Micro-economie voor managers A
Part 1: introduction to economics (chapters 1&2)
-‘Kiezen is verliezen’: kiezen voor X → verlies van Y
- Baat > kosten (economische kost) → goeie beslissing
Bv. Je moet 30 000 euro betalen voor je studies (economische kost) < je bent nog jong, je hebt de
kans om te gaan studeren, je gaat dus je diploma halen en kunnen gaan werken. De 30 000 euro kan
je zo weer terug verdienen.
De baat is dit geval groter dan je kost.
Hoe maken mensen beslissingen?
1) ‘keuzes maken’
2) ‘denken in opportuniteitskosten’
3) ‘in de marge denken’
4) ‘reageren op prikkels’
• Efficiëntie: het maximale uit haar mogelijkheden halen
• Equity: de voordelen van die middelen worden eerlijk verdeeld onder de leden van de
samenleving. (VERDELING van de taart, rechtvaardige verdeling)
Trade-offs: om de equity te verhogen, zou de samenleving een deel hun efficientie moeten opgeven
Opportuniteitskost:
• De waarde van de verloren gegane best mogelijke alternatieve benutting
• Economische ‘goede’ beslissing: waarde gemaakte keuze > veroorzaakte opportuniteitskost
• Hoe bepaal je de opportuniteitskost?
• Stap 1: Welke keuze werd gemaakt ? (keuze)
• Stap 2: Welke middelen werden hiertoe ingezet ? (middelen)
• Stap 3: Welke alternatieve aanwending(en) was/waren mogelijk ? (alternatieven?)
• Stap 4: Wat is het beste alternatief ? (beste alternatief?)
• Stap 5: Wat is de waarde van het beste alternatief ? (waarde van beste alternatief)
Vb. Naar les komen
Toepassing van denken in marge:
Situatie voor een brouwerij:
- Momenteel productie van 10.000 flesjes tegen een gemiddelde kostprijs van €0,20.
-Een potentieel nieuwe klant wil maar €0,15 per flesje betalen.
Vraag: beter niet ingaan op aanbod (want €0,15 < €0,20) ?
Antwoord: niet de gemiddelde maar wel de EXTRA (=marginale) kost om een extra flesje te
,produceren, moet in rekening gebracht worden.
-Stel een extra flesje kost maar €0,10. → Verkoop van een extra flesje verhoogt de winst met 0,15 -
0,10 = 0,05!
Marginaal denken: Het principe van marginaal denken: Als de marginale kosten GROTER zijn dan de
marginale opbrengsten dan zal men het actieplan niet laten doorgaan.
Berekenen van de marginale kosten:
➔ Verandering van TK / De verandering van de geproduceerde items
(Volgens voorbeeld brouwerij)
Berekenen van de marginale opbrengsten:
➔ Betekenis: Toename van de omzet door afzet van 1 extra product
TO = p*q (p= 10 euro)
GO= 10*q
MO= 10
• Positieve analyse: beschrijven van de situatie zoals ze nu is
Vb. een verhoging van accijnzen op tabak leidt tot een daling van de verkoop van sigaretten.
• Normatieve analyse: voorschrijven van wat er zou gebeuren
Vb. de overheid moet de accijnzen op tabak verhogen omdat jongeren teveel roken.
Part 2: Supply and demand: how markets work (chapters 3,4&5)
Chapter 3:
• De markt: is het geheel van vraag naar en aanbod van een bepaald product.
De markten functioneren niet op dezelfde manier, we onderscheiden verschillende
marktvormen op basis van de aantal concurrenten op de markt en de aard van het
product dat aangeboden wordt.
2 basiskarakteristieken:
1) het aantal concurrenten in de markt
• één aanbieder: monopolie bv. NMBS, DeLijn
• twee aanbieders: duopolie bv. Airbus Boeing VS Bombardier
• enkele aanbieders: oligopolie bv. De markt van computers, de staalindustrie
• zeer veel aanbieders: concurrentie bv. Koeken, choco, melk, brood (er zijn
verschillende bakkers)
2) de aard van het aangeboden product
• Homogeen: De producten van verschillende aanbieders worden door de consumenten
gezien als 1 zelfde product. Het maakt in dit geval niet uit waar ze gaan tanken.
, Vb. benzine
• Heterogeen: producten die duidelijk verschillend zijn Vb. kledij
• Competitieve markt: een markt met veel kopers en veel verkopers, zodat elk een miniem
invloed heeft op de marktprijs (prijsnemers). De producent kan niet al te hoge prijzen
vragen, de consumenten zullen in dit geval snel naar de concurrentie stappen.
2 eigenschappen:
1) veel vragers en aanbieders (markatomisme)
2) wordt er een homogeen goed aangeboden
→ Omdat de producten door de consument als identiek worden ervaren, kijkt deze enkel
naar de prijs DAAROM -> aanbieders = prijsnemers.
P
= kritische prijs (maximale prijs die men
bereid is te betalen voor een product)
V = marginale betaling bereidheidsfunctie
(MBB)
Vb. voor het 3de doosje, ben ik bereid 20
euro te betalen.
V Q
• Voor elke consument is die kritische prijs anders, afhankelijk van:
- beschikbaar budget
- voorkeuren (merk, kwaliteit)
- veel keuze van producten (substituten)
• De MBB (vraagcurve) is een dalende curve
→ Uw nut van iets neemt af, hoe meer je er van hebt
P
• Als uw budget toeneemt, dan is er een verschuiving
VAN DE curve (verschuiving door een externe effect)
• Hou alle factoren constant, enkel de prijs mag
P
V2 veranderen. → de ceteris paribus hypothese
V1 (prijsverandering alleen, de rest blijft gelijk) → een
Q
beweging OP DE curve
• Pricetaker: er is te veel concurrentie, je zal de prijs moeten nemen zoals die in de markt
gehanteerd wordt Vb. bakker
• Prijszetter: onderscheidt zich van anderen, omdat er zo weinig concurrentie is kan je de prijs
zelf kiezen Vb. een tesla
• Maximaliseren van uw nut: zoveel mogelijk genieten van de producten met een beperkt
budget
, Algemene vraagfunctie:
• Geeft het verband weer tussen de gevraagde hoeveelheid, de prijs van het goed, de prijs
van andere goederen, het inkomen en preferenties van de consument enz.
Partiële vraagfunctie:
• Wat is de invloed van één verklarende variabele (Vb. P) op de te verklaren variabele (Q)
onder de veronderstelling dat alle andere verklarende variabelen (y, pref, K,...) niet
veranderen? (CETRIS
PARIBUS) !!! Andere variabelen zijn niet meer zichtbaar, maar bepalen wel
nog steeds mee de gevraagde hoeveelheid (ze worden niet meer
genoteerd omdat ze constant gehouden worden, maar ze zijn
niet gelijk aan nul!)
Extra uitleg verkorte versie:
De hoeveelheid vraag van consument i als er wordt gespeeld met de vraag (P). De vraag is in dit geval
de verklarende variabel en de Q de te verklaren variabel. We willen nagaan welk effect de prijs zal
hebben om de gevraagde hoeveelheid van consument i.
• Wet van de vraag: omgekeerd of negatief verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid
• De vraag: de hele functie
• De gevaagde hoeveelheid: een bepaald punt van die vraagfunctie (meer specifiek)
Oefening: Wat is de vergelijking van deze functie?
→De qiv (de gevraagde hoeveelheid) komt overeen met de x-as
→De P komt overeen met de y-as
DUS: (X,Y) → (qiv,P)
Part 1: introduction to economics (chapters 1&2)
-‘Kiezen is verliezen’: kiezen voor X → verlies van Y
- Baat > kosten (economische kost) → goeie beslissing
Bv. Je moet 30 000 euro betalen voor je studies (economische kost) < je bent nog jong, je hebt de
kans om te gaan studeren, je gaat dus je diploma halen en kunnen gaan werken. De 30 000 euro kan
je zo weer terug verdienen.
De baat is dit geval groter dan je kost.
Hoe maken mensen beslissingen?
1) ‘keuzes maken’
2) ‘denken in opportuniteitskosten’
3) ‘in de marge denken’
4) ‘reageren op prikkels’
• Efficiëntie: het maximale uit haar mogelijkheden halen
• Equity: de voordelen van die middelen worden eerlijk verdeeld onder de leden van de
samenleving. (VERDELING van de taart, rechtvaardige verdeling)
Trade-offs: om de equity te verhogen, zou de samenleving een deel hun efficientie moeten opgeven
Opportuniteitskost:
• De waarde van de verloren gegane best mogelijke alternatieve benutting
• Economische ‘goede’ beslissing: waarde gemaakte keuze > veroorzaakte opportuniteitskost
• Hoe bepaal je de opportuniteitskost?
• Stap 1: Welke keuze werd gemaakt ? (keuze)
• Stap 2: Welke middelen werden hiertoe ingezet ? (middelen)
• Stap 3: Welke alternatieve aanwending(en) was/waren mogelijk ? (alternatieven?)
• Stap 4: Wat is het beste alternatief ? (beste alternatief?)
• Stap 5: Wat is de waarde van het beste alternatief ? (waarde van beste alternatief)
Vb. Naar les komen
Toepassing van denken in marge:
Situatie voor een brouwerij:
- Momenteel productie van 10.000 flesjes tegen een gemiddelde kostprijs van €0,20.
-Een potentieel nieuwe klant wil maar €0,15 per flesje betalen.
Vraag: beter niet ingaan op aanbod (want €0,15 < €0,20) ?
Antwoord: niet de gemiddelde maar wel de EXTRA (=marginale) kost om een extra flesje te
,produceren, moet in rekening gebracht worden.
-Stel een extra flesje kost maar €0,10. → Verkoop van een extra flesje verhoogt de winst met 0,15 -
0,10 = 0,05!
Marginaal denken: Het principe van marginaal denken: Als de marginale kosten GROTER zijn dan de
marginale opbrengsten dan zal men het actieplan niet laten doorgaan.
Berekenen van de marginale kosten:
➔ Verandering van TK / De verandering van de geproduceerde items
(Volgens voorbeeld brouwerij)
Berekenen van de marginale opbrengsten:
➔ Betekenis: Toename van de omzet door afzet van 1 extra product
TO = p*q (p= 10 euro)
GO= 10*q
MO= 10
• Positieve analyse: beschrijven van de situatie zoals ze nu is
Vb. een verhoging van accijnzen op tabak leidt tot een daling van de verkoop van sigaretten.
• Normatieve analyse: voorschrijven van wat er zou gebeuren
Vb. de overheid moet de accijnzen op tabak verhogen omdat jongeren teveel roken.
Part 2: Supply and demand: how markets work (chapters 3,4&5)
Chapter 3:
• De markt: is het geheel van vraag naar en aanbod van een bepaald product.
De markten functioneren niet op dezelfde manier, we onderscheiden verschillende
marktvormen op basis van de aantal concurrenten op de markt en de aard van het
product dat aangeboden wordt.
2 basiskarakteristieken:
1) het aantal concurrenten in de markt
• één aanbieder: monopolie bv. NMBS, DeLijn
• twee aanbieders: duopolie bv. Airbus Boeing VS Bombardier
• enkele aanbieders: oligopolie bv. De markt van computers, de staalindustrie
• zeer veel aanbieders: concurrentie bv. Koeken, choco, melk, brood (er zijn
verschillende bakkers)
2) de aard van het aangeboden product
• Homogeen: De producten van verschillende aanbieders worden door de consumenten
gezien als 1 zelfde product. Het maakt in dit geval niet uit waar ze gaan tanken.
, Vb. benzine
• Heterogeen: producten die duidelijk verschillend zijn Vb. kledij
• Competitieve markt: een markt met veel kopers en veel verkopers, zodat elk een miniem
invloed heeft op de marktprijs (prijsnemers). De producent kan niet al te hoge prijzen
vragen, de consumenten zullen in dit geval snel naar de concurrentie stappen.
2 eigenschappen:
1) veel vragers en aanbieders (markatomisme)
2) wordt er een homogeen goed aangeboden
→ Omdat de producten door de consument als identiek worden ervaren, kijkt deze enkel
naar de prijs DAAROM -> aanbieders = prijsnemers.
P
= kritische prijs (maximale prijs die men
bereid is te betalen voor een product)
V = marginale betaling bereidheidsfunctie
(MBB)
Vb. voor het 3de doosje, ben ik bereid 20
euro te betalen.
V Q
• Voor elke consument is die kritische prijs anders, afhankelijk van:
- beschikbaar budget
- voorkeuren (merk, kwaliteit)
- veel keuze van producten (substituten)
• De MBB (vraagcurve) is een dalende curve
→ Uw nut van iets neemt af, hoe meer je er van hebt
P
• Als uw budget toeneemt, dan is er een verschuiving
VAN DE curve (verschuiving door een externe effect)
• Hou alle factoren constant, enkel de prijs mag
P
V2 veranderen. → de ceteris paribus hypothese
V1 (prijsverandering alleen, de rest blijft gelijk) → een
Q
beweging OP DE curve
• Pricetaker: er is te veel concurrentie, je zal de prijs moeten nemen zoals die in de markt
gehanteerd wordt Vb. bakker
• Prijszetter: onderscheidt zich van anderen, omdat er zo weinig concurrentie is kan je de prijs
zelf kiezen Vb. een tesla
• Maximaliseren van uw nut: zoveel mogelijk genieten van de producten met een beperkt
budget
, Algemene vraagfunctie:
• Geeft het verband weer tussen de gevraagde hoeveelheid, de prijs van het goed, de prijs
van andere goederen, het inkomen en preferenties van de consument enz.
Partiële vraagfunctie:
• Wat is de invloed van één verklarende variabele (Vb. P) op de te verklaren variabele (Q)
onder de veronderstelling dat alle andere verklarende variabelen (y, pref, K,...) niet
veranderen? (CETRIS
PARIBUS) !!! Andere variabelen zijn niet meer zichtbaar, maar bepalen wel
nog steeds mee de gevraagde hoeveelheid (ze worden niet meer
genoteerd omdat ze constant gehouden worden, maar ze zijn
niet gelijk aan nul!)
Extra uitleg verkorte versie:
De hoeveelheid vraag van consument i als er wordt gespeeld met de vraag (P). De vraag is in dit geval
de verklarende variabel en de Q de te verklaren variabel. We willen nagaan welk effect de prijs zal
hebben om de gevraagde hoeveelheid van consument i.
• Wet van de vraag: omgekeerd of negatief verband tussen prijs en gevraagde hoeveelheid
• De vraag: de hele functie
• De gevaagde hoeveelheid: een bepaald punt van die vraagfunctie (meer specifiek)
Oefening: Wat is de vergelijking van deze functie?
→De qiv (de gevraagde hoeveelheid) komt overeen met de x-as
→De P komt overeen met de y-as
DUS: (X,Y) → (qiv,P)