SAMENVATTING HOOFDSTUK 2: HET MARKTMECHANISME
1. INLEIDENDE CASES
Case 1: De evolutie van de voedselprijzen 2006-2024
Tussen ’11 en ’20 geen hoge stijging
Stijgt door verhogingen van prijzen zoals de olieprijs (of energieprijzen)
Voedselprijzen variëren sterk (= typisch)
Mensen kopen in wanneer het goedkoper is voor winst te maken wanneer
de prijs duurder is
Case 2: Het uitsterven van de beeldbuistelevisie
Nu allemaal platte schermen i.p.v. grote dikke schermen
In begin zeer duur maar door veel eraan te gaan werken (technisch) is dit
snel goedkoper geworden
Flatscreens: eerste evenwicht (A1
met V1) niet veel verkoop + prijs hoog
Dan V1 wordt V2: meer vraag dus meer aanbod: A1 – A2 – A3
IDEM uitleg voor beeldbuistelevisies
2. INLEIDING
De prijs is een aanduiding of een product het goed doet in de markt of niet
aanvraag kan dan verschuiven (MARKT IS BELANGRIJKE ROL IN
MODERNE ECONOMIE)
Marktprijs is niet alleen de productiekost (waarom schilderij van Da Vinci
duurder dan dat van mij?)
Marktprijs is ook niet hoger als de gebruikswaarde hoger is (water is niet
duurder dan goud)
, Om marktwerking beter te begrijpen gaan we uit van 4 hypothesen:
o Verhandelde product is homogeen (geen verschil tussen
producenten)
o Groot aantal aanbieders + groot aantal vragers
o Vrije toegang tot markt & vrije uittreding
o Vragers + aanbieders hebben perfecte informatie
Deze 4 in een markt = zuivere of perfecte concurrentie (komt weinig
voor)
In werkelijkheid niet mogelijk
3. DE MARKTVRAAG
3.1. Definitie
MARKTVRAAG = totale hoeveelheid die alle consumenten samen bereid
zijn te kopen, rekening houdend met de prijs, hun inkomen enz.
Belangrijk: gaat over gewenste hoeveelheden (niet feitelijke)
(Werkelijke aankopen = uitkomst v/d marktwerking)
Factoren v/d vraag naar goed:
o Prijs
o Inkomen
o Smaak & voorkeur
o Prijzen van andere goederen
Complementaire goederen (auto’s en benzine, pc’s en software)
Substituten (margarine en boter, koffie en thee)
o Aantal consumenten (positief of negatief)
o Andere factoren (weer, reclame…)
Sommige kopen nu in zodat het goedkoper uitkomt (intertemporele
substitutie)
3.2. Grafische voorstelling van de vraag
Hoe duurder de prijs hoe minder vraag:
Prijs
Hoeveelhe
id
1. INLEIDENDE CASES
Case 1: De evolutie van de voedselprijzen 2006-2024
Tussen ’11 en ’20 geen hoge stijging
Stijgt door verhogingen van prijzen zoals de olieprijs (of energieprijzen)
Voedselprijzen variëren sterk (= typisch)
Mensen kopen in wanneer het goedkoper is voor winst te maken wanneer
de prijs duurder is
Case 2: Het uitsterven van de beeldbuistelevisie
Nu allemaal platte schermen i.p.v. grote dikke schermen
In begin zeer duur maar door veel eraan te gaan werken (technisch) is dit
snel goedkoper geworden
Flatscreens: eerste evenwicht (A1
met V1) niet veel verkoop + prijs hoog
Dan V1 wordt V2: meer vraag dus meer aanbod: A1 – A2 – A3
IDEM uitleg voor beeldbuistelevisies
2. INLEIDING
De prijs is een aanduiding of een product het goed doet in de markt of niet
aanvraag kan dan verschuiven (MARKT IS BELANGRIJKE ROL IN
MODERNE ECONOMIE)
Marktprijs is niet alleen de productiekost (waarom schilderij van Da Vinci
duurder dan dat van mij?)
Marktprijs is ook niet hoger als de gebruikswaarde hoger is (water is niet
duurder dan goud)
, Om marktwerking beter te begrijpen gaan we uit van 4 hypothesen:
o Verhandelde product is homogeen (geen verschil tussen
producenten)
o Groot aantal aanbieders + groot aantal vragers
o Vrije toegang tot markt & vrije uittreding
o Vragers + aanbieders hebben perfecte informatie
Deze 4 in een markt = zuivere of perfecte concurrentie (komt weinig
voor)
In werkelijkheid niet mogelijk
3. DE MARKTVRAAG
3.1. Definitie
MARKTVRAAG = totale hoeveelheid die alle consumenten samen bereid
zijn te kopen, rekening houdend met de prijs, hun inkomen enz.
Belangrijk: gaat over gewenste hoeveelheden (niet feitelijke)
(Werkelijke aankopen = uitkomst v/d marktwerking)
Factoren v/d vraag naar goed:
o Prijs
o Inkomen
o Smaak & voorkeur
o Prijzen van andere goederen
Complementaire goederen (auto’s en benzine, pc’s en software)
Substituten (margarine en boter, koffie en thee)
o Aantal consumenten (positief of negatief)
o Andere factoren (weer, reclame…)
Sommige kopen nu in zodat het goedkoper uitkomt (intertemporele
substitutie)
3.2. Grafische voorstelling van de vraag
Hoe duurder de prijs hoe minder vraag:
Prijs
Hoeveelhe
id