Essay 6 | Institutionalisering van de regering in de periode
1150-1350
Rosenwein bespreekt het begrip ‘institutionalization of government’. Hiermee wordt bedoeld
dat de westerse politiek steeds meer op de Byzantijnse politiek is gaan lijken vanaf ongeveer
de twaalfde eeuw. De Byzantijnse politiek was namelijk veel onpersoonlijker en
bureaucratischer; hierbij hoort bijvoorbeeld het opstellen van nieuwe, algemene wetten en
het aanbrengen van structuur en centralisatie in het bestuur. Deze institutionalisatie kwam
vooral naar voren in Engeland, Frankrijk en het Duitse Rijk in de periode 1150 tot 1350.
In Engeland had Hendrik II voor meer structuur gezorgd door het rijk in te delen in
shires en er sheriffs i n te stellen. Deze sheriffs waren leenmannen die fiscale, militaire en
juridische taken voor Hendrik II uitvoerden, waardoor het Engelse besturingssysteem zelfs in
tijdelijke afwezigheid van de koning kon functioneren. Ook werd er een ‘common law’
opgesteld. Jan Zonder Land was de uiteindelijke opvolger van Hendrik II en had in een
oorlog tegen Frankrijk zoveel belasting geïnd bij de bevolking dat de adel de Magna Carta
hadden opgesteld in 1215, waardoor de macht van de koning aan banden werd gelegd en
de koning niet meer boven de wet kon staan. Hierdoor werd Engeland een constitutionele
monarchie.
In het Duitse Rijk was Frederik Barbarossa erg belangrijk. Onder zijn bestuur
bestond het Rijk uit verschillende losse staatjes die onderling samenwerkten maar niet een
Duitse eenheid vormden. Frederik Barbarossa onderhield loyale banden met de adel,
waardoor deze samenwerking toch mogelijk was. Frederik II, koning van Sicilië, had Sicilië
gecentraliseerd maar vond het Duitse Rijk goed genoeg functioneren zoals het was en heeft
het om die reden tot een federatie gemaakt.
In Frankrijk was Filip II koning. Filip maakte slim gebruik van feodaliteit en sacraliteit
in zijn bestuur. Ook had hij een goede samenwerking met de steden en de kerk waardoor
zijn macht en aanzien toenam. Lodewijk IX volgde hem op en zorgde voor meer bestuurlijke
hervormingen, zoals rechtspraak in parlementen en het instellen van ‘états’. In de veertiende
eeuw zou de Franse koning de machtigste zijn van heel Europa.
In conclusie werd Engeland een constitutionele monarchie, het Duitse Rijk een
federatie en Frankrijk een gecentraliseerde staat in de periode 1150 tot 1350.
1150-1350
Rosenwein bespreekt het begrip ‘institutionalization of government’. Hiermee wordt bedoeld
dat de westerse politiek steeds meer op de Byzantijnse politiek is gaan lijken vanaf ongeveer
de twaalfde eeuw. De Byzantijnse politiek was namelijk veel onpersoonlijker en
bureaucratischer; hierbij hoort bijvoorbeeld het opstellen van nieuwe, algemene wetten en
het aanbrengen van structuur en centralisatie in het bestuur. Deze institutionalisatie kwam
vooral naar voren in Engeland, Frankrijk en het Duitse Rijk in de periode 1150 tot 1350.
In Engeland had Hendrik II voor meer structuur gezorgd door het rijk in te delen in
shires en er sheriffs i n te stellen. Deze sheriffs waren leenmannen die fiscale, militaire en
juridische taken voor Hendrik II uitvoerden, waardoor het Engelse besturingssysteem zelfs in
tijdelijke afwezigheid van de koning kon functioneren. Ook werd er een ‘common law’
opgesteld. Jan Zonder Land was de uiteindelijke opvolger van Hendrik II en had in een
oorlog tegen Frankrijk zoveel belasting geïnd bij de bevolking dat de adel de Magna Carta
hadden opgesteld in 1215, waardoor de macht van de koning aan banden werd gelegd en
de koning niet meer boven de wet kon staan. Hierdoor werd Engeland een constitutionele
monarchie.
In het Duitse Rijk was Frederik Barbarossa erg belangrijk. Onder zijn bestuur
bestond het Rijk uit verschillende losse staatjes die onderling samenwerkten maar niet een
Duitse eenheid vormden. Frederik Barbarossa onderhield loyale banden met de adel,
waardoor deze samenwerking toch mogelijk was. Frederik II, koning van Sicilië, had Sicilië
gecentraliseerd maar vond het Duitse Rijk goed genoeg functioneren zoals het was en heeft
het om die reden tot een federatie gemaakt.
In Frankrijk was Filip II koning. Filip maakte slim gebruik van feodaliteit en sacraliteit
in zijn bestuur. Ook had hij een goede samenwerking met de steden en de kerk waardoor
zijn macht en aanzien toenam. Lodewijk IX volgde hem op en zorgde voor meer bestuurlijke
hervormingen, zoals rechtspraak in parlementen en het instellen van ‘états’. In de veertiende
eeuw zou de Franse koning de machtigste zijn van heel Europa.
In conclusie werd Engeland een constitutionele monarchie, het Duitse Rijk een
federatie en Frankrijk een gecentraliseerde staat in de periode 1150 tot 1350.