Hoofdstuk 5. Politieke stromingen
1. Breuklijnen en politieke stromingen
Unionisme (1830):
Samenwerking tussen Kerk (katholieken) en liberale burgerij om de
onafhankelijkheid van België te verwezenlijken.
Na 1830 – conflicten tussen katholieken en vrijzinnige liberalen:
- Centraal thema: vrijheid van onderwijs.
- Schoolstrijd:
o Eerste: 1870–1871
o Tweede: 1954–1958
- Schoolpact (1958): compromis dat de schoolvrede herstelde
tussen katholieke en neutrale scholen.
Gevolg:
- Religie bleef invloedrijk in de politiek.
- Ontstaan van liberale tegenover katholieke partijen.
Na 1970: langzame ontzuiling
- Traditionele scheiding tussen katholieke, liberale en socialistische
zuilen neemt af.
- Toch blijvende spanningen rond ethische thema’s zoals
euthanasie en abortus.
- Nieuwkomers brengen vaak (andere) religieuze overtuigingen
mee, die ook ethisch conservatief kunnen zijn en het debat verder
beïnvloeden.
Industriële revolutie:
leidde tot uitbuiting en sociale ellende bij arbeiders.
, Reactie:
- Socialistische organisaties verenigden zich in de Belgische
Werkliedenpartij (BWP).
- Kerk reageerde eerst defensief en krampachtig, maar kwam later
met een alternatief:
o Rerum Novarum (1891) → basis voor de Christelijke
Arbeidersbeweging.
Na WO I:
Invoering van algemeen stemrecht → doorbraak van de BWP.
Opbouw van de welvaart
Temmen van conflict in het sociaal overleg tussen werkgevers en
werknemers
Maar:
Sociaal overleg loopt steeds moeizamer: minder compromis
Mondialisering beperkt de macht van de vakbonden
EN de macht van de overheid in het kleine België
1830: Frans is de bestuurstaal in België.
Vlaams protest en eisen: meer taal- en cultuurrechten.
o Aanvankelijk schuchtere eisen (taal in gerecht en
administratie).
o Weinig resultaten in de 19e eeuw.
Groeien van de Vlaamse Beweging:
o Doorbraak tijdens Frontbeweging in WO I.
o Eerste partijvorming: Frontpartij na WO I.
o Vlaams Nationaal Verbond (VNV) na de crisis in de jaren 1930.
Vlaamse en Waalse partijvorming na WO II:
- Vlaanderen:
o VNV en andere Vlaams-nationalistische partijen waren
geassocieerd met collaboratie → repressie na WO II.
o Moeizame opbouw van de Volksunie (1958).
- Wallonië:
o Na 1960: industrieverval en weinig steun voor een
“Belgische” oplossing.
o Eis voor economische autonomie → Waalse beweging
groeit.
- Rond 1970:
o Hoogtepunt van sterke communautaire partijen in
Vlaanderen en Wallonië.
o Splitsing van de unitaire klassieke partijen.
1. Breuklijnen en politieke stromingen
Unionisme (1830):
Samenwerking tussen Kerk (katholieken) en liberale burgerij om de
onafhankelijkheid van België te verwezenlijken.
Na 1830 – conflicten tussen katholieken en vrijzinnige liberalen:
- Centraal thema: vrijheid van onderwijs.
- Schoolstrijd:
o Eerste: 1870–1871
o Tweede: 1954–1958
- Schoolpact (1958): compromis dat de schoolvrede herstelde
tussen katholieke en neutrale scholen.
Gevolg:
- Religie bleef invloedrijk in de politiek.
- Ontstaan van liberale tegenover katholieke partijen.
Na 1970: langzame ontzuiling
- Traditionele scheiding tussen katholieke, liberale en socialistische
zuilen neemt af.
- Toch blijvende spanningen rond ethische thema’s zoals
euthanasie en abortus.
- Nieuwkomers brengen vaak (andere) religieuze overtuigingen
mee, die ook ethisch conservatief kunnen zijn en het debat verder
beïnvloeden.
Industriële revolutie:
leidde tot uitbuiting en sociale ellende bij arbeiders.
, Reactie:
- Socialistische organisaties verenigden zich in de Belgische
Werkliedenpartij (BWP).
- Kerk reageerde eerst defensief en krampachtig, maar kwam later
met een alternatief:
o Rerum Novarum (1891) → basis voor de Christelijke
Arbeidersbeweging.
Na WO I:
Invoering van algemeen stemrecht → doorbraak van de BWP.
Opbouw van de welvaart
Temmen van conflict in het sociaal overleg tussen werkgevers en
werknemers
Maar:
Sociaal overleg loopt steeds moeizamer: minder compromis
Mondialisering beperkt de macht van de vakbonden
EN de macht van de overheid in het kleine België
1830: Frans is de bestuurstaal in België.
Vlaams protest en eisen: meer taal- en cultuurrechten.
o Aanvankelijk schuchtere eisen (taal in gerecht en
administratie).
o Weinig resultaten in de 19e eeuw.
Groeien van de Vlaamse Beweging:
o Doorbraak tijdens Frontbeweging in WO I.
o Eerste partijvorming: Frontpartij na WO I.
o Vlaams Nationaal Verbond (VNV) na de crisis in de jaren 1930.
Vlaamse en Waalse partijvorming na WO II:
- Vlaanderen:
o VNV en andere Vlaams-nationalistische partijen waren
geassocieerd met collaboratie → repressie na WO II.
o Moeizame opbouw van de Volksunie (1958).
- Wallonië:
o Na 1960: industrieverval en weinig steun voor een
“Belgische” oplossing.
o Eis voor economische autonomie → Waalse beweging
groeit.
- Rond 1970:
o Hoogtepunt van sterke communautaire partijen in
Vlaanderen en Wallonië.
o Splitsing van de unitaire klassieke partijen.