Onderzoeksvaardigheden
HOOFDSTUK 1
Fundamenteel/ theoriegericht onderzoek
Doel: nieuwe algemene kennis verwerven = kennisvermeerdering
Bv. Daderprofielen, criminaliteitsfenomenen, ziektebeelden,…
Gericht op beschrijven, begrijpen, verklaren en voorspellen van verschijnselen
Belang van theoretische inzichten (= basis van praktijkgericht onderzoek)
Geen direct maatschappelijk nut (kan wel het geval zijn)
Toegepast/ praktijkgericht onderzoek
Doel: verkrijgen van kennis om verschijnselen in de werkelijkheid te beïnvloeden en te
veranderen.
Vraag komt vanuit praktijk bv. Organisatie, overheid,…
Bv. Behandelingsprogramma evalueren van hoe ga je om met personen met een
posttraumatische stressstoornis
Toepassing theoretische kennis (verkregen uit fund amenteel/ theoriegericht
onderzoek
Actieonderzoek
Beide types moeten op wetenschappelijk verantwoorde wijze uitgevoerd te worden
Wetenschappelijke kennis =/ alledaagse kennis
Wetenschappelijke onderzoekers:
- Voldoende theoretische inzichten zijn om vaststellingen te interpreteren.
- Opbouw van onderzoek volgt logisch en transparant stappenplan (onderzoeksproces)
- Moeten zich houden aan strikte regels om kwaliteit (betrouwbaarheid en geldigheid)
van onderzoek te waarborgen.
,Soorten onderzoeken:
- Kwantitatief vs. Kwalitatief
- Cross-sectioneel vs. Longitudinaal
- (Longitudinaal:) trendonderzoek vs. Panelonderzoek
- Retrospectief vs. Prospectief
Wetenschappelijke eisen onderzoek:
- Empirisch
- Onafhankelijk
- Betrouwbaar
- Valide (geldig)
Empirisch:
- Controleerbaar en toetsbaar (falsifieerbaar)
Bv. ‘God bestaat’ vs. ‘mensen zijn geloviger dan vroeger’
- Empirische cyclus
o Samenspel inductie en deductie
o Verbindingen tussen theorieën (ideeën) en empirische werkelijkheid (data).
o Deductief redeneren: algemene theorie -> specifieke gegevens
o Inductief: specifieke gegevens (waarneming) -> algemene theoretische
afspraken (verklaring waarneming/ hypothese)
o Cyclisch: inductie en deductie wisselen elkaar af
Deze wetmatigheden zijn in sociale wetenschappen probabilistisch
= waarschijnlijk, de kans is groot dat het fenomeen zich voordoet, geen absolute zekerheid
(geen deterministische wetmatigheid)
,Onafhankelijkheid en objectief:
- Onafhankelijkheid van opdrachtgever
- Onafhankelijk van onderzoeker
o Onderzoek niet in bepaalde richting sturen, opletten voor suggestieve vragen,
resultaten niet in bepaalde richting sturen
o Geen persoonlijke voordelen/ belangvermenging
Bv. Onderzoek naar statiegeld op PMD
Betrouwbaarheid (exactheid):
- Exactheid= dezelfde of gelijkaardige resultaten bij herhaling
- Herhalen onderzoek
o Jij of andere onderzoeker
o Bij dezelfde/ gelijkaardige doelgroep
- Afwezigheid van toevallige fouten -> betrouwbare resultaten zijn resultaten die niet
toevallig zijn
- Hoe meer toevallige fouten, hoe onbetrouwbaarder
- Hoe meer eenheden, hoe betrouwbaarder -> omvang
- In alle fasen kan betrouwbaarheid op helling staan`
- Vooral belangrijk in kwantitatief onderzoek
- Aldus nauwkeurigheid!
Validiteit/ geldigheid:
- Meet onderzoek wat het zou moeten meten?
- Vermijden van systematische fouten -> vertekening (bias)
Bv. Sociaal wenselijke antwoorden
- Herverwerking onderzoeksontwerp nodig om fouten te vermijden
- Interne (OZ zelf, methodologisch) versus externe validiteit (veralgemeenbaar)
, Ethische eisen:
- Recht op informatie (soms pas achteraf, soms misleiding)
- Vrijwilligheid
- Anonimiteit en vertrouwelijkheid
Praktische eisen:
- Efficiënt en budgetvriendelijk
- Resultaten bruikbaar, zeker bij praktijkgericht onderzoek
Onderzoeksproces: fasen in een onderzoek
Onderzoeksplan (literatuurstudie/ themaverkenning):
1. Probleemstelling
2. Onderzoeksontwerp
3. dataverzameling
4. data-analyse
5. rapportage
Dan weer opnieuw beginnen
Op wetenschappelijke verantwoorde wijze
HOOFDSTUK 2
Probleemstelling:
HOOFDSTUK 1
Fundamenteel/ theoriegericht onderzoek
Doel: nieuwe algemene kennis verwerven = kennisvermeerdering
Bv. Daderprofielen, criminaliteitsfenomenen, ziektebeelden,…
Gericht op beschrijven, begrijpen, verklaren en voorspellen van verschijnselen
Belang van theoretische inzichten (= basis van praktijkgericht onderzoek)
Geen direct maatschappelijk nut (kan wel het geval zijn)
Toegepast/ praktijkgericht onderzoek
Doel: verkrijgen van kennis om verschijnselen in de werkelijkheid te beïnvloeden en te
veranderen.
Vraag komt vanuit praktijk bv. Organisatie, overheid,…
Bv. Behandelingsprogramma evalueren van hoe ga je om met personen met een
posttraumatische stressstoornis
Toepassing theoretische kennis (verkregen uit fund amenteel/ theoriegericht
onderzoek
Actieonderzoek
Beide types moeten op wetenschappelijk verantwoorde wijze uitgevoerd te worden
Wetenschappelijke kennis =/ alledaagse kennis
Wetenschappelijke onderzoekers:
- Voldoende theoretische inzichten zijn om vaststellingen te interpreteren.
- Opbouw van onderzoek volgt logisch en transparant stappenplan (onderzoeksproces)
- Moeten zich houden aan strikte regels om kwaliteit (betrouwbaarheid en geldigheid)
van onderzoek te waarborgen.
,Soorten onderzoeken:
- Kwantitatief vs. Kwalitatief
- Cross-sectioneel vs. Longitudinaal
- (Longitudinaal:) trendonderzoek vs. Panelonderzoek
- Retrospectief vs. Prospectief
Wetenschappelijke eisen onderzoek:
- Empirisch
- Onafhankelijk
- Betrouwbaar
- Valide (geldig)
Empirisch:
- Controleerbaar en toetsbaar (falsifieerbaar)
Bv. ‘God bestaat’ vs. ‘mensen zijn geloviger dan vroeger’
- Empirische cyclus
o Samenspel inductie en deductie
o Verbindingen tussen theorieën (ideeën) en empirische werkelijkheid (data).
o Deductief redeneren: algemene theorie -> specifieke gegevens
o Inductief: specifieke gegevens (waarneming) -> algemene theoretische
afspraken (verklaring waarneming/ hypothese)
o Cyclisch: inductie en deductie wisselen elkaar af
Deze wetmatigheden zijn in sociale wetenschappen probabilistisch
= waarschijnlijk, de kans is groot dat het fenomeen zich voordoet, geen absolute zekerheid
(geen deterministische wetmatigheid)
,Onafhankelijkheid en objectief:
- Onafhankelijkheid van opdrachtgever
- Onafhankelijk van onderzoeker
o Onderzoek niet in bepaalde richting sturen, opletten voor suggestieve vragen,
resultaten niet in bepaalde richting sturen
o Geen persoonlijke voordelen/ belangvermenging
Bv. Onderzoek naar statiegeld op PMD
Betrouwbaarheid (exactheid):
- Exactheid= dezelfde of gelijkaardige resultaten bij herhaling
- Herhalen onderzoek
o Jij of andere onderzoeker
o Bij dezelfde/ gelijkaardige doelgroep
- Afwezigheid van toevallige fouten -> betrouwbare resultaten zijn resultaten die niet
toevallig zijn
- Hoe meer toevallige fouten, hoe onbetrouwbaarder
- Hoe meer eenheden, hoe betrouwbaarder -> omvang
- In alle fasen kan betrouwbaarheid op helling staan`
- Vooral belangrijk in kwantitatief onderzoek
- Aldus nauwkeurigheid!
Validiteit/ geldigheid:
- Meet onderzoek wat het zou moeten meten?
- Vermijden van systematische fouten -> vertekening (bias)
Bv. Sociaal wenselijke antwoorden
- Herverwerking onderzoeksontwerp nodig om fouten te vermijden
- Interne (OZ zelf, methodologisch) versus externe validiteit (veralgemeenbaar)
, Ethische eisen:
- Recht op informatie (soms pas achteraf, soms misleiding)
- Vrijwilligheid
- Anonimiteit en vertrouwelijkheid
Praktische eisen:
- Efficiënt en budgetvriendelijk
- Resultaten bruikbaar, zeker bij praktijkgericht onderzoek
Onderzoeksproces: fasen in een onderzoek
Onderzoeksplan (literatuurstudie/ themaverkenning):
1. Probleemstelling
2. Onderzoeksontwerp
3. dataverzameling
4. data-analyse
5. rapportage
Dan weer opnieuw beginnen
Op wetenschappelijke verantwoorde wijze
HOOFDSTUK 2
Probleemstelling: