Samenvatting CST: Meertaligheid
Inleidende begrippen
Simultane meertaligheid: vanaf de geboorte worden twee of meerder talen aangeboden
aan het kind
OPOL-principe: mama spreekt Spaans met het kind, papa spreekt Nederlands
(= One Person, One Language)
OSOL-principe: mama spreekt Turks, in het gezin spreken de Nederlands
(= One Situation, One Language)
Taaldominantie: doordat de taal langer/ vaker gesproken wordt, zal deze ook beter beheerst
zijn en dus dominant
Communicatieve noodzaak: als het kind naar school haat, zal het de taal die daar wordt
gesproken moeten leren en beheersen
Shift in de taaldominantie: de taal die dominant is, wisselt naar een andere taal
Taalverlies/ attritie/ subtractieve tweetaligheid: je beheerst de taal minder en minder door
hem minder vaak te spreken, je ‘verliest’ de taal
Asymmetrische conversatie/ non-converging dialoog: de ouder stelt een vraag in het
Spaans, het kind antwoordt in het Nederlands
Actieve tweetaligheid: beide talen blijven vaak gesproken worden
Meertalige identiteit: de gevoelswaarde bij de talen, welke taal het liefste wordt gesproken
Successieve meertaligheid: de tweede taal wordt pas aangeboden als de eerste taal is
verworden
Stille periode: na contact met een tweede taal, wordt er een periode helemaal niet
gesproken door het kind
Passieve meertaligheid: je hoort de tweede taal, maar spreekt of begrijpt het niet
CAT-/ CALP-taalgebruik: je kent enkel een paar academische of schoolse woorden uit de
tweede taal
DAT-/ BICS-taalgebruik: je spreekt in het dagelijkse leven met de tweede taal, maar spreekt
in een thuissituatie/ over emoties nog steeds in de dominante taal
Inleidende begrippen
Simultane meertaligheid: vanaf de geboorte worden twee of meerder talen aangeboden
aan het kind
OPOL-principe: mama spreekt Spaans met het kind, papa spreekt Nederlands
(= One Person, One Language)
OSOL-principe: mama spreekt Turks, in het gezin spreken de Nederlands
(= One Situation, One Language)
Taaldominantie: doordat de taal langer/ vaker gesproken wordt, zal deze ook beter beheerst
zijn en dus dominant
Communicatieve noodzaak: als het kind naar school haat, zal het de taal die daar wordt
gesproken moeten leren en beheersen
Shift in de taaldominantie: de taal die dominant is, wisselt naar een andere taal
Taalverlies/ attritie/ subtractieve tweetaligheid: je beheerst de taal minder en minder door
hem minder vaak te spreken, je ‘verliest’ de taal
Asymmetrische conversatie/ non-converging dialoog: de ouder stelt een vraag in het
Spaans, het kind antwoordt in het Nederlands
Actieve tweetaligheid: beide talen blijven vaak gesproken worden
Meertalige identiteit: de gevoelswaarde bij de talen, welke taal het liefste wordt gesproken
Successieve meertaligheid: de tweede taal wordt pas aangeboden als de eerste taal is
verworden
Stille periode: na contact met een tweede taal, wordt er een periode helemaal niet
gesproken door het kind
Passieve meertaligheid: je hoort de tweede taal, maar spreekt of begrijpt het niet
CAT-/ CALP-taalgebruik: je kent enkel een paar academische of schoolse woorden uit de
tweede taal
DAT-/ BICS-taalgebruik: je spreekt in het dagelijkse leven met de tweede taal, maar spreekt
in een thuissituatie/ over emoties nog steeds in de dominante taal