GBO
H0: inleiding
Dit vak = 2 delen: bijzondere contracten (uitbreiding verbintenissenrecht) –
goederen
Goederen en Bijzondere overeenkomsten recht kunnen soms overlappen
(komen door elkaar aan bod in de cursus)
verschil tussen eigendom (= rechthebbende) en bezit (=degene die het goed in
handen heeft)
Goederenrechtboek 3 BW
PRboek 3 oud BW
ZR boek 3 oud BWbù
DEEL 1: algemene begrippen vh
vermogensrecht
H1: vermogensrechten: persoonlijke of zakelijke rechten
1. Soorten vermogensrechten: Persoonlijke vs zakelijke rechten
Persoonlijke rechten= rechten die voortkomen uit een contract (spelen
zich af tussen de partijen en worden gecreerd door de partijen) (oud BW)
Onbeperkte hoeveelheidpartijen kunnen zelf kiezen en maken
- Geeft iemand aanspraak op een bep gedraging v iem anders (niet op een
goed)
- Rechtsverhouding tussen rechtssubjecten
- Betrekking op diensten verleend door schuldenaar
Zakelijke rechten= dit wordt bestudeerd door het goederenrecht (boek 3
BW)
Beperkte hoeveelheid: Enkel de overheid kan bepalen welke zakelijke
rechten er zijn, deze kunnen niet door de partijen worden uitgevonden.
Hebben ook betrekking op een zaak, niet steeds persoon
- Verlenen de rechtstreekse heerschappij over een goed
1
, - Rechtsverhouding tussen rechssubj en rechtsobj
- Betrekking op goederen
- Onderscheid werd in 1804 absoluut, verzet tegen Ancien regime waarbij
het feodaal stelsel was gebouwd op een verstrengeling tussen beide
vandaag de dag groeien de 2 toch terug meer naar elkaar toe
belangrijk onderscheid tussen deze 2
- ZR heeft bijzondere kenmerken:
ZR heeft volgrecht: Het recht op de zaak volgt steeds de zaak, zelfs
indien de zaak bvb van eigenaar verandert. (Zie vb vruchtgebruik)
PR: heeft geen volgrecht
- Verjaring:
PR: bij contracten PR heeft verjaring een bevrijdend effect (10 j (2262
bis oud BW))
Persoonlijke vorderingen= 10 j (2262 bis oud BW)
ZR is er niet enkel een bevrijdende verjaring maar ook een
verkrijgende verjaring:
->verkrijgende verjaring= een zakelijkrecht dat je niet echt had, maar
je hebt je wel kunnen gedragen alsof je had, dus je vraagt een soort
bevestiging van dat ZR dat je oorspronkelijk niet had
Zakelijke vorderingen= 30 j ((2262 oud BW))
- procedurele verschillen
territoriale bh van rechtbanken
- publiciteitsregime:
ZR hebben absolute gelding (erga omnes)->ZR heeft algemene
rijkwijdte
(bvb registreren in hypotheekregister waarvan we verwachten dat
iedereen hier kennis in heeft)
Zijn tegenwerpelijk aan 3de door het lauter vervullen van
publiciteitsmaatregelen
2
, PR : relatieve gelding (inter partes)->contracten hebben maar een
beperkte omvang tussen contractanten
koopcontract tussen 2 partijen over onroerendgoed (PR=relativiteit)
->verkoop van A naar B (eigendomverschuiving naar B)
maar dit moet ter kennis worden gegeven aan de buitenwereld
(authentieke akte) en dus in de registers genoteerd worden (vanaf dan
wordt er vanuit gegaan dat iedereen de overdracht weet)algemene
gelding
(indien het nog niet in de registers werd opgenomen maar iemand had
feitelijk toch kennis van de overdracht, dan moet deze persoon hier
toch mee rekening houden)
- insolventie/ samenloop
=iemand die zijn schuld niet kan terugbetalen en dus failliet is
(vermogen van een ondernemer dat niet genoeg is om de schuld terug
te geven)
faillissement kan door de onderneming zelf of door de SE gevraagd
worden faillissementsboedel wordt opgemaakt: vermogen en
schulden. Curator zal rangregeling maken.
SE met ZR of Zakelijk zekerheidsrecht (bvb voorrechten voor
roerende g en hypotheken voor onroerende g)-> ZR en ZZR blijven
buiten de boedel
voorbeeld: Ondernemer (SA) is insolvabel, het vermogen is 200
en zit in onroerend goedactief=200
meerdere contractuele SE: SE1->tegoed 200, SE2= 100, SE3=
100passief= 400
INSOLVABEL! Vermogen is maar de helft van de schuld.
Failliet!
o boedelvorming:
a) SE heeft geen ZR/ ZZR = evenredige verdeling/
pondsponds gewijs=
3
, 200 actief verdelen, SE1= 100, SE2= 50, SE3=
50verliezen allemaal iets
Alle SE hebben dezelfde positie, geen van hen heeft ZR
of ZZR=>allemaal eenvoudige SE
b) SE heeft wel ZR (SE buiten de boedel):
Revendicatie= door eigendomsrecht uw uitgeleend eigendom
terug willen
geen voorrang enkel recht op teruggave
Vriend (SE) heeft auto geleend aan de ondernemer (SA)->SE
kan zich steunen op zn eigendomsrecht
hierdoor blijft hij buiten de boedel en krijgt hij de auto terug
de auto wordt niet evenredig verdeeld onder de SE in de
boedel
c) SE heeft zakelijk zekerheidsrecht (SE buiten de
boedel):
voorrangspositie
Bank (SE) heeft een hypotheek op een onroerendgoed (bank
had lening gegeven zodat de onderneming een magazijn kon
kopen, lening afgelegd met ZZR (hypotheek))
bank heeft een tegoed van 200, heel het actief (het pand-
>200) van de SA gaat naar de bank, de gewone SE in de
boedel krijgen niets
de bank heeft een groot voordeel
SE met ZR of ZZ hebben een versterkte positie, ze
kunnen hun eigendom terug vragen of de schuld
gaat eerst naar hen
2. Klassieke leer: scherp onderscheid
ZR= band tussen Rechtssubj en rechtsobj
PR= band tussen rechtssubjecten
4
H0: inleiding
Dit vak = 2 delen: bijzondere contracten (uitbreiding verbintenissenrecht) –
goederen
Goederen en Bijzondere overeenkomsten recht kunnen soms overlappen
(komen door elkaar aan bod in de cursus)
verschil tussen eigendom (= rechthebbende) en bezit (=degene die het goed in
handen heeft)
Goederenrechtboek 3 BW
PRboek 3 oud BW
ZR boek 3 oud BWbù
DEEL 1: algemene begrippen vh
vermogensrecht
H1: vermogensrechten: persoonlijke of zakelijke rechten
1. Soorten vermogensrechten: Persoonlijke vs zakelijke rechten
Persoonlijke rechten= rechten die voortkomen uit een contract (spelen
zich af tussen de partijen en worden gecreerd door de partijen) (oud BW)
Onbeperkte hoeveelheidpartijen kunnen zelf kiezen en maken
- Geeft iemand aanspraak op een bep gedraging v iem anders (niet op een
goed)
- Rechtsverhouding tussen rechtssubjecten
- Betrekking op diensten verleend door schuldenaar
Zakelijke rechten= dit wordt bestudeerd door het goederenrecht (boek 3
BW)
Beperkte hoeveelheid: Enkel de overheid kan bepalen welke zakelijke
rechten er zijn, deze kunnen niet door de partijen worden uitgevonden.
Hebben ook betrekking op een zaak, niet steeds persoon
- Verlenen de rechtstreekse heerschappij over een goed
1
, - Rechtsverhouding tussen rechssubj en rechtsobj
- Betrekking op goederen
- Onderscheid werd in 1804 absoluut, verzet tegen Ancien regime waarbij
het feodaal stelsel was gebouwd op een verstrengeling tussen beide
vandaag de dag groeien de 2 toch terug meer naar elkaar toe
belangrijk onderscheid tussen deze 2
- ZR heeft bijzondere kenmerken:
ZR heeft volgrecht: Het recht op de zaak volgt steeds de zaak, zelfs
indien de zaak bvb van eigenaar verandert. (Zie vb vruchtgebruik)
PR: heeft geen volgrecht
- Verjaring:
PR: bij contracten PR heeft verjaring een bevrijdend effect (10 j (2262
bis oud BW))
Persoonlijke vorderingen= 10 j (2262 bis oud BW)
ZR is er niet enkel een bevrijdende verjaring maar ook een
verkrijgende verjaring:
->verkrijgende verjaring= een zakelijkrecht dat je niet echt had, maar
je hebt je wel kunnen gedragen alsof je had, dus je vraagt een soort
bevestiging van dat ZR dat je oorspronkelijk niet had
Zakelijke vorderingen= 30 j ((2262 oud BW))
- procedurele verschillen
territoriale bh van rechtbanken
- publiciteitsregime:
ZR hebben absolute gelding (erga omnes)->ZR heeft algemene
rijkwijdte
(bvb registreren in hypotheekregister waarvan we verwachten dat
iedereen hier kennis in heeft)
Zijn tegenwerpelijk aan 3de door het lauter vervullen van
publiciteitsmaatregelen
2
, PR : relatieve gelding (inter partes)->contracten hebben maar een
beperkte omvang tussen contractanten
koopcontract tussen 2 partijen over onroerendgoed (PR=relativiteit)
->verkoop van A naar B (eigendomverschuiving naar B)
maar dit moet ter kennis worden gegeven aan de buitenwereld
(authentieke akte) en dus in de registers genoteerd worden (vanaf dan
wordt er vanuit gegaan dat iedereen de overdracht weet)algemene
gelding
(indien het nog niet in de registers werd opgenomen maar iemand had
feitelijk toch kennis van de overdracht, dan moet deze persoon hier
toch mee rekening houden)
- insolventie/ samenloop
=iemand die zijn schuld niet kan terugbetalen en dus failliet is
(vermogen van een ondernemer dat niet genoeg is om de schuld terug
te geven)
faillissement kan door de onderneming zelf of door de SE gevraagd
worden faillissementsboedel wordt opgemaakt: vermogen en
schulden. Curator zal rangregeling maken.
SE met ZR of Zakelijk zekerheidsrecht (bvb voorrechten voor
roerende g en hypotheken voor onroerende g)-> ZR en ZZR blijven
buiten de boedel
voorbeeld: Ondernemer (SA) is insolvabel, het vermogen is 200
en zit in onroerend goedactief=200
meerdere contractuele SE: SE1->tegoed 200, SE2= 100, SE3=
100passief= 400
INSOLVABEL! Vermogen is maar de helft van de schuld.
Failliet!
o boedelvorming:
a) SE heeft geen ZR/ ZZR = evenredige verdeling/
pondsponds gewijs=
3
, 200 actief verdelen, SE1= 100, SE2= 50, SE3=
50verliezen allemaal iets
Alle SE hebben dezelfde positie, geen van hen heeft ZR
of ZZR=>allemaal eenvoudige SE
b) SE heeft wel ZR (SE buiten de boedel):
Revendicatie= door eigendomsrecht uw uitgeleend eigendom
terug willen
geen voorrang enkel recht op teruggave
Vriend (SE) heeft auto geleend aan de ondernemer (SA)->SE
kan zich steunen op zn eigendomsrecht
hierdoor blijft hij buiten de boedel en krijgt hij de auto terug
de auto wordt niet evenredig verdeeld onder de SE in de
boedel
c) SE heeft zakelijk zekerheidsrecht (SE buiten de
boedel):
voorrangspositie
Bank (SE) heeft een hypotheek op een onroerendgoed (bank
had lening gegeven zodat de onderneming een magazijn kon
kopen, lening afgelegd met ZZR (hypotheek))
bank heeft een tegoed van 200, heel het actief (het pand-
>200) van de SA gaat naar de bank, de gewone SE in de
boedel krijgen niets
de bank heeft een groot voordeel
SE met ZR of ZZ hebben een versterkte positie, ze
kunnen hun eigendom terug vragen of de schuld
gaat eerst naar hen
2. Klassieke leer: scherp onderscheid
ZR= band tussen Rechtssubj en rechtsobj
PR= band tussen rechtssubjecten
4