADP) en fosforzuur (P) dan komt er energie vrij
Afbraak van ATP = ATP ADP + P + energie mechanisch
De voorraad is klein van ATP en bij een maximale inspanning zo op daarom moet er nieuwe
ATP worden gevormd (resynthese)
Resynthese = het snel vormen van ATP wanneer het op is
Resynthese van ATP = ADP + P + energie ATP
3 verschillende systemen die zorgen voor aanvoer van energie voor de resynthese van ATP:
- (creatine)fosfaatsysteem
- Anaerobe systeem
- Aerobe systeem
, (creatine)fosfaatsysteem
Naast ATP ligt ook creatinefosfaat (CP) in de spieren opgeslagen
De functie van CP is de spieren de mogelijkheid geven langer gebruik te maken van een
snelle ATP-resynthese
Het fosfaatsysteem stelt het lichaam in staat om gedurende korte tijd een hoog vermogen te
leveren
Afbraak van CP = CP P (fosforzuur) + C (creatine) + chemische energie
Resynthese van ATP = energie + ADP + P ATP
Afbraak van ATP = ATP ADP + P = mechanisch energie
Creatinefosfaatpoel = een getrainde atleet legt een extra voorraad CP in de spiercellen aan
Bij dit proces is voor de aanvoer van chemische energie naar de spiercellen geen zuurstof
nodig en daardoor ontstaat er bij de verbranding geen restproduct
Het (creatine)fosfaatsysteem levert energie voor sporten zoals de 60 en 100 meter sprint
Anaerobe systeem
Dit systeem neemt de energievoorziening over van het fosfaatsysteem op het moment dat de
creatinenfosfaatpoel is uitgeput zal ongeveer na 10 tot 25 sec zijn
Anaerobe systeem levert door middel van glycolyse (suikerverbranding) energie voor de
resynthese van ATP
Koolhydraten worden omgezet in glucose tijdens de anaerobe glycolyse wordt glucose niet
helemaal afgebroken dit komt omdat er niet genoeg zuurstof aangeleverd kan worden
Door onvolledige verbranding van glucose blijft een reststof achter : melkzuur/lactaat
Melkzuur = een bijproduct van de onvolledige verbranding
Met de afbraak van 1 molecule glycogeen worden 2 moleculen ATP gevormd
Wanneer je tijdens een training boven de anaerobe drempel traint gaat je lichaam over op
anaerobe glycolyse (komt voor bij bv. Eindsprint bij wielrennen)
Anaerobe systeem levert energie voor 800 meter sprint 1500 meter schaatsen 1000 meter
roeien
Aerobe systeem
Dit systeem neemt de energievoorziening bij langdurige arbeid na ongeveer 2 tot 3 min over
van het anaerobe systeem
Het aerobe systeem heeft even tijd nodig om in een steady state te komen
Tijdens de steady state is er sprake van een regelmatige hartslag en ademhaling er is een
evenwicht tussen energieverbruik en energieaanbod