1. Zin in lezen: Literaire genres
● Psychologische roman: Focust op de gedachten en gevoelens van het
hoofdpersonage, met weinig actie en een traag verteltempo.
● Thriller: Spannend verhaal met actie en gevaar; hoog verteltempo, spanning wordt
opgebouwd (bijv. actiethrillers, spionagethrillers).
● Sciencefiction: Denkbeeldige setting, vaak in de toekomst, met nieuwe
wetenschappelijke ontwikkelingen.
● Fantasy: Verzonnen werelden met magie, bovennatuurlijke elementen en denkbeeldige
wezens.
● Historische roman: Gebaseerd op historische feiten en/of personen, vaak aangevuld
met fictieve elementen.
● Oorlogsroman: Historische roman met een oorlog als setting.
2. De tutorial: Prescriptieve tekst
Een prescriptieve tekst geeft instructies en voldoet aan de volgende kenmerken:
● Beschrijft volledige stappen in chronologische volgorde.
● Gebruikt korte, duidelijke zinnen (vaak in imperatief).
● Illustraties en een lijst met benodigdheden maken de instructie begrijpelijk.
3. Taalvariatie
● Standaardnederlands: Formeel en neutraal, geschikt voor professionele en onbekende
contexten.
● Tussentaal: Mengvorm tussen standaardtaal en dialect, veel gebruikt in Vlaanderen.
● Dialect: Lokale taalvariant, steeds minder gebruikt in pure vorm.
Taaldiscriminatie
● Vooroordelen: Oordelen zonder kennis (bv. taalfouten als teken van domheid).
● Stereotypen: Overdreven beelden van groepen (bv. dialectsprekers worden als minder
slim gezien).
● Sociolecten: Taalvarianten binnen sociale groepen, zoals groepstalen (jongeren-,
vrouwentaal) en vakjargon (specifieke termen per beroep).
In- en uitsluiting door taal
Taalgebruik kan bepalen of je tot een groep behoort of juist wordt uitgesloten.
, 4. Parodie
Een parodie is een spottende nabootsing van een serieus bedoeld werk.
5. Bouwstenen van verhalen
Personages
● Protagonist: Hoofdpersonage dat een probleem moet oplossen.
● Antagonist: Tegenspeler die de protagonist tegenwerkt.
● Nevenfiguren: Helpers of tegenstanders, met beperkte rol.
● Figuranten: Achtergrondpersonages.
● Volle karakters: Complex en ontwikkelen zich.
● Vlakke karakters: Stereotiep en onveranderlijk.
Verhaalperspectief
● Ik-verteller:
○ Belevend: Actie vindt plaats in het moment.
○ Vertellend: Terugblik op de gebeurtenissen.
● Personeel perspectief: Volgt één personage, zonder zicht op de toekomst.
● Auctorieel perspectief: Alwetende verteller buiten het verhaal.
Tijd
● Kalendertijd: Tijdsperiode van het verhaal.
● Verteltijd: Tijd nodig om het verhaal te lezen/vertellen.
● Vertelde tijd: Tijd die in het verhaal verstrijkt.
● Verteltempo: Relatie tussen verteltijd en vertelde tijd (bv. tijdsprongen of retardering).
Ruimte
● Geografische ruimte: Werkelijke of fictieve plaats.
● Sfeerscheppende ruimte: Ruimte beïnvloedt de stemming.
● Sociale ruimte: Bepaald door afkomst, beroep, etc.
● Symbolische ruimte: Reflecteert gevoelens of situaties.
6. Taallab: Werkwoordspelling
Tegenwoordige tijd
● Psychologische roman: Focust op de gedachten en gevoelens van het
hoofdpersonage, met weinig actie en een traag verteltempo.
● Thriller: Spannend verhaal met actie en gevaar; hoog verteltempo, spanning wordt
opgebouwd (bijv. actiethrillers, spionagethrillers).
● Sciencefiction: Denkbeeldige setting, vaak in de toekomst, met nieuwe
wetenschappelijke ontwikkelingen.
● Fantasy: Verzonnen werelden met magie, bovennatuurlijke elementen en denkbeeldige
wezens.
● Historische roman: Gebaseerd op historische feiten en/of personen, vaak aangevuld
met fictieve elementen.
● Oorlogsroman: Historische roman met een oorlog als setting.
2. De tutorial: Prescriptieve tekst
Een prescriptieve tekst geeft instructies en voldoet aan de volgende kenmerken:
● Beschrijft volledige stappen in chronologische volgorde.
● Gebruikt korte, duidelijke zinnen (vaak in imperatief).
● Illustraties en een lijst met benodigdheden maken de instructie begrijpelijk.
3. Taalvariatie
● Standaardnederlands: Formeel en neutraal, geschikt voor professionele en onbekende
contexten.
● Tussentaal: Mengvorm tussen standaardtaal en dialect, veel gebruikt in Vlaanderen.
● Dialect: Lokale taalvariant, steeds minder gebruikt in pure vorm.
Taaldiscriminatie
● Vooroordelen: Oordelen zonder kennis (bv. taalfouten als teken van domheid).
● Stereotypen: Overdreven beelden van groepen (bv. dialectsprekers worden als minder
slim gezien).
● Sociolecten: Taalvarianten binnen sociale groepen, zoals groepstalen (jongeren-,
vrouwentaal) en vakjargon (specifieke termen per beroep).
In- en uitsluiting door taal
Taalgebruik kan bepalen of je tot een groep behoort of juist wordt uitgesloten.
, 4. Parodie
Een parodie is een spottende nabootsing van een serieus bedoeld werk.
5. Bouwstenen van verhalen
Personages
● Protagonist: Hoofdpersonage dat een probleem moet oplossen.
● Antagonist: Tegenspeler die de protagonist tegenwerkt.
● Nevenfiguren: Helpers of tegenstanders, met beperkte rol.
● Figuranten: Achtergrondpersonages.
● Volle karakters: Complex en ontwikkelen zich.
● Vlakke karakters: Stereotiep en onveranderlijk.
Verhaalperspectief
● Ik-verteller:
○ Belevend: Actie vindt plaats in het moment.
○ Vertellend: Terugblik op de gebeurtenissen.
● Personeel perspectief: Volgt één personage, zonder zicht op de toekomst.
● Auctorieel perspectief: Alwetende verteller buiten het verhaal.
Tijd
● Kalendertijd: Tijdsperiode van het verhaal.
● Verteltijd: Tijd nodig om het verhaal te lezen/vertellen.
● Vertelde tijd: Tijd die in het verhaal verstrijkt.
● Verteltempo: Relatie tussen verteltijd en vertelde tijd (bv. tijdsprongen of retardering).
Ruimte
● Geografische ruimte: Werkelijke of fictieve plaats.
● Sfeerscheppende ruimte: Ruimte beïnvloedt de stemming.
● Sociale ruimte: Bepaald door afkomst, beroep, etc.
● Symbolische ruimte: Reflecteert gevoelens of situaties.
6. Taallab: Werkwoordspelling
Tegenwoordige tijd