100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.2 TrustPilot
logo-home
Judgments

Verplichte arresten Burgerlijk procesrecht 2020/2021

Rating
-
Sold
2
Pages
40
Uploaded on
07-10-2020
Written in
2020/2021

Uitwerking van alle verplichte arresten voor het vak Burgerlijk Procesrecht, naar de leidraad van 2020/2021

Institution
Course















Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
October 7, 2020
Number of pages
40
Written in
2020/2021
Type
Judgments

Subjects

Content preview

Verplichte arresten Burgerlijk Procesrecht
2020/2021

Rijksuniversiteit Groningen

,Inhoud
Week 1a: Inleiding burgerlijk procesrecht..............................................................................................4
Schook / Vergeer (HR 19-12-1987, NJ 1988, 679)...............................................................................4
Eisers/Gemeente De Bildt (HR 28-03-2014, ECLI:NL:HR:2014:736)....................................................5
Week 1b: Bevoegdheid...........................................................................................................................7
Shevill/Presse Alliance (HvJ 07-03-1995, C-68/93; NJ 1996/269).......................................................7
Week 2a: Dagvaarding............................................................................................................................8
Staalbouw Vianen/Breda en EZH (HR 29-04-1994, NJ 1995/269).......................................................8
Siedsma/Reek, HR 25 april 1997, NJ 1997, 528..................................................................................9
Demerara Distillers Europe / X (HR 18-12-2009, NJ 2010, 111)........................................................10
Briefadres (HR 28-06-2019, ECLI:NL:HR:2019:1052).........................................................................10
Week 2b: Procesverloop.......................................................................................................................11
Staat / Van Galen (HR 22-10-1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC1104).........................................................11
Rechterswissel (HR 15-04-2016, ECLI:NL:HR:2016:662)...................................................................12
Week 3a: Bewijs...................................................................................................................................13
HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 813 (Ongeval St. Oedenrode)...........................................................13
Noenmaal (HR 31-03-1995, NJ 1997, 592)........................................................................................14
Parkeergarage Herengracht (HR 09-08-2002, ECLI:NL:PHR:2002:AE6324).......................................15
Van Hulst/Van Eeuwijk (HR 19-09-2003, ECLI:NL:HR:2003:AF8273).................................................16
Week 3b: Vonnis...................................................................................................................................18
De Vries / Gemeente Voorst (HR 25-04-2008, NJ 2008, 553)...........................................................18
V/W c.s. (HR 04-12-2015, ECLI:NL:HR:2015:3476)............................................................................19
Invinco/Postema (HR 24-11-2017, ECLI:NL:HR:2017:3018)..............................................................20
Week 4a: Verzoekschrift.......................................................................................................................21
Waarheidsplicht (HR 25-03-2001, ECLI:NL:HR:2011:BO9675)..........................................................21
Week 4b: Samenloop...........................................................................................................................22
Van Meegen Holding/Ontvanger (HR 13-07-2012, NJ 2012/482).....................................................22
Processueel ondeelbare rechtsverhouding (HR 10-03-2017, NJ 2018/81).......................................23
Week 5a: Arbitrage c.a.........................................................................................................................25
Kers/Rijpma (HR 22-12-2006, ECLI:NL:HR:2006:AV1706).................................................................25
Verschoningsrecht mediator (HR 10-04-2009, ECLI:NL:HR:2009:BG9470).......................................26
Greenworld/Groen c.s. (HR 04-12-2009, ECLI:NL:HR:2009:BK3078)................................................27
Week 5b: Beslagrecht...........................................................................................................................29
Ajax / Reule (HR 26-02-1999, ECLI:NL:HR:1999:ZC2861)..................................................................29
De Jong/Carnifour (HR 30 november 2001, LJN AD3953; NJ 2002, 419)..........................................29

, Ontvanger/De Jong (HR 20-02-2009, ECLI:NL:HR:2009:BG7729)......................................................30
Week 6a: Rechtsmiddelen (1)...............................................................................................................31
De Nieuwe Woning/Staat (HR 28-06-1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2117).............................................31
Wertenbroek q.q./Erven Van Vlerken (HR 19-06-2009, ECLI:NL:HR:2009:BI8771)...........................32
Shamshum/Mahuko (HR 09-10-2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ0652).....................................................32
Montis/Goossens (HR 13-12-2013, NJ 2015, 307)............................................................................33
Week 7a: Kort geding...........................................................................................................................34
M'Barek / Van der Vloodt (HR 29-03-1985, NJ 1986, 84)..................................................................34
Vredo/Veenhuis (HR 04-06-1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC0986)...........................................................34
Kloes/Fransman (HR 16-12-1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1583)...........................................................35
Procter & Gamble/Kimberley-Clark (HR 15-12-995, NJ 1996, 509)...................................................36
Week 7b: Executie en dwangsom.........................................................................................................37
Ritzen/Hoekstra (HR 22-04-1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4575)...........................................................37
Kempkes / Samson (HR 22-12-1989, NJ 1990, 434)..........................................................................38
Rabobank/Visser (HR 26-06-1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0646)..........................................................39
De Zeester (HR 20-12-2019, ECLI:NL:HR:2019:2026)........................................................................40

,Week 1a: Inleiding burgerlijk procesrecht
Schook / Vergeer (HR 19-12-1987, NJ 1988, 679)
Casus
Vergeer vordert dat voor recht wordt verklaard dat Schook’s pand niet is aan te merken als
bedrijfsruimte in de zin van art. 1624 BW. Het is immers volgens hem geen bedrijfsruimte in die zin
omdat het huurobject geen voor het publiek toegankelijk lokaal bevat voor rechtstreekse levering van
goederen of voor dienstverlening. Schook heeft dit betwist. De rechter stelde vast dat het hier ging om
een opslagruimte. Hiertoe concludeerde op basis van een “niet -officiële bezichtiging” (De rechter
fietste toevallig dagelijks langs het pand). Schook gaat in cassatie.

Rechtsvraag
Is een dergelijke plaatsopneming in overeenstemming met de normen die aan het recht mogen worden
gesteld?

Rechtsregel
De Hoge Raad oordeelde dat het aan het oordeel ten grondslag leggen van niet van algemene
bekendheid zijnde gegevens, verkregen -zoals de Rechtbank vermeldt- door een “niet-officiële
bezichtiging”, zich niet verdraagt met de wettelijke regeling van de gerechtelijke plaatsopneming,
welke de nodige waarborgen biedt voor controle en bespreekbaarheid door partijen.

,Eisers/Gemeente De Bildt (HR 28-03-2014, ECLI:NL:HR:2014:736)
Casus
Het gaat in deze onteigeningszaak onder meer om een vordering tot schadevergoeding wegens
overschrijding van de redelijke termijn voor berechting van de zaak.

Hoge Raad
Volgens vaste rechtspraak van het EHRM over artikel 6 EVRM is uitgangspunt dat het uitblijven van
een rechterlijke beslissing binnen redelijke termijn leidt tot spanning en frustratie, hetgeen een grond
vormt voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade. Dit is ook voor het nationale
recht de maatstaf en betekent dat geen stelplicht ter zake van zodanige schade rust op de partij die zich
op schending van artikel 6 EVRM beroept.

De schade die eisers hebben geleden door de lange duur van behandeling van hun zaak door de
rechtbank staat in onvoldoende verband tot de onteigening om te worden aangemerkt als
onteigeningsgevolg. Zij kunnen derhalve niet met succes van hun processuele wederpartij, de
gemeente, vergoeding van dergelijke schade eisen. Hun aanspraak dient te worden gericht tot de Staat.

In geval van overschrijding van de redelijke termijn in een civiele procedure moet een daarop gerichte
vordering tot schadevergoeding worden ingesteld in een afzonderlijke procedure uit onrechtmatige
daad tegen de Staat. Daarom bestaat voor eisers geen mogelijkheid om binnen de onderhavige
(onteigenings)procedure zodanige schadevergoeding te verkrijgen.

Voor toekenning van een vergoeding voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke
termijn voor berechting van de zaak is niet vereist dat die zaak zelf onder het bereik van artikel 6
EVRM valt. Het aan artikel 6 EVRM ten grondslag liggende rechtsbeginsel geldt immers eveneens,
ook afgezien van die bepaling, binnen de nationale rechtsorde, en noopt ertoe dat geschillen voor de
burgerlijke rechter binnen een redelijke termijn worden beslecht. Bij de beoordeling van een aanspraak
wegens overschrijding van de redelijke termijn behoeft de burgerlijke rechter dus niet te onderzoeken
of de procedure waarin de redelijke termijn is overschreden, betrekking had op rechten die vallen
binnen de reikwijdte van artikel 6 EVRM.

Nu de partijen in de zaak waarin (beweerdelijk) de redelijke termijn is overschreden in de regel reeds
griffierecht hebben betaald, kan van hen, op gelijke voet met de gevallen bedoeld in artikel 4 lid 1 en 2
Wet griffierechten burgerlijke zaken, geen griffierecht worden geheven in de hiervoor bedoelde
afzonderlijke procedure tegen de Staat, mede gelet op het feit dat het gaat om een aantasting van een
door het EVRM beschermde aanspraak waartegen op grond van artikel 13 EVRM een “effective
remedy” dient te bestaan. Voor het overige dient die procedure te verlopen volgens de in het algemeen
geldende regels. Gelet op de hierna te vermelden hoogte van de vergoeding voor overschrijding van de
redelijke termijn, kan worden aangenomen dat de vordering in vrijwel alle gevallen het bedrag
genoemd in artikel 93, aanhef en onder a Rv niet zal overschrijden. In die gevallen dient de vordering
door de kantonrechter te worden behandeld en is ingevolge artikel 79 lid 1 Rv rechtsbijstand niet
verplicht.

Voor de hoogte van de toe te kennen vergoedingen voor immateriële schade kan aansluiting worden
gezocht bij de vergoedingen die de bestuursrechters plegen toe te kennen (€ 500,- per half jaar
overschrijding van de redelijke termijn, naar boven afgerond). In gevallen van geringe overschrijding
kan echter worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn voor berechting is
overschreden.

Bij de beoordeling van geschillen over overschrijding van de redelijke termijn kan de jurisprudentie
van het EHRM over artikel 6 EVRM tot richtsnoer dienen. Het EHRM oordeelt naar aanleiding van de
omstandigheden van het concrete geval, hetgeen betekent dat mede rekening wordt gehouden met de
aard, de ingewikkeldheid en het belang van de zaak en met het (procedeer)gedrag van partijen. Gelet
wordt op de totale duur van berechting, maar ook onaanvaardbaar lange perioden van tussentijdse

,inactiviteit kunnen overschrijding van de redelijke termijn meebrengen. Kwesties die verband houden
met de organisatie van de rechterlijke macht (zoals achterstanden bij het desbetreffende gerecht of
ziekte van behandelende rechters) staan niet aan aansprakelijkheid in de weg. Deze en andere door het
EHRM gegeven uitgangspunten zijn ook voor de nationale beoordeling richtsnoer. Procedures voor de
Nederlandse burgerlijke rechter lopen zodanig uiteen in aard, ingewikkeldheid en procesvoering, dat
de zaaksgerichte benadering van het EHRM niet kan worden geconcretiseerd in algemene
richttermijnen voor een redelijke duur van die procedures.

Van een partij die een beroep doet op overschrijding van de redelijke termijn mag worden verwacht
dat zij voldoende inzicht heeft in de aard, de ingewikkeldheid en het procesverloop van de
desbetreffende zaak om haar eis naar behoren te onderbouwen met feiten en omstandigheden. Er is
dan ook geen aanleiding voor een afwijking van de in het algemeen geldende regels van stelplicht en
bewijslast. Wel kan een zeer lange feitelijke duur van de procedure aanleiding vormen om
overschrijding van de redelijke termijn voorshands bewezen te achten, behoudens door de Staat te
leveren tegenbewijs.

Omdat bij de beoordeling van een vordering wegens overschrijding van de redelijke termijn de duur
van de gehele procedure mede van belang is, kan pas over een vordering wegens een zodanige
overschrijding worden geoordeeld wanneer die duur van de gehele procedure kan worden vastgesteld.
Dit betekent dat de behandelende rechter in voorkomend geval de beoordeling van een vordering
wegens overschrijding van de redelijke termijn zal moeten aanhouden totdat de einduitspraak in het
oorspronkelijke geschil in kracht van gewijsde is gegaan of die zaak is geroyeerd.

De Hoge Raad vernietigt het vonnis van de rechtbank en verwijst het geding ter verdere behandeling
en beslissing.

,Week 1b: Bevoegdheid
Shevill/Presse Alliance (HvJ 07-03-1995, C-68/93; NJ 1996/269)
HvJ
In geval van belediging door middel van een in verschillende verdragsluitende staten verspreid artikel
in de pers, moet de zinsnede ‘plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan’ aldus
worden uitgelegd dat de gelaedeerde tegen de uitgever een rechtsvordering tot schadevergoeding kan
instellen voor (i) de gerechten van de verdragsluitende staat van de plaats van vestiging van de
uitgever van de beledigende publicatie of (ii) de gerechten van elke verdragsluitende staat waar de
publicatie is verspreid en waar de gelaedeerde stelt in zijn goede naam te zijn aangetast.

De onder (i) genoemde gerechten zijn bevoegd de vordering betreffende de volledige schade als
gevolg van de belediging toe te wijzen, de onder (ii) genoemde zijn enkel bevoegd kennis te nemen
van de geschillen betreffende de in de staat van het aangezochte gerecht veroorzaakte schade.

De voorwaarden op basis waarvan moet worden beoordeeld of het betrokken feit als een
schadebrengend feit is aan te merken en de voorwaarden voor het bewijs van het bestaan en de
omvang van de schade die door het slachtoffer van de belediging wordt gesteld, worden niet door de
Brussel I Vo. geregeld, maar worden beheerst door het materiële recht dat door de conflictenregels van
het nationale recht van de aangezochte rechter wordt aangewezen, mits deze toepassing geen afbreuk
doet aan het nuttig effect van de Brussel I Vo.

, Week 2a: Dagvaarding
Staalbouw Vianen/Breda en EZH (HR 29-04-1994, NJ 1995/269)
Essentie
Art. 93 Rv wordt door de Hoge Raad zo uitgelegd dat het aantal gevallen waarin de rechter bij
uitzondering de nietigheid van de dagvaarding moet uitspreken zo beperkt mogelijk wordt gehouden
(HR 9 juni 1989, NJ 1990, 106 en 107; vgl. ook HR 3 juli 1989, NJ 1990, 76).

Een binnen de appeltermijn aan de eigen procureur in de vorige instantie van de appellant uitgebracht
exploit heeft te gelden als een exploit dat is uitgebracht. Dit exploit moet worden aangemerkt als
(appel)dagvaarding die in de zin van art. 92 Rv leed aan een gebrek dat weliswaar nietigheid
meebracht, maar kon bij een overeenkomstig deze bepaling uitgebracht exploit worden hersteld. Aan
de werking van een herstelexploit doet niet af dat het wordt uitgebracht na het verstrijken van de
appeltermijn: nodig, maar ook voldoende is dat het wordt uitgebracht vóór de dienende dag (HR 25
oktober 1985, NJ 1986, 473). Voor wat betreft de heelbaarheid van gebreken valt niet te
onderscheiden tussen de dagvaarding als oproeping en de dagvaarding als aanzegging van het instellen
van een rechtsmiddel.

Art. 94 Rv beoogt alle geschillen nopens de vraag of de verschenen gedaagde rechtsgeldig in het
geding is geroepen in beginsel terug te brengen tot de vraag of hij in zijn verdediging is benadeeld.
Van ‘benadeling in zijn verdediging’ in de zin van art. 94 Rv is slechts sprake indien het gebrek in de
dagvaarding van dien aard is dat de gedagvaarde dientengevolge wordt bemoeilijkt in het verweer dat
hij in het geding wil voeren (HR 28 april 1916, NJ 1916, 734), terwijl het enkele feit dat een
geïntimeerde niet reeds binnen, maar eerst kort na de appeltermijn heeft vernomen dat de
oorspronkelijke gedaagde tegen het vonnis in eerste aanleg in hoger beroep komt, hem in de regel bij
het voeren van verweer tegen de aan te voeren grieven niet bemoeilijkt.

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
hetgestolenkind Rijksuniversiteit Groningen
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
710
Member since
8 year
Number of followers
506
Documents
8
Last sold
3 weeks ago
Rechten Rijksuniversiteit Groningen

4.0

90 reviews

5
22
4
52
3
15
2
0
1
1

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions