Inhoudsopgave
Goederen en zekerhedenrecht ............................................................................................................... 3
Wat is goederenrecht? .................................................................................................................... 3
4 kenmerken van alle zakelijke rechten en zekerheden: ................................................................ 3
Onderverdeling van goederen: algemeen....................................................................................... 4
Onderscheid openbare en private domeingoederen: ..................................................................... 6
Vervangbare en niet-vervangbare goederen .................................................................................. 8
Verbruikbare en niet-verbruikbare goederen ................................................................................. 8
Goederen in en buiten de handel ................................................................................................... 9
Deel 2: de eigenlijke zakelijke rechten .................................................................................................... 9
Kenmerken van eigendomsrecht: ................................................................................................... 9
Evoluties binnen het eigendomsrecht........................................................................................... 10
Begrenzingen van het eigendomsrecht ......................................................................................... 10
Horizontale begrenzing van het eigendomsrecht ......................................................................... 11
4. Beperkingen in het eigendomsrecht ............................................................................................. 12
5. Speciaal geval: onteigening ....................................................................................................... 17
Deel 3: de eigenlijke zakelijke rechten: het mede-eigendomsrecht ..................................................... 22
1.Soorten mede-eigendom: .......................................................................................................... 22
4.Vrijwillige mede-eigendom ........................................................................................................ 24
5.Gedwongen mede-eigendom ..................................................................................................... 25
Deel 4: de eigenlijke zakelijke rechten: het vruchtgebruik ................................................................... 34
2.Ontstaan van vruchtgebruik ....................................................................................................... 34
3.Goederen vatbaar voor vruchtgebruik ....................................................................................... 34
4.Vruchtgebruik op een algemeenheid van goederen .................................................................. 35
5.Bijzondere vormen van vruchtgebruik ....................................................................................... 35
6.Vruchtgebruik bij de langstlevende echtgenoot ........................................................................ 37
7.Plichten van de vruchtgebruik bij aanvang van het vruchtgebruik ............................................ 37
8.Rechten en plichten van de vruchtgebruiker tijdens het vruchtverbruik .................................. 38
9.Einde van het vruchtgebruik ...................................................................................................... 41
Deel 5: de eigenlijke zaken en rechten: de rechten van gebruik en bewoning .................................... 41
1.Het recht van bewoning ............................................................................................................. 41
2.Het recht van gebruik ................................................................................................................. 42
Deel 6: de eigenlijke zakelijke rechten: erfpacht .................................................................................. 42
2.Rechten en plichten van erfpacht .............................................................................................. 43
3.Rechten en plichten van de eigenaar ......................................................................................... 43
1
, 4.Einde van de erfpacht................................................................................................................. 43
Deel 7: de eigenlijke zakelijke rechten: het opstalrecht ................................................................... 44
1.Kenmerken van het opstalrecht ................................................................................................. 44
2.Rechten en plichten van de opstalhouder ................................................................................. 45
3.Rechten en plichten van de eigenaar ......................................................................................... 45
4.Einde van het opstalrecht........................................................................................................... 45
Deel 8: de eigenlijke zakelijke rechten: erfdienstbaarheden ............................................................ 46
1.Wezenlijke kenmerken van erfdienstbaarheden ....................................................................... 46
2.Niet wezenlijke kenmerken van erfdienstbaarheden: ............................................................... 46
3.Erfdienstbaarheden gevestigd door de mens ............................................................................ 47
4.Uitoefenen van EDBH – Situatie titularis EDBH/heersend erf ................................................... 49
5.Uitoefenen van EDBH – Situatie eigenaar lijdend erf ................................................................ 50
6.Het tenietgaan van EDBH ........................................................................................................... 50
7.Het ontstaan van natuurlijke en wettelijke EDBH tot privaat en tot algemeen nut .................. 52
Deel 9: aanverwante rechtsfiguren ................................................................................................... 56
1.Bezit ............................................................................................................................................ 56
2.Dentie ......................................................................................................................................... 57
3.Daden van gedogen of vermogen .............................................................................................. 58
4.Precaire bezitting of bezit ter bede ............................................................................................ 58
5.Toe-eigening ............................................................................................................................... 58
6.Schatvinding: .............................................................................................................................. 59
7.Achtergelaten of verloren zaken ................................................................................................ 59
8.Zaakvorming ............................................................................................................................... 60
2
,Goederen en zekerhedenrecht
Algemene principes:
Onderscheid tussen zakelijke rechten en vorderingsrechten:
• Patrimoniale rechten: de zakelijke rechten, vorderingsrechten en intellectuele
rechten. Deze hebben pecuniaire waarde. -> kan je een bedrag op plakken.
• Extra-patrimoniale rechten: de persoonlijkheidsrechten en de familiale rechten. Deze
hebben geen pecuniaire waarde. -> datgene wat u niet in geld kan uitdrukken.
Familiaal recht: recht om te adopteren, trouwen,…
Persoonlijkheidsrechten: recht om u naam correct te schrijven, recht op
afbeelding (geen waarde op een foto kunnen plakken), je gegevens correct
verwerken,…
• De term “goederenrecht” is eigenlijk correcter dan “zakenrecht”: goed (= lichamelijk
en onlichamelijk) zaak (= lichamelijk). (vanaf de sleutel van het huis is gegeven,
ben je eigenaar: gaat over het voorwerp)
Verbintenissen verbonden aan de hoedanigheid van de eigenaar van het
goed (overdraagbaar) vs. verbintenissen verbonden aan de persoon van de
schuldenaar (in regel niet overdraagbaar) -> wie is SE en wie is SA: wie moet
wat doen, wie moet wat krijgen.
Louter formele benadering: zakelijke rechten worden erkend door de wetgever.
- Octrooi rechten: mogelijkheid om als enig bedrijf het product op de markt te brengen/te
produceren (bv. op u smartphone, vaccin,…) u bent marktleider.
Wat is goederenrecht?
Twee groepen:
• Eigenlijke zakelijke rechten of zakelijke hoofdrechten (eigendom, mede-eigendom,
vruchtgebruik, erfpacht, opstal, recht van gebruik, recht van bewoning, rechten van
de aangelanden van waterlopen en erfdienstbaarheden).
• Accessoire zakelijke rechten of zakelijke zekerheidsrechten (hypotheek en pand).
• Een zaak is enkel tastbaar, een goed kan tastbaar of niet tastbaar zijn (bv. aandelen) =
goederenrecht.
Numerus clausus-beginsel (= eigenlijke en zakelijke rechten). De partijen moeten bij het vestigen van
een zakelijk recht dus steeds de wezenlijke bestanddelen ervan respecteren. -> hetgeen wat de
wetgever heeft ingeschreven, is beperkt.
Zakelijk recht = recht dat iemand heeft op een bepaald goed.
4 kenmerken van alle zakelijke rechten en zekerheden:
1. Het volgrecht (ook sommige vorderingsrechten. Bv. huur – art. 1743 Oud BW). Verbonden
aan het voorwerp niet aan de persoon.
2. Het recht van voorrang: een faillissement, een voorrangsrecht: curator aanstellen: overzicht
maken van hoeveel geld je hebt en hoeveel schulden je hebt -> piramide, hoe hoger, hoe
3
, meer kans om alles te krijgen. Als u houder bent van een zakelijkrecht kan u het eruit halen,
u word voor andere SA betaald.
• Doorbreking van de regel van de pondspondsgewijze verdeling onder schuldeisers).
• Zakelijk recht voorrang op vorderingsrecht.
• Zakelijke rechten onderling: anterioriteitsregel.
- Volgrecht, je blijft het goed behouden, maakt niet uit in wie zijn handen het
is.
3. Het specialiteitsbeginsel. Individualisatie is steeds vereist. -> het goed moet ten alle tijden
identificeerbaar zijn, makkelijker met tastbare goederen.
4. Zakelijke subrogatie. -> auto brand af, je bent het kwijt en verzekeringspremie in de plaats:
het geld is in de plaats van het goed gekomen. Vruchtverbruik verplaats van auto naar
verzekeringspremie.
• Enkel titularis van het zakelijk recht.
• Oorspronkelijk object van het zakelijk recht gaat (juridisch of materieel) verloren.
• Oorspronkelijke object van het zakelijk recht wordt vervangen door een ander object
dat de waarde ervan vertegenwoordigt.
• Zowel het oorspronkelijke object als het in de plaats tredende object moeten steeds
individualiseerbaar zijn geweest.
• Subsidiaire rechtsfiguur.
Onderverdeling van goederen: algemeen
Vermogen
Activa Passiva
Zakelijke rechten
Persoonlijke rechten Verbintenissen/schuldvorderingen
Intellectuele rechten
Vermogen = alle in geld waardeerbare rechten en plichten die een persoon heeft.
Persoonlijke rechten= degene die lening geeft is SE en heeft persoonlijk recht t.o.v. mij.
Soorten goederen:
Roerend goed: hetgeen dat verplaatsbaar is. Moeten niet gepubliceerd worden (bv.
verkopen van je jas moet niet in een register staan).
Onroerend goed: alles dat niet verplaatsbaar is. Moeten gepubliceerd worden in de
register, worden rechtszekerheid in gezeten -> denken aan een notaris.
Verjaring: na x-aantal tijd kan u een recht claimen, 2 soorten verjaring:
Roerend: 10 jaar, makkelijker om in beslag te nemen.
Onroerend: 30 jaar, onroerende voorheffing is zwaarder als roerende goederen.
Moeilijker om (goederen) in beslag te nemen (rechter gaat minder snel akkoord
gaan).
Alle goederen zijn hetzij roerend, hetzij onroerend (artikel 3.46 Nieuw BW).
• Vroeger stond de verplaatsbaarheid van het goed centraal. Thans is dit toch enigszins
achterhaald.
4
Goederen en zekerhedenrecht ............................................................................................................... 3
Wat is goederenrecht? .................................................................................................................... 3
4 kenmerken van alle zakelijke rechten en zekerheden: ................................................................ 3
Onderverdeling van goederen: algemeen....................................................................................... 4
Onderscheid openbare en private domeingoederen: ..................................................................... 6
Vervangbare en niet-vervangbare goederen .................................................................................. 8
Verbruikbare en niet-verbruikbare goederen ................................................................................. 8
Goederen in en buiten de handel ................................................................................................... 9
Deel 2: de eigenlijke zakelijke rechten .................................................................................................... 9
Kenmerken van eigendomsrecht: ................................................................................................... 9
Evoluties binnen het eigendomsrecht........................................................................................... 10
Begrenzingen van het eigendomsrecht ......................................................................................... 10
Horizontale begrenzing van het eigendomsrecht ......................................................................... 11
4. Beperkingen in het eigendomsrecht ............................................................................................. 12
5. Speciaal geval: onteigening ....................................................................................................... 17
Deel 3: de eigenlijke zakelijke rechten: het mede-eigendomsrecht ..................................................... 22
1.Soorten mede-eigendom: .......................................................................................................... 22
4.Vrijwillige mede-eigendom ........................................................................................................ 24
5.Gedwongen mede-eigendom ..................................................................................................... 25
Deel 4: de eigenlijke zakelijke rechten: het vruchtgebruik ................................................................... 34
2.Ontstaan van vruchtgebruik ....................................................................................................... 34
3.Goederen vatbaar voor vruchtgebruik ....................................................................................... 34
4.Vruchtgebruik op een algemeenheid van goederen .................................................................. 35
5.Bijzondere vormen van vruchtgebruik ....................................................................................... 35
6.Vruchtgebruik bij de langstlevende echtgenoot ........................................................................ 37
7.Plichten van de vruchtgebruik bij aanvang van het vruchtgebruik ............................................ 37
8.Rechten en plichten van de vruchtgebruiker tijdens het vruchtverbruik .................................. 38
9.Einde van het vruchtgebruik ...................................................................................................... 41
Deel 5: de eigenlijke zaken en rechten: de rechten van gebruik en bewoning .................................... 41
1.Het recht van bewoning ............................................................................................................. 41
2.Het recht van gebruik ................................................................................................................. 42
Deel 6: de eigenlijke zakelijke rechten: erfpacht .................................................................................. 42
2.Rechten en plichten van erfpacht .............................................................................................. 43
3.Rechten en plichten van de eigenaar ......................................................................................... 43
1
, 4.Einde van de erfpacht................................................................................................................. 43
Deel 7: de eigenlijke zakelijke rechten: het opstalrecht ................................................................... 44
1.Kenmerken van het opstalrecht ................................................................................................. 44
2.Rechten en plichten van de opstalhouder ................................................................................. 45
3.Rechten en plichten van de eigenaar ......................................................................................... 45
4.Einde van het opstalrecht........................................................................................................... 45
Deel 8: de eigenlijke zakelijke rechten: erfdienstbaarheden ............................................................ 46
1.Wezenlijke kenmerken van erfdienstbaarheden ....................................................................... 46
2.Niet wezenlijke kenmerken van erfdienstbaarheden: ............................................................... 46
3.Erfdienstbaarheden gevestigd door de mens ............................................................................ 47
4.Uitoefenen van EDBH – Situatie titularis EDBH/heersend erf ................................................... 49
5.Uitoefenen van EDBH – Situatie eigenaar lijdend erf ................................................................ 50
6.Het tenietgaan van EDBH ........................................................................................................... 50
7.Het ontstaan van natuurlijke en wettelijke EDBH tot privaat en tot algemeen nut .................. 52
Deel 9: aanverwante rechtsfiguren ................................................................................................... 56
1.Bezit ............................................................................................................................................ 56
2.Dentie ......................................................................................................................................... 57
3.Daden van gedogen of vermogen .............................................................................................. 58
4.Precaire bezitting of bezit ter bede ............................................................................................ 58
5.Toe-eigening ............................................................................................................................... 58
6.Schatvinding: .............................................................................................................................. 59
7.Achtergelaten of verloren zaken ................................................................................................ 59
8.Zaakvorming ............................................................................................................................... 60
2
,Goederen en zekerhedenrecht
Algemene principes:
Onderscheid tussen zakelijke rechten en vorderingsrechten:
• Patrimoniale rechten: de zakelijke rechten, vorderingsrechten en intellectuele
rechten. Deze hebben pecuniaire waarde. -> kan je een bedrag op plakken.
• Extra-patrimoniale rechten: de persoonlijkheidsrechten en de familiale rechten. Deze
hebben geen pecuniaire waarde. -> datgene wat u niet in geld kan uitdrukken.
Familiaal recht: recht om te adopteren, trouwen,…
Persoonlijkheidsrechten: recht om u naam correct te schrijven, recht op
afbeelding (geen waarde op een foto kunnen plakken), je gegevens correct
verwerken,…
• De term “goederenrecht” is eigenlijk correcter dan “zakenrecht”: goed (= lichamelijk
en onlichamelijk) zaak (= lichamelijk). (vanaf de sleutel van het huis is gegeven,
ben je eigenaar: gaat over het voorwerp)
Verbintenissen verbonden aan de hoedanigheid van de eigenaar van het
goed (overdraagbaar) vs. verbintenissen verbonden aan de persoon van de
schuldenaar (in regel niet overdraagbaar) -> wie is SE en wie is SA: wie moet
wat doen, wie moet wat krijgen.
Louter formele benadering: zakelijke rechten worden erkend door de wetgever.
- Octrooi rechten: mogelijkheid om als enig bedrijf het product op de markt te brengen/te
produceren (bv. op u smartphone, vaccin,…) u bent marktleider.
Wat is goederenrecht?
Twee groepen:
• Eigenlijke zakelijke rechten of zakelijke hoofdrechten (eigendom, mede-eigendom,
vruchtgebruik, erfpacht, opstal, recht van gebruik, recht van bewoning, rechten van
de aangelanden van waterlopen en erfdienstbaarheden).
• Accessoire zakelijke rechten of zakelijke zekerheidsrechten (hypotheek en pand).
• Een zaak is enkel tastbaar, een goed kan tastbaar of niet tastbaar zijn (bv. aandelen) =
goederenrecht.
Numerus clausus-beginsel (= eigenlijke en zakelijke rechten). De partijen moeten bij het vestigen van
een zakelijk recht dus steeds de wezenlijke bestanddelen ervan respecteren. -> hetgeen wat de
wetgever heeft ingeschreven, is beperkt.
Zakelijk recht = recht dat iemand heeft op een bepaald goed.
4 kenmerken van alle zakelijke rechten en zekerheden:
1. Het volgrecht (ook sommige vorderingsrechten. Bv. huur – art. 1743 Oud BW). Verbonden
aan het voorwerp niet aan de persoon.
2. Het recht van voorrang: een faillissement, een voorrangsrecht: curator aanstellen: overzicht
maken van hoeveel geld je hebt en hoeveel schulden je hebt -> piramide, hoe hoger, hoe
3
, meer kans om alles te krijgen. Als u houder bent van een zakelijkrecht kan u het eruit halen,
u word voor andere SA betaald.
• Doorbreking van de regel van de pondspondsgewijze verdeling onder schuldeisers).
• Zakelijk recht voorrang op vorderingsrecht.
• Zakelijke rechten onderling: anterioriteitsregel.
- Volgrecht, je blijft het goed behouden, maakt niet uit in wie zijn handen het
is.
3. Het specialiteitsbeginsel. Individualisatie is steeds vereist. -> het goed moet ten alle tijden
identificeerbaar zijn, makkelijker met tastbare goederen.
4. Zakelijke subrogatie. -> auto brand af, je bent het kwijt en verzekeringspremie in de plaats:
het geld is in de plaats van het goed gekomen. Vruchtverbruik verplaats van auto naar
verzekeringspremie.
• Enkel titularis van het zakelijk recht.
• Oorspronkelijk object van het zakelijk recht gaat (juridisch of materieel) verloren.
• Oorspronkelijke object van het zakelijk recht wordt vervangen door een ander object
dat de waarde ervan vertegenwoordigt.
• Zowel het oorspronkelijke object als het in de plaats tredende object moeten steeds
individualiseerbaar zijn geweest.
• Subsidiaire rechtsfiguur.
Onderverdeling van goederen: algemeen
Vermogen
Activa Passiva
Zakelijke rechten
Persoonlijke rechten Verbintenissen/schuldvorderingen
Intellectuele rechten
Vermogen = alle in geld waardeerbare rechten en plichten die een persoon heeft.
Persoonlijke rechten= degene die lening geeft is SE en heeft persoonlijk recht t.o.v. mij.
Soorten goederen:
Roerend goed: hetgeen dat verplaatsbaar is. Moeten niet gepubliceerd worden (bv.
verkopen van je jas moet niet in een register staan).
Onroerend goed: alles dat niet verplaatsbaar is. Moeten gepubliceerd worden in de
register, worden rechtszekerheid in gezeten -> denken aan een notaris.
Verjaring: na x-aantal tijd kan u een recht claimen, 2 soorten verjaring:
Roerend: 10 jaar, makkelijker om in beslag te nemen.
Onroerend: 30 jaar, onroerende voorheffing is zwaarder als roerende goederen.
Moeilijker om (goederen) in beslag te nemen (rechter gaat minder snel akkoord
gaan).
Alle goederen zijn hetzij roerend, hetzij onroerend (artikel 3.46 Nieuw BW).
• Vroeger stond de verplaatsbaarheid van het goed centraal. Thans is dit toch enigszins
achterhaald.
4