NEDERLANDS 2
1 TAALVERWERVING BIJ TWEE- EN MEERTALIGE KLEUTERS
BELANG VAN KENNIS OVER MEERTALIGHEID:
Door de toenemende diversiteit en kinderarmoede in Vlaanderen is de kans groot dat je elk
schooljaar kleuters in je klas hebt die meertalig zijn en/of weinig Nederlands kennen bij de
start. Daarom is het belangrijk dat je, in welke school je ook lesgeeft, weet hoe je taalzwakke
kleuters zo optimaal mogelijk kunt ondersteunen, en hun taalontwikkeling kan stimuleren.
DEFINITIE: MEERTALIGHEID
Als je de competentie hebt om meer dan één taal te begrijpen en te produceren (dat kan op
verschillende niveaus, dus niet alle talen hoeven even sterk verwerven te zijn), of als zij van
meerdere talen regelmatig gebruikmaken.
IEDEREEN IS MEERTALIG
Elk individu ontwikkelt gedurende zijn of haar leven een persoonlijk taalrepertoire. Het gaat
immers niet strikt om verschillende talen, maar ook om dialecten, tussentaal, chattaal,
lichaamstaal, gebarentaal,… .
TWEE SOORTEN TAALVERWERVINGSPROCESSEN
SIMULTANE TAALVERWERVING SUCCESSIEVE TAALVERWERVING
KE NMER KE - Vanaf de geboorte twee talen - Vanaf de geboorte één thuistaal, pas later
N tegelijk contact met de tweede taal
- Komen systematisch met deze - Anderstalige nieuwkomers
talen in contact - Kinderen slaan stappen over: ze bouwen
- Voor elke taal een apart verder op gemeenschappelijke kenmerken
taalsysteem van taal. Er gebeurt dus een transfer.
- Volgt in grote lijnen de fases die
kinderen doorlopen bij het
verwerven van hun moedertaal
FASES 0 tot 1 jaar: Vroegtalige fase 1ste taalcontact: Gebruik van de moedertaal
Brabbelen, De moedertaal in een
Eenvoudige anderstalige
woorden en context zetten
zinnen begrijpen
Eerste 2 maanden – 1 jaar: Stille periode
1 tot 2,5 jaar: Voortalige fase
Actief kijken en luisteren,
Losse
kennis opbouwen
woorden en vaste
Na 2 maanden – 1 jaar: Telegramstijl
uitdrukkingen, Begrip neemt Losse woorden, en vaste
toe uitdrukkingen
2,5 tot 5 jaar:
Na 2 jaar: Alledaagse taalvaardigheid
Voltooiingsfase
Woordenschat neemt toe
Korte
langere zinnen
woorden samenvoegen
Na 5 jaar: Schoolse taalvaardigheid
5 jaar en ouder:
, Differentiatiefase Communicatie op
Langere abstracter,
zinnen schoolniveau
BELANG VAN MOEDERTAAL -> IJSBERGMODEL (JIM CUMMINS):
Tweetalige kinderen zullen soms iets meer moeite hebben om op een woord te komen,
omdat ze twee taalsystemen in hun hoofd hebben. Deze twee systemen zijn niet van elkaar
gescheiden, ze overlappen gedeeltelijk.
VERSCHILLENDE BERGEN
De twee ijsbergen op de afbeelding verbeelden de talen waarmee tweetalige kinderen
opgroeien. Dit kunnen ook drie of meerdere ijsbergen zijn, afhankelijk van het aantal
talen waarmee men opgroeit
HOGE EN LAGE TOPPEN
Nier alle toppen zijn automatisch even hoog of groot, zij blijven in het leven van de
taalgebruiker ook niet altijd even groot. Dit is afhankelijk van leren en gebruik.
CENTRAAL ONDERLIGGEND KENNISRESERVOIR
De input van alle talen komt terecht in één gemeenschappelijk kennisreservoir.
Bij het leren van een tweede taal bouwt een kind dus verder op de kennis die het al
heeft opgedaan in de eerste taal. Daarom is het belangrijk dat ouders met hun
kinderen de taal spreken die ze zelf het beste beheersen.
Dit kennisreservoir ondersteunt ook complexe cognitieve vaardigheden, zoals abstract
denken en leren, ongeacht in welke taal die plaatsvinden. Door de moedertaal toe te
laten in de klas, bijvoorbeeld om iets uit te leggen, kunnen kinderen hun bestaande
kennis activeren en beter leren. Zo wordt hun volledige taalkennis benut om het
centrale kennisreservoir te verrijken.
TAALVERWERVING SNELLER OF TRAGER (5)
1. Individuele kenmerken
- Leeftijd: jongere kinderen leren vlotter.
- Karakter: sociale kinderen verwerven sneller taal dan verlegen kinderen.
- Taalaanleg en cognitieve capaciteiten spelen ook een rol.
1 TAALVERWERVING BIJ TWEE- EN MEERTALIGE KLEUTERS
BELANG VAN KENNIS OVER MEERTALIGHEID:
Door de toenemende diversiteit en kinderarmoede in Vlaanderen is de kans groot dat je elk
schooljaar kleuters in je klas hebt die meertalig zijn en/of weinig Nederlands kennen bij de
start. Daarom is het belangrijk dat je, in welke school je ook lesgeeft, weet hoe je taalzwakke
kleuters zo optimaal mogelijk kunt ondersteunen, en hun taalontwikkeling kan stimuleren.
DEFINITIE: MEERTALIGHEID
Als je de competentie hebt om meer dan één taal te begrijpen en te produceren (dat kan op
verschillende niveaus, dus niet alle talen hoeven even sterk verwerven te zijn), of als zij van
meerdere talen regelmatig gebruikmaken.
IEDEREEN IS MEERTALIG
Elk individu ontwikkelt gedurende zijn of haar leven een persoonlijk taalrepertoire. Het gaat
immers niet strikt om verschillende talen, maar ook om dialecten, tussentaal, chattaal,
lichaamstaal, gebarentaal,… .
TWEE SOORTEN TAALVERWERVINGSPROCESSEN
SIMULTANE TAALVERWERVING SUCCESSIEVE TAALVERWERVING
KE NMER KE - Vanaf de geboorte twee talen - Vanaf de geboorte één thuistaal, pas later
N tegelijk contact met de tweede taal
- Komen systematisch met deze - Anderstalige nieuwkomers
talen in contact - Kinderen slaan stappen over: ze bouwen
- Voor elke taal een apart verder op gemeenschappelijke kenmerken
taalsysteem van taal. Er gebeurt dus een transfer.
- Volgt in grote lijnen de fases die
kinderen doorlopen bij het
verwerven van hun moedertaal
FASES 0 tot 1 jaar: Vroegtalige fase 1ste taalcontact: Gebruik van de moedertaal
Brabbelen, De moedertaal in een
Eenvoudige anderstalige
woorden en context zetten
zinnen begrijpen
Eerste 2 maanden – 1 jaar: Stille periode
1 tot 2,5 jaar: Voortalige fase
Actief kijken en luisteren,
Losse
kennis opbouwen
woorden en vaste
Na 2 maanden – 1 jaar: Telegramstijl
uitdrukkingen, Begrip neemt Losse woorden, en vaste
toe uitdrukkingen
2,5 tot 5 jaar:
Na 2 jaar: Alledaagse taalvaardigheid
Voltooiingsfase
Woordenschat neemt toe
Korte
langere zinnen
woorden samenvoegen
Na 5 jaar: Schoolse taalvaardigheid
5 jaar en ouder:
, Differentiatiefase Communicatie op
Langere abstracter,
zinnen schoolniveau
BELANG VAN MOEDERTAAL -> IJSBERGMODEL (JIM CUMMINS):
Tweetalige kinderen zullen soms iets meer moeite hebben om op een woord te komen,
omdat ze twee taalsystemen in hun hoofd hebben. Deze twee systemen zijn niet van elkaar
gescheiden, ze overlappen gedeeltelijk.
VERSCHILLENDE BERGEN
De twee ijsbergen op de afbeelding verbeelden de talen waarmee tweetalige kinderen
opgroeien. Dit kunnen ook drie of meerdere ijsbergen zijn, afhankelijk van het aantal
talen waarmee men opgroeit
HOGE EN LAGE TOPPEN
Nier alle toppen zijn automatisch even hoog of groot, zij blijven in het leven van de
taalgebruiker ook niet altijd even groot. Dit is afhankelijk van leren en gebruik.
CENTRAAL ONDERLIGGEND KENNISRESERVOIR
De input van alle talen komt terecht in één gemeenschappelijk kennisreservoir.
Bij het leren van een tweede taal bouwt een kind dus verder op de kennis die het al
heeft opgedaan in de eerste taal. Daarom is het belangrijk dat ouders met hun
kinderen de taal spreken die ze zelf het beste beheersen.
Dit kennisreservoir ondersteunt ook complexe cognitieve vaardigheden, zoals abstract
denken en leren, ongeacht in welke taal die plaatsvinden. Door de moedertaal toe te
laten in de klas, bijvoorbeeld om iets uit te leggen, kunnen kinderen hun bestaande
kennis activeren en beter leren. Zo wordt hun volledige taalkennis benut om het
centrale kennisreservoir te verrijken.
TAALVERWERVING SNELLER OF TRAGER (5)
1. Individuele kenmerken
- Leeftijd: jongere kinderen leren vlotter.
- Karakter: sociale kinderen verwerven sneller taal dan verlegen kinderen.
- Taalaanleg en cognitieve capaciteiten spelen ook een rol.