Leerstof taak 8
Hs 41.
Hormonen
- Hormonen zijn controlestoffen die in een daartoe gespecialiseerd weefsel of orgaan worden
gevormd en op andere weefsels een uiterst specifieke invloed uitoefenen.
- Hormonale controle gaat langzaam.
- Hoofdzakelijk endocrien; maar ook autocrien en paracrien.
- Hormonen komen overal, maar werken alleen daar waar receptoren voor het betreffende
hormoon zitten.
Manieren van signalering
Pracriene signalering → Een signaalcel werkt op nabij gelegen
doelcellen door moleculen of een lokale regulator uit te scheiden.
, synaptische signalering→ een zenuwcel laat neurotransmitters los
is een synapse. Dit stimuleert de doelcel, zoals een spier of een
andere zenuwcel.
Lange afstandssignalering → Gespecialiseerde endocriene
cellen scheiden hormonen uit in lichaamsvloeistoffen, vaak
bloed. Hormonen bereiken de meeste lichaamscellen, maar
worden gebonden aan en werken op maar een bepaald aantal
cellen.
3 fases van cel signalering
1. Receptie → ontvangen,
waarnemen. De cel detecteert het
signaalmolecuul.
2. Transductie →
vertaling/verwerking/omzetting.
Hierbij wordt een signaal van buiten
de cel omgezet naar een vorm die
reacties kan laten plaatsvinden
binnen de cel.
3. Respons → er vindt een
specifieke cellulaire activiteit plaats.
Sensorische processen
Sensorische processen: stimuli → vorm van energie → verandert een membraanpotentiaal → er
ontstaat (eventueel) een actiepotentiaal in het CZS (schakelcellen) → motorische zenuwcellen
worden aangestuurd → spieren worden aangestuurd.
Wanneer een stimulus verwerkt wordt door het zenuwstelsel, kunnen er verschillende dingen
gebeuren.
- Er ontstaat een geen actiepotentiaal, er vindt dus geen respons plaats.
- Er ontstaat een actiepotentiaal, dit wordt omgezet in een reflex.
, - Er ontstaat een actiepotentiaal, dit wordt omgezet in een respons.
Er zijn vier onderdelen van de sensorische reactiepaden:
- Sensorische receptie → de detectie van een
prikkel/stimuli door een sensorische cel.
o Sensorische neuronen kunnen verspreid
of samen zitten in een sensorisch orgaan.
o Sensorische is een andere term voor een
sensorische cel of orgaan. Er zijn
receptoren die stimuli van buiten het
lichaam (chemicaliën, warmte, druk,
licht, etc) opvangen en er zijn receptoren
die stimuli vanbinnen het lichaam
opvangen (zoals lichaamsdruk en
lichaamspositie).
o Sensorische receptoren hebben niet zo
veel stimuli nodig om ionkanalen in de
zenuwcellen te openen en te sluiten.
- Transductie → de omzetting van de energie van een prikkel/stimuli in een verandering in de
membraanpotentiaal van een sensorische receptorcel. De receptorpotentiaal verandert dus.
- Transmissie → sensorische informatie verplaatst zich door het CZS.
o Er zijn twee verschillende soorten sensorische receptoren: neurale receptoren (een
neuron dat direct in contact staat met het CZS) en non-neuronale receptoren (een
neuron dat niet direct in contact staat met het CZS, maar neurotransmitters afgeeft
aan een neuron dat dat wel staat).
o Een sensorische receptor ontvangt een stimuli. Als deze stimuli heftiger wordt, wordt
het actiepotentiaal niet groter, maar wordt het actiepotentiaal vaker afgegeven.
- Perceptie → de interpretatie door de hersenen.
o Kleuren, geluiden, geuren en smaak zijn interpretaties van de hersenen en kunnen
verschillen per individu.
o Licht in het oog en trillingen in het oor zorgen beide voor een actiepotentiaal. Het
verschil wordt gemaakt in de hersenen doordat deze actiepotentialen naar
verschillende neuronen worden gestuurd, namelijk neuronen die specifiek zijn voor
deze stimuli.
Hs 41.
Hormonen
- Hormonen zijn controlestoffen die in een daartoe gespecialiseerd weefsel of orgaan worden
gevormd en op andere weefsels een uiterst specifieke invloed uitoefenen.
- Hormonale controle gaat langzaam.
- Hoofdzakelijk endocrien; maar ook autocrien en paracrien.
- Hormonen komen overal, maar werken alleen daar waar receptoren voor het betreffende
hormoon zitten.
Manieren van signalering
Pracriene signalering → Een signaalcel werkt op nabij gelegen
doelcellen door moleculen of een lokale regulator uit te scheiden.
, synaptische signalering→ een zenuwcel laat neurotransmitters los
is een synapse. Dit stimuleert de doelcel, zoals een spier of een
andere zenuwcel.
Lange afstandssignalering → Gespecialiseerde endocriene
cellen scheiden hormonen uit in lichaamsvloeistoffen, vaak
bloed. Hormonen bereiken de meeste lichaamscellen, maar
worden gebonden aan en werken op maar een bepaald aantal
cellen.
3 fases van cel signalering
1. Receptie → ontvangen,
waarnemen. De cel detecteert het
signaalmolecuul.
2. Transductie →
vertaling/verwerking/omzetting.
Hierbij wordt een signaal van buiten
de cel omgezet naar een vorm die
reacties kan laten plaatsvinden
binnen de cel.
3. Respons → er vindt een
specifieke cellulaire activiteit plaats.
Sensorische processen
Sensorische processen: stimuli → vorm van energie → verandert een membraanpotentiaal → er
ontstaat (eventueel) een actiepotentiaal in het CZS (schakelcellen) → motorische zenuwcellen
worden aangestuurd → spieren worden aangestuurd.
Wanneer een stimulus verwerkt wordt door het zenuwstelsel, kunnen er verschillende dingen
gebeuren.
- Er ontstaat een geen actiepotentiaal, er vindt dus geen respons plaats.
- Er ontstaat een actiepotentiaal, dit wordt omgezet in een reflex.
, - Er ontstaat een actiepotentiaal, dit wordt omgezet in een respons.
Er zijn vier onderdelen van de sensorische reactiepaden:
- Sensorische receptie → de detectie van een
prikkel/stimuli door een sensorische cel.
o Sensorische neuronen kunnen verspreid
of samen zitten in een sensorisch orgaan.
o Sensorische is een andere term voor een
sensorische cel of orgaan. Er zijn
receptoren die stimuli van buiten het
lichaam (chemicaliën, warmte, druk,
licht, etc) opvangen en er zijn receptoren
die stimuli vanbinnen het lichaam
opvangen (zoals lichaamsdruk en
lichaamspositie).
o Sensorische receptoren hebben niet zo
veel stimuli nodig om ionkanalen in de
zenuwcellen te openen en te sluiten.
- Transductie → de omzetting van de energie van een prikkel/stimuli in een verandering in de
membraanpotentiaal van een sensorische receptorcel. De receptorpotentiaal verandert dus.
- Transmissie → sensorische informatie verplaatst zich door het CZS.
o Er zijn twee verschillende soorten sensorische receptoren: neurale receptoren (een
neuron dat direct in contact staat met het CZS) en non-neuronale receptoren (een
neuron dat niet direct in contact staat met het CZS, maar neurotransmitters afgeeft
aan een neuron dat dat wel staat).
o Een sensorische receptor ontvangt een stimuli. Als deze stimuli heftiger wordt, wordt
het actiepotentiaal niet groter, maar wordt het actiepotentiaal vaker afgegeven.
- Perceptie → de interpretatie door de hersenen.
o Kleuren, geluiden, geuren en smaak zijn interpretaties van de hersenen en kunnen
verschillen per individu.
o Licht in het oog en trillingen in het oor zorgen beide voor een actiepotentiaal. Het
verschil wordt gemaakt in de hersenen doordat deze actiepotentialen naar
verschillende neuronen worden gestuurd, namelijk neuronen die specifiek zijn voor
deze stimuli.