VWO 4
Paragraaf 1 - De geestelijken
Clovis:
Tijdens de val van het Romeinse Rijk trokken Germaanse volken het
rijk binnen, later trokken sommige stammen weer terug, maar
enkele stammen, waaronder de Franken die bleven.
In 481 werd Clovis een koning van een van de Frankische stammen
rond Parijs. Veel andere stammen werden verslagen of sloten bij
Clovis aan na vele veldslagen.
In 511 ging Clovis dood, zijn rijk omvatte het merendeel van
Frankrijk van nu. Hij keerde tot het Christendom tijdens zijn leven en
zorgde er voor dat velen in zijn rijk ook christelijk werden (dit was
zonder dwang).
De rijk van Clovis werd onder leiding van Karel de Grote tot z’n
grootst gekomen. Hij overwon tegen de Saksen en forceerden hun
om het christendom aan te nemen (met doodstraf).
Het christendom was gezien als een factor die eenheid en rust onder het
volk kon brengen, dus enkele Frankische monniken trokken naar het
zuiden van de Nederlanden om de ‘heidenen’ te bekeren, dat deden ze op
2 manieren:
1. Ze stichtte kloosters en trokken nieuwe monniken aan. De klooster werd
hun centrum van bekeringswerk.
2. Ze probeerden de regionale machthebbers te bereken, zodat de mensen
volgden.
Dit werk werd niet alleen gedaan door Frankische monniken, maar ook uit
Ierland, Schotland en Engeland kwamen veel monniken naar Europe.
De 2 bekendste in NL warem Willibrord en Bonifatius.
Doordat het christendom zo groot werd in West-Europa, besloten vele
Slavische vorsten het christendom ook in te voeren (8-10e eeuw). Verder
de Balkans en Russiers werden tot het christendom gebracht vanuit het
Byzantijnse rijk (Oost-Romeinse rijk).
2 soorten geestelijken:
seculiere geestelijken: De paus, bisschoppen en priesters
De paus was van deze 3 de machstigste en hield toezicht over alle
kloosters, kon wetten maken etc. Verder kon hij concilies (kerkvergadering
van alle bisschoppen) bijeenroepen.
In saeculo: woonden met de mensen
, reguliere geestelijken: Monniken en nonnen.
Woomden niet samen met mensen, in kloosters. Kozen voor klooster om
niet verleid te worden door de wereld, verder konden ze het christendom
verspreiden, verbeteren van landbouw, zieken verzorgen, les geven, etc.
Geestelijken:
- Geestelijken hebben en geven de meeste informatie, ze waren de enigste
die konden lezen en schrijven.
- Geestelijke leiders werden op veel gebieden als leidsman aanvaard, ze
hielpen met opstellen van wetten.
- De paus kon koningen en keizers in de ban doen, de Kerk was het
grootst.
“geexcommuniceerd” = ban -> dezen gaan naar hel als de paus iemand
geexcommuniceerd.
- Geestelijken hadden veel invloed op literatuur kunst en wetenschap.
Paragraaf 2 – De boeren
Tijdens het Romeinse rijk was er een argarischurbane cultuur: de
bevolking woonde op het platteland en ook in steden, ze leefden vooral
van landbouw (platte land) en nijverheid (steden).
Vroege Middeleeuwen: West-Europa veranderd in een argrarische cultuur
(platteland en leven op landbouw).
Germaanse machthebbers bezitten grote gebieden voor het platte land.
Hof/domeinstelsel, kenmerken:
1. De kern van een domeinstelsel werd gevormd door de versterkte
boederij, het kasteel/klooster en de bijbehorende landerijen van de
grootgrondbezitter, en daaromheen woonden horige boeren die grond in
pacht hadden.
2. Op de domeinen zorgden de mensen voor bijna alles wat ze nodig
hadden.
3. De meeste mensen (90%) in die tijd woonden op een domein (het land
wat de heer/grootgrondbezitter bezit).
4. De mensen die op een domein woonden waren horigen, die mensen
mochten niet verhuizen en ook niet trouwen met iemand van buiten het
domein. Dit was erfelijk, dus je werd vaak als horige geboren.
5. De horigen moesten als pacht een deel van wat hun boederij had
voorgebracht aan de heer geven.
6. Ook moesten ze herendiensten verrichten, het belangrijkste dienst was
het bewerken van de landerijen van de heer.
Paragraaf 3 – De edelen