Inhoud
Oefentoets 1........................................................................................................... 1
Oefenvragen Criminalistiek & Bewijswaardering (nieuw)....................................1
Antwoorden......................................................................................................... 4
Antwoorden met uitleg........................................................................................ 5
Oefentoets 2........................................................................................................... 8
Vragen (zonder antwoorden)............................................................................... 8
Antwoorden + Uitleg......................................................................................... 12
Oefentoets 3......................................................................................................... 14
Vragen............................................................................................................... 14
Uitgebreide uitleg en antwoorden.....................................................................16
Oefentoets 4......................................................................................................... 20
Vragen............................................................................................................... 20
Antwoorden en uitleg........................................................................................ 22
Oefentoets 1
Oefenvragen Criminalistiek & Bewijswaardering (nieuw)
1] Forensische wetenschap & criminalistiek
a) Criminalistiek richt zich primair op de interpretatie van fysiek bewijs.
b) Criminalistiek is een sociale wetenschap.
c) De interpretatieprincipes binnen de forensische wetenschap veranderen nauwelijks door
technologische ontwikkelingen.
d) Criminalistiek is volgens Kirk “de wetenschap van individualisatie”.
Antwoord:
2] Locard & klassieke principes
a) Het overdrachtsprincipe betekent dat elk contact noodzakelijkerwijs een spoor achterlaat.
b) Locard benadrukte dat overdracht in twee richtingen kan plaatsvinden.
c) Het uniciteitsprincipe geeft forensisch onderzoekers een harde basis voor categorische conclusies.
d) Volgens Inman & Rudin helpt “divisibility of matter” bij reconstructies wanneer onderdelen
dezelfde samenstelling hebben.
Antwoord:
3] Uniciteit & individualisatie
a) Uniciteit is logisch gegarandeerd maar wetenschappelijk irrelevant voor bronbepaling.
b) Twee objecten uit dezelfde bron kunnen variatie vertonen.
c) Individualisatie vereist dat alle alternatieve bronnen experimenteel worden uitgesloten.
,d) In de klassieke individualisatie speelt deduceren van een categorische conclusie een grote rol.
Antwoord:
4] Bertillon & vroege methoden
a) Bertillon ontwikkelde een betrouwbaar systeem om recidivisten te identificeren met
lichaamsmetingen.
b) Bertillons methode werd overbodig door de komst van vingerafdrukken.
c) Bertillon gebruikte zijn systeem ook om schrijvers van documenten kwantitatief te identificeren.
d) De methode van Buhmann is een moderne betrouwbare toepassing van het uniciteitsprincipe.
Antwoord:
5] Dactyloscopie & kritiek
a) Vingerafdrukken zijn categorisch uniek, dus identificaties zijn wetenschappelijk bewezen
conclusies.
b) De kritiek van Epstein richtte zich onder meer op het ontbreken van foutpercentages.
c) De numerieke standaard (12-puntenregel) heeft een solide wetenschappelijke basis.
d) Het NFI gebruikt geen vaste ondergrens bij WOVI-onderzoek.
Antwoord:
6] Deductie & inductie
a) Deductie leidt tot noodzakelijke conclusies wanneer premissen waar zijn.
b) Inductie leidt tot conclusies die probabilistisch zijn.
c) Inductie is in forensisch redeneren meestal onbruikbaar.
d) Deductie speelt bij traditionele individualisatie een belangrijke rol.
Antwoord:
7] Bayesiaans redeneren
a) De likelihood ratio beschrijft de sterkte van het bewijs.
b) De prior odds worden door de deskundige vastgesteld.
c) De LR = P(E | H1) / P(E | H2).
d) Posterior odds = prior odds × LR.
Antwoord:
8] Rol van de deskundige
a) De deskundige moet altijd binnen zijn eigen vakgebied blijven.
b) De deskundige rapporteert uitsluitend bewijskracht, niet de waarschijnlijkheid van hypothesen.
c) De deskundige kan categorisch vaststellen dat een verdachte de bron is.
d) De deskundige moet voorkomen dat hij dubbel telt bij verschillende gegevens.
Antwoord:
9] Conclusies & rapportage – Evett
, a) Rapportages moeten logisch correct zijn.
b) Evett stelt dat rapportages robuust moeten zijn.
c) Evett adviseert dat rapportages moeten vermelden of de verdachte de bron is.
d) Rapportages moeten evenwichtig zijn: beide hypothesen gelijkwaardig behandelen.
Antwoord:
10] Denkfouten
a) De prosecutor’s fallacy verwisselt P(H | E) met P(E | H).
b) De defense fallacy onderschat vaak de relevante daderpopulatie.
c) Transposed conditional betekent dat men naar bewijskracht kijkt in plaats van posterior odds.
d) Beide denkfouten leiden tot onjuiste uitspraken over hypothesewaarschijnlijkheden.
Antwoord:
11] Likelihood ratio en bewijsinterpretatie
a) De bewijskracht hangt af van ten minste twee concurrerende hypothesen.
b) Zonder alternatieve hypothese kan men geen zinvolle LR bepalen.
c) De bewijskracht hangt af van zowel prior odds als likelihood ratio.
d) De LR kan zowel kwalitatief als kwantitatief worden weergegeven.
Antwoord:
12] Vergelijkend onderzoek
a) De LR wordt bepaald door de vergelijking van de kans op de waarneming onder H1 versus H2.
b) Class characteristics kunnen nooit bijdragen aan een LR.
c) Een vergelijking kan alleen iets zeggen als men zowel overeenkomsten als verschillen beoordeelt.
d) Een LR kan ook subjectief worden ingeschat wanneer geen databronnen bestaan.
Antwoord:
13] Dactyloscopie – WOVI
a) De WOVI-methode laat minimumcriteria (zoals 12 kenmerken) volledig los.
b) Kern-delta-afstanden dragen bij aan bewijskracht.
c) Vingersporen kunnen altijd probabilistisch conclusies geven, ook uitsluiting.
d) Politie-dactyloscopie gebruikt dezelfde benadering als WOVI.
Antwoord:
14] Communicatieproblemen & recht
a) ‘Verschuilen’ houdt in dat juristen verlangen dat deskundigen een ja/nee-antwoord geven.
b) ‘Plunderen’ is het selectief citeren van gunstige onderdelen uit een rapport.
c) Het is correct dat rechters bepalen hoe wetenschappelijke methodes moeten werken.
d) Blind vertrouwen komt neer op het kritiekloos aannemen van deskundigenbevindingen.
Antwoord:
Oefentoets 1........................................................................................................... 1
Oefenvragen Criminalistiek & Bewijswaardering (nieuw)....................................1
Antwoorden......................................................................................................... 4
Antwoorden met uitleg........................................................................................ 5
Oefentoets 2........................................................................................................... 8
Vragen (zonder antwoorden)............................................................................... 8
Antwoorden + Uitleg......................................................................................... 12
Oefentoets 3......................................................................................................... 14
Vragen............................................................................................................... 14
Uitgebreide uitleg en antwoorden.....................................................................16
Oefentoets 4......................................................................................................... 20
Vragen............................................................................................................... 20
Antwoorden en uitleg........................................................................................ 22
Oefentoets 1
Oefenvragen Criminalistiek & Bewijswaardering (nieuw)
1] Forensische wetenschap & criminalistiek
a) Criminalistiek richt zich primair op de interpretatie van fysiek bewijs.
b) Criminalistiek is een sociale wetenschap.
c) De interpretatieprincipes binnen de forensische wetenschap veranderen nauwelijks door
technologische ontwikkelingen.
d) Criminalistiek is volgens Kirk “de wetenschap van individualisatie”.
Antwoord:
2] Locard & klassieke principes
a) Het overdrachtsprincipe betekent dat elk contact noodzakelijkerwijs een spoor achterlaat.
b) Locard benadrukte dat overdracht in twee richtingen kan plaatsvinden.
c) Het uniciteitsprincipe geeft forensisch onderzoekers een harde basis voor categorische conclusies.
d) Volgens Inman & Rudin helpt “divisibility of matter” bij reconstructies wanneer onderdelen
dezelfde samenstelling hebben.
Antwoord:
3] Uniciteit & individualisatie
a) Uniciteit is logisch gegarandeerd maar wetenschappelijk irrelevant voor bronbepaling.
b) Twee objecten uit dezelfde bron kunnen variatie vertonen.
c) Individualisatie vereist dat alle alternatieve bronnen experimenteel worden uitgesloten.
,d) In de klassieke individualisatie speelt deduceren van een categorische conclusie een grote rol.
Antwoord:
4] Bertillon & vroege methoden
a) Bertillon ontwikkelde een betrouwbaar systeem om recidivisten te identificeren met
lichaamsmetingen.
b) Bertillons methode werd overbodig door de komst van vingerafdrukken.
c) Bertillon gebruikte zijn systeem ook om schrijvers van documenten kwantitatief te identificeren.
d) De methode van Buhmann is een moderne betrouwbare toepassing van het uniciteitsprincipe.
Antwoord:
5] Dactyloscopie & kritiek
a) Vingerafdrukken zijn categorisch uniek, dus identificaties zijn wetenschappelijk bewezen
conclusies.
b) De kritiek van Epstein richtte zich onder meer op het ontbreken van foutpercentages.
c) De numerieke standaard (12-puntenregel) heeft een solide wetenschappelijke basis.
d) Het NFI gebruikt geen vaste ondergrens bij WOVI-onderzoek.
Antwoord:
6] Deductie & inductie
a) Deductie leidt tot noodzakelijke conclusies wanneer premissen waar zijn.
b) Inductie leidt tot conclusies die probabilistisch zijn.
c) Inductie is in forensisch redeneren meestal onbruikbaar.
d) Deductie speelt bij traditionele individualisatie een belangrijke rol.
Antwoord:
7] Bayesiaans redeneren
a) De likelihood ratio beschrijft de sterkte van het bewijs.
b) De prior odds worden door de deskundige vastgesteld.
c) De LR = P(E | H1) / P(E | H2).
d) Posterior odds = prior odds × LR.
Antwoord:
8] Rol van de deskundige
a) De deskundige moet altijd binnen zijn eigen vakgebied blijven.
b) De deskundige rapporteert uitsluitend bewijskracht, niet de waarschijnlijkheid van hypothesen.
c) De deskundige kan categorisch vaststellen dat een verdachte de bron is.
d) De deskundige moet voorkomen dat hij dubbel telt bij verschillende gegevens.
Antwoord:
9] Conclusies & rapportage – Evett
, a) Rapportages moeten logisch correct zijn.
b) Evett stelt dat rapportages robuust moeten zijn.
c) Evett adviseert dat rapportages moeten vermelden of de verdachte de bron is.
d) Rapportages moeten evenwichtig zijn: beide hypothesen gelijkwaardig behandelen.
Antwoord:
10] Denkfouten
a) De prosecutor’s fallacy verwisselt P(H | E) met P(E | H).
b) De defense fallacy onderschat vaak de relevante daderpopulatie.
c) Transposed conditional betekent dat men naar bewijskracht kijkt in plaats van posterior odds.
d) Beide denkfouten leiden tot onjuiste uitspraken over hypothesewaarschijnlijkheden.
Antwoord:
11] Likelihood ratio en bewijsinterpretatie
a) De bewijskracht hangt af van ten minste twee concurrerende hypothesen.
b) Zonder alternatieve hypothese kan men geen zinvolle LR bepalen.
c) De bewijskracht hangt af van zowel prior odds als likelihood ratio.
d) De LR kan zowel kwalitatief als kwantitatief worden weergegeven.
Antwoord:
12] Vergelijkend onderzoek
a) De LR wordt bepaald door de vergelijking van de kans op de waarneming onder H1 versus H2.
b) Class characteristics kunnen nooit bijdragen aan een LR.
c) Een vergelijking kan alleen iets zeggen als men zowel overeenkomsten als verschillen beoordeelt.
d) Een LR kan ook subjectief worden ingeschat wanneer geen databronnen bestaan.
Antwoord:
13] Dactyloscopie – WOVI
a) De WOVI-methode laat minimumcriteria (zoals 12 kenmerken) volledig los.
b) Kern-delta-afstanden dragen bij aan bewijskracht.
c) Vingersporen kunnen altijd probabilistisch conclusies geven, ook uitsluiting.
d) Politie-dactyloscopie gebruikt dezelfde benadering als WOVI.
Antwoord:
14] Communicatieproblemen & recht
a) ‘Verschuilen’ houdt in dat juristen verlangen dat deskundigen een ja/nee-antwoord geven.
b) ‘Plunderen’ is het selectief citeren van gunstige onderdelen uit een rapport.
c) Het is correct dat rechters bepalen hoe wetenschappelijke methodes moeten werken.
d) Blind vertrouwen komt neer op het kritiekloos aannemen van deskundigenbevindingen.
Antwoord: