Taak 6: beweegredenen
1. Wat is beweeggedrag en hoe heeft het invloed op de gezondheid?
Beweeggedrag is het geheel aan lichamelijke activiteiten dat een persoon over een bepaalde periode
uitvoert. Dagelijkse activiteiten (lopen, fietsen, huishoudelijk werk) sport en gestructureerde
trainingsmomenten, en sedentair gedrag (lang zitten).
Beweeggedrag omvat zowel de frequentie, duur en intensiteit van activiteiten als type (aerobe
activiteit vs. spier- en botversterkende activiteiten).
Preventie van chronische ziekten: voldoende regelmatige matig tot intensieve lichaamsbeweging
verlaagt het risico op hart- en vaatziekten, type 2-diabetes, bepaalde vormen van kanker en
voortijdige sterfte. (Algemene samenvatting uit de hoofdstukken over determinanten en effecten in
Brug et al. en Mackenbach et al.)
Fysieke functie en valpreventie bij ouderen: beweging verbetert spierkracht, botdichtheid en balans,
waardoor botbreuken en functionele achteruitgang verminderd worden.
Mentaal welzijn: lichaamsbeweging vermindert depressieve en angstklachten en verbetert het
cognitief functioneren en de slaap.
Dose–response: meer en intensiever bewegen geeft doorgaans grotere gezondheidswinst, maar ook
kleine verbeteringen (bij inactieve mensen) leveren al duidelijke voordelen.
2. Wat zijn de huidige beweegrichtlijnen? (CBS, RIVM)
Kernpunten van de Nederlandse beweegrichtlijnen (Gezondheidsraad / RIVM):
Volwassenen (≥18 jaar): minimaal 150 minuten per week matig-intensieve aerobe activiteit
(of 75 minuten intensieve activiteit) verdeeld over de week, plus ten minste 2x per week
spier- en botversterkende activiteiten. Voor senioren ook botversterkende activiteiten
Kinderen en jongeren (4–17 jaar): minimaal 1 uur per dag matig- tot zwaar-intensieve
activiteit en ten minste 3x per week spier- en botversterkende activiteiten; veel zitten
vermijden.
0–4 jaar: specifieke adviezen voor spel, beweging en sedentair gedrag (zie Gezondheidsraad-
advies voor 0–4 jaar)
3. Wat zijn de risicofactoren van gezondheid?
,Risicofactoren voor (on)gezondheid zijn
- Leefstijl en gedrag
• Roken, alcohol, eetgewoonten, lichamelijke activiteit hebben allemaal een
invloed op gezondheid
• Er is een verband gevonden tussen lichamelijke inactiviteit, overmatig
alcoholgebruik en ongezonde voeding ten opzichte van de incidentie van sterfte
en aandoeningen met een hoge ziektelast in Nederland
4. Welke determinanten van gedrag kan je
onderscheiden en leg deze uit (fysieke omgeving,
economische omgeving, persoonlijke determinanten,
gedrag)
Gedrag zelf is een van de risicofactoren van de gezondheidsproblemen die wij
ondervinden. Gedrag kan zijn roken, alcoholconsumptie, eetgewoonten en
lichamelijke activiteit.
Omgevingsfactoren kunnen een directe invloed hebben op
gezondheidsuitkomsten, of via gedrag invloed hebben. Bijvoorbeeld:
geluidsoverlast en luchtverontreiniging
Een voorbeeld van fysieke omgeving op de gezondheid is blootstelling aan
asbest
Bij economische omgevingsfactoren kan gedacht worden aan betaalbaarheid
van de zorg. In Nederland hebben we bijvoorbeeld dat iedereen verplicht een
zorgverzekering moet hebben zodat alle noodzakelijke zorg voor iedereen
betaalbaar kan zijn.
Sociale culturele omgevingsfactoren kunnen de gezondheid ook beïnvloeden.
Bij sociaal is een belangrijke factor de mate waarin mensen sociale steun
ontvangen. Uit onderzoek blijkt dat mensen die meer sociale steun ontvangen
over het algemeen een betere gezondheid hebben.
Bij persoonsgebonden factoren kan een onderscheid gemaakt worden tussen
erfelijke, biologische en psychologische factoren.
, Erfelijke factoren kunnen zijn de aanleg voor genetische afwijkingen.
Bijvoorbeeld taaislijmziekte is altijd een gevolg van een erfelijke afwijking.
Voor biologische factoren kan je denken aan (niet erfelijk bepaalde) verhoogde
cholesterol en een hoge bloeddruk. Dit zijn beide risicofactoren van hart- en
vaatziekten.
Bij psychologische factoren gaat het vooral om intrinsieke motivatie, stress,
mate van zelfbeheersing
1. Fysieke omgeving
Beschrijving: de gebouwde en natuurlijke omgeving rondom mensen.
Voorbeelden/invloed op bewegen: aanwezigheid van veilige fietspaden, parken,
sportscholen, sportvelden, wandelroutes; afstand tot voorzieningen; kwaliteit
van straatverlichting. Een aantrekkelijke, toegankelijke fysieke omgeving
verhoogt de kans dat mensen vaker wandelen/fietsen of sporten.
2. Economische omgeving
Beschrijving: financiële en economische factoren die gedrag mogelijk maken of
belemmeren.
Voorbeelden: lidmaatschapsgelden voor sportclubs, kosten van sportkleding,
reiskosten, tijdsbudget (werkdruk), kosten van kinderopvang tijdens sporten.
Mensen met beperkte financiële middelen hebben vaak minder toegang tot
betaalde sportaanbod en daarmee lagere beweegparticipatie.
3. Persoonlijke determinanten (individueel)
Beschrijving: cognitieve en biologisch-psychologische factoren bij individuen.
Voorbeelden: kennis over voordelen van bewegen, houdingen/attitudes,
motivatie, zelfeffectiviteit (vertrouwen dat je kunt bewegen ondanks barrières),
gewoonten, gezondheidstoestand, leeftijd en fysieke mogelijkheden. Deze
determinanten vormen vaak het directe doel van gedragsinterventies (Brug et
al.).
4. Gedrag (zelf als determinant)
1. Wat is beweeggedrag en hoe heeft het invloed op de gezondheid?
Beweeggedrag is het geheel aan lichamelijke activiteiten dat een persoon over een bepaalde periode
uitvoert. Dagelijkse activiteiten (lopen, fietsen, huishoudelijk werk) sport en gestructureerde
trainingsmomenten, en sedentair gedrag (lang zitten).
Beweeggedrag omvat zowel de frequentie, duur en intensiteit van activiteiten als type (aerobe
activiteit vs. spier- en botversterkende activiteiten).
Preventie van chronische ziekten: voldoende regelmatige matig tot intensieve lichaamsbeweging
verlaagt het risico op hart- en vaatziekten, type 2-diabetes, bepaalde vormen van kanker en
voortijdige sterfte. (Algemene samenvatting uit de hoofdstukken over determinanten en effecten in
Brug et al. en Mackenbach et al.)
Fysieke functie en valpreventie bij ouderen: beweging verbetert spierkracht, botdichtheid en balans,
waardoor botbreuken en functionele achteruitgang verminderd worden.
Mentaal welzijn: lichaamsbeweging vermindert depressieve en angstklachten en verbetert het
cognitief functioneren en de slaap.
Dose–response: meer en intensiever bewegen geeft doorgaans grotere gezondheidswinst, maar ook
kleine verbeteringen (bij inactieve mensen) leveren al duidelijke voordelen.
2. Wat zijn de huidige beweegrichtlijnen? (CBS, RIVM)
Kernpunten van de Nederlandse beweegrichtlijnen (Gezondheidsraad / RIVM):
Volwassenen (≥18 jaar): minimaal 150 minuten per week matig-intensieve aerobe activiteit
(of 75 minuten intensieve activiteit) verdeeld over de week, plus ten minste 2x per week
spier- en botversterkende activiteiten. Voor senioren ook botversterkende activiteiten
Kinderen en jongeren (4–17 jaar): minimaal 1 uur per dag matig- tot zwaar-intensieve
activiteit en ten minste 3x per week spier- en botversterkende activiteiten; veel zitten
vermijden.
0–4 jaar: specifieke adviezen voor spel, beweging en sedentair gedrag (zie Gezondheidsraad-
advies voor 0–4 jaar)
3. Wat zijn de risicofactoren van gezondheid?
,Risicofactoren voor (on)gezondheid zijn
- Leefstijl en gedrag
• Roken, alcohol, eetgewoonten, lichamelijke activiteit hebben allemaal een
invloed op gezondheid
• Er is een verband gevonden tussen lichamelijke inactiviteit, overmatig
alcoholgebruik en ongezonde voeding ten opzichte van de incidentie van sterfte
en aandoeningen met een hoge ziektelast in Nederland
4. Welke determinanten van gedrag kan je
onderscheiden en leg deze uit (fysieke omgeving,
economische omgeving, persoonlijke determinanten,
gedrag)
Gedrag zelf is een van de risicofactoren van de gezondheidsproblemen die wij
ondervinden. Gedrag kan zijn roken, alcoholconsumptie, eetgewoonten en
lichamelijke activiteit.
Omgevingsfactoren kunnen een directe invloed hebben op
gezondheidsuitkomsten, of via gedrag invloed hebben. Bijvoorbeeld:
geluidsoverlast en luchtverontreiniging
Een voorbeeld van fysieke omgeving op de gezondheid is blootstelling aan
asbest
Bij economische omgevingsfactoren kan gedacht worden aan betaalbaarheid
van de zorg. In Nederland hebben we bijvoorbeeld dat iedereen verplicht een
zorgverzekering moet hebben zodat alle noodzakelijke zorg voor iedereen
betaalbaar kan zijn.
Sociale culturele omgevingsfactoren kunnen de gezondheid ook beïnvloeden.
Bij sociaal is een belangrijke factor de mate waarin mensen sociale steun
ontvangen. Uit onderzoek blijkt dat mensen die meer sociale steun ontvangen
over het algemeen een betere gezondheid hebben.
Bij persoonsgebonden factoren kan een onderscheid gemaakt worden tussen
erfelijke, biologische en psychologische factoren.
, Erfelijke factoren kunnen zijn de aanleg voor genetische afwijkingen.
Bijvoorbeeld taaislijmziekte is altijd een gevolg van een erfelijke afwijking.
Voor biologische factoren kan je denken aan (niet erfelijk bepaalde) verhoogde
cholesterol en een hoge bloeddruk. Dit zijn beide risicofactoren van hart- en
vaatziekten.
Bij psychologische factoren gaat het vooral om intrinsieke motivatie, stress,
mate van zelfbeheersing
1. Fysieke omgeving
Beschrijving: de gebouwde en natuurlijke omgeving rondom mensen.
Voorbeelden/invloed op bewegen: aanwezigheid van veilige fietspaden, parken,
sportscholen, sportvelden, wandelroutes; afstand tot voorzieningen; kwaliteit
van straatverlichting. Een aantrekkelijke, toegankelijke fysieke omgeving
verhoogt de kans dat mensen vaker wandelen/fietsen of sporten.
2. Economische omgeving
Beschrijving: financiële en economische factoren die gedrag mogelijk maken of
belemmeren.
Voorbeelden: lidmaatschapsgelden voor sportclubs, kosten van sportkleding,
reiskosten, tijdsbudget (werkdruk), kosten van kinderopvang tijdens sporten.
Mensen met beperkte financiële middelen hebben vaak minder toegang tot
betaalde sportaanbod en daarmee lagere beweegparticipatie.
3. Persoonlijke determinanten (individueel)
Beschrijving: cognitieve en biologisch-psychologische factoren bij individuen.
Voorbeelden: kennis over voordelen van bewegen, houdingen/attitudes,
motivatie, zelfeffectiviteit (vertrouwen dat je kunt bewegen ondanks barrières),
gewoonten, gezondheidstoestand, leeftijd en fysieke mogelijkheden. Deze
determinanten vormen vaak het directe doel van gedragsinterventies (Brug et
al.).
4. Gedrag (zelf als determinant)