CW: OPENVRAGEN OPGELOST
ALGEMEEN HISTOLOGIE
EPITHEEL
1) Bespreek de verschillende bestanddelen van een epitheelcel. Beschrijf de specifieke karakteristieken van respectievelijk de apicale en
basolaterale celdomeinen.
Cel polariteit: epitheelcellen zijn gepolariseerd en hebben drie verschillende domeinen: apicaal, basaal en lateraal
Apicale domein => is de zijde van de cel die naar het lumen (buitenwereld) gericht is en vaak gespecialiseerd is met
structuren zoals:
Microvilli -> oppervlaktevergroting van apicale celmembraan (staafjeszoom)
Stereocilia -> erg lange microvilli -> bewegelijker (slechter ontwikkelde actine)
Cilia -> maken gecoördineerde slagbewegingen. Bevat een axonema -> centraal doublet van microtubuli met 9x
doubletten rondom
Flagellen -> enkel bij spermatozoa
Basale domein => dit is de zijde van de cel die op het basaal membraan rust. Het basale membraan bestaat uit de lamina
basalis (onderverdeeld in lamina densa en lamina lucida) en de lamina reticularis
Basaal membraan: dis membraan scheid het epitheel van onderliggend bindweefsel en is essentieel voor de
structurele ondersteuning en filtratie
Hemidesmosomen: dit zijn structuren waarmee de basale zijde van epitheelcellen aan het basale membraan is
vastgehecht
Laterale domein => dit is de zijde van de cel die aan aangegrensde cellen grenst en bevat verschillende soorten
intercellulaire verbindingen
Occludensverbindingen: afsluiten van intercellulaire ruimten
Zonula occludens of tight junctions
Adhaerensverbindingen: aanhechting
Zonula adhaerens
Macula adhaerens of desmosomen
Nexusverbindingen: communicatie
= > dus basale domein en het laterale domein vormen samen het basolaterale domein !
Cytoskelet:
Keratine eiwitten geproduceerd in alle epithelen
Kunnen keratine-filamenten vormen (=intermediaire filamenten)
Extracellulaire matrix (ECM) hoewel epitheelcelen zelf weinig ECM hebben, is de aanwezigheid van het basale membraan
cruciaal voor de scheiding en ondersteuning van epitheelcellen van onderliggend bindweefsel
Celkern
2) Geef een verantwoorde indeling van de bedekkende epithelen. Bespreek kort hun microscopische structuur en illustreer telkens met
een voorbeeld in een orgaan.
1-lagige: alle cellen steunen op het basaal membraan
Eenlagig plaveisel epitheel => zeer afgeplatte cellen -> het endotheel van bloedvaten
Eenlagig kubisch epitheel => cellen hebben een kubische vorm -> nierbuisjes
Eenlagig cilindrisch epitheel => cellen hebben een cilindrische vorm -> darm
Pseudomeerlagig epitheel = > is 1-lagig maar kernen op verschillend niveaus -> epitheel van de luchtwegen
Meerlagig plaveiselepitheel => bestaat uit meerder lagen, met afgeplatte celen aan het oppervlak -> huidepitheel
Verhoornd: de bovenste cellaag bestaat uit dode cellen, er zijn geen celkernen meer aanwezig -> huid
Onverhoornd: bovenste cel laag heeft nog levende cellen, de cellen hebben dus nog een kern -> mond, slokdarm
1
Open vragen CW
, 2-lagig kubisch of cilindrisch -> grote afvoerkanalen van zweet- en speekselklieren
Meerlagig overgangsepitheel => het is uittrekbaar, bovenste laag bestaat uit paraplucellen -> urineblaas of urinewegen
urotheel
Stratum basale
Stratum intermedium -> rust op de lamina basalis
Stratum superficiale -> bevat paraplucellen -> die een crusta hebben -> beschermt de epitheelcellen van de zure
hypertonische urine (dus voorkomt dat de epitheelcellen urine willen opnemen)
3) Benoem de verschillende lagen van een meerlagig verhoornd plaveiselepitheel. Bespreek de theoretische achtergrond van deze
opbouw. – al gevraagd
Stratum basale: bestaat uit stamcellen die constant delen(= basale vervangcel), duwen hierdoor bovenliggende cellagen naar
het oppervlak toe
Stratum spinosum:
Tonofilamenten = keratine georganiseerd in keratinefilamenten
Tonofibrillen = filamenten bundelen samen tot keratinefibrillen
Verbonden met desmosomen -> intercellulaire verbindingen
Spina komt van de stekeltjes die men ziet onder de microscoop
Stratum granulosum:
Keratohyaliene korrels
Levende cellen
Membrane-coating granules = odland bodies -> hebben een zeer lipide rijke inhoud -> vetlaagje -> op dit laagje stoppen
alle voedingstoffen, alle bovenliggende lagen zullen dood zijn!
(Stratum lucidum: enkel bij zeer dikke huid !)
Stratum corneum: geen celkernen meer in terug te vinden
Cellen volledig gevuld met keratinefilamenten, wel nog met elkaar verbonden via desmosomen
Cornified enveloppe = een dichte ondoordringbare laag voor water en voedingstoffen -> gevormd door corneocyten (=
epitheelcellen gevuld met keratine)
(Stratum disjunctum: schilfers van de huid)
4) Bespreek de opbouw van een meerlagig onverhoornd plaveiselepitheel en geef de verschillen met een verhoornd meerlagig
plaveiselepitheel.
Heeft dezelfde basis lagen: stratum basale, stratum spinosum
Heeft geen stratum granulosum en corneum -> heeft in de plaats een stratum superficiale -> buitenste cellaag leeft nog
Zijn vaak natte oppervlaktes: mond, slokdarm, vagina,…
5) Bespreek de indeling van de klierepithelen.
Indeling op basis van ontstaanswijze: we maken onderscheid tussen endocriene en exocriene
Exocriene klieren ontstaan door proliferatie en uitstulping van het bedekkend epitheel in het onderliggend bindweefsel -> deze
klieren houden via afvoergangen contact met het epitheel.
Endocriene klieren ontstaan ook door afdaling van epitheelcellen in bindweefsel, maar deze cellen verliezen het contact met het
epitheel -> ze hebben geen afvoergangen en het secreet wordt afgegeven aan de bloedbaan
Gemende klieren -> zowel een exocrien als endocrien gedeelte -> pancreas
Endocrien: eilandjes van Langerhans
Exocrien: samengesteld acinaire klierdeeltjes
Indeling op basis van bouw:
Bij meercellige exocriene klieren krijgen we een indeling p basis van vorm van het secretoir gedeelte (= kliercelgroep).
Kliercelgroepen kunnen tubulair (=buisvormig) of acinair (=trosvormig) zijn. Enkele voorbeelden
Enkelvoudig tubulair = maag en darm
Enkelvoudig gewonden tubulair = zweetklieren
Enkelvoudig vertakt tubulair = pylorus
Enkelvoudig vertakt acinair = talgklier
Samengesteld tubulair = lever
2
Open vragen CW
, Samengesteld tubulo-ascinair = speekselklier
Samengesteld ascinair -> pancreas
Samengesteld alveolair -> melkklier
Indeling op basis van type secreet:
Sereus: waterachtig vocht dat eiwit rijk is
Ronde celkernen met veel euchromatine
Uitgebreid RER en GA
Muceus: suikerrijk secreet
Platte weggedrukte kern
Grootte secretie granullen
Vetachtig
Indeling op basis van de wijze waarop secretieproducten de cel verlaten
Merocriene secretiewijze
Meest voorkomend -> continue secreet mogelijk
Secretieproduct is relatief klein
Granula worden uitgescheiden aan apicale kant celmembraan => proces is vergelijkbaar met exocytose
Cellen worden niet beschadigt
Holocriene secretiewijze
Verzamelen secretieproduct in cel cytoplasma -> cellen barsten open en sterven af
Cellen gaan mee op in het secretieproduct
Apocriene secretiewijze
Kliercellen verzamelen secreetproduct -> deel van de cel en het secreet worden afgesnoerd -> celmembraan
herstelt zich snel
BIN DWEEFS EL
6) Bespreek de drie componenten van de extracellulaire matrix van bindweefsels.
Grondsubstantie: viskeuze structuur dat ervoor zorgt dat micro-organisme moeilijker er doorheen
kunnen migreren, bestaat uit:
Proteoglycanen bestaan uit centrale eiwitketens met hierop gebonden glycosaminiglycanen (GAG
zijn polysachariden, zijn hydrofiel -> suiker moleculen zijn negatief geladen -> trekt kationen aan ->
dat dan weer H+ aantrekt
Hyaluronzuur bindt de proteoglycanen op zich zodat er grootte aggregaten gevormd worden -> dit
zorgt voor de viskeuze structuur
Glycoproteïne is een complex van voornamelijk eiwitten en weinig koolhydraten -> spelen een rol
bij interacties tussen cellen en de hechting van cellen aan vezels of andere componenten van de
extracellulaire matrix
Bindweefselvezels -> eiwitvezels
Collageen
Reticulaire vezels -> collageen type III
Elastische vezels
Weefselvloeistof
Zorgt voor aanvoer van voedingstoffen en afvoer van afvalstoffen
7) Bespreek de verschillende vezeltypen die voorkomen in bindweefsels.
3
Open vragen CW
ALGEMEEN HISTOLOGIE
EPITHEEL
1) Bespreek de verschillende bestanddelen van een epitheelcel. Beschrijf de specifieke karakteristieken van respectievelijk de apicale en
basolaterale celdomeinen.
Cel polariteit: epitheelcellen zijn gepolariseerd en hebben drie verschillende domeinen: apicaal, basaal en lateraal
Apicale domein => is de zijde van de cel die naar het lumen (buitenwereld) gericht is en vaak gespecialiseerd is met
structuren zoals:
Microvilli -> oppervlaktevergroting van apicale celmembraan (staafjeszoom)
Stereocilia -> erg lange microvilli -> bewegelijker (slechter ontwikkelde actine)
Cilia -> maken gecoördineerde slagbewegingen. Bevat een axonema -> centraal doublet van microtubuli met 9x
doubletten rondom
Flagellen -> enkel bij spermatozoa
Basale domein => dit is de zijde van de cel die op het basaal membraan rust. Het basale membraan bestaat uit de lamina
basalis (onderverdeeld in lamina densa en lamina lucida) en de lamina reticularis
Basaal membraan: dis membraan scheid het epitheel van onderliggend bindweefsel en is essentieel voor de
structurele ondersteuning en filtratie
Hemidesmosomen: dit zijn structuren waarmee de basale zijde van epitheelcellen aan het basale membraan is
vastgehecht
Laterale domein => dit is de zijde van de cel die aan aangegrensde cellen grenst en bevat verschillende soorten
intercellulaire verbindingen
Occludensverbindingen: afsluiten van intercellulaire ruimten
Zonula occludens of tight junctions
Adhaerensverbindingen: aanhechting
Zonula adhaerens
Macula adhaerens of desmosomen
Nexusverbindingen: communicatie
= > dus basale domein en het laterale domein vormen samen het basolaterale domein !
Cytoskelet:
Keratine eiwitten geproduceerd in alle epithelen
Kunnen keratine-filamenten vormen (=intermediaire filamenten)
Extracellulaire matrix (ECM) hoewel epitheelcelen zelf weinig ECM hebben, is de aanwezigheid van het basale membraan
cruciaal voor de scheiding en ondersteuning van epitheelcellen van onderliggend bindweefsel
Celkern
2) Geef een verantwoorde indeling van de bedekkende epithelen. Bespreek kort hun microscopische structuur en illustreer telkens met
een voorbeeld in een orgaan.
1-lagige: alle cellen steunen op het basaal membraan
Eenlagig plaveisel epitheel => zeer afgeplatte cellen -> het endotheel van bloedvaten
Eenlagig kubisch epitheel => cellen hebben een kubische vorm -> nierbuisjes
Eenlagig cilindrisch epitheel => cellen hebben een cilindrische vorm -> darm
Pseudomeerlagig epitheel = > is 1-lagig maar kernen op verschillend niveaus -> epitheel van de luchtwegen
Meerlagig plaveiselepitheel => bestaat uit meerder lagen, met afgeplatte celen aan het oppervlak -> huidepitheel
Verhoornd: de bovenste cellaag bestaat uit dode cellen, er zijn geen celkernen meer aanwezig -> huid
Onverhoornd: bovenste cel laag heeft nog levende cellen, de cellen hebben dus nog een kern -> mond, slokdarm
1
Open vragen CW
, 2-lagig kubisch of cilindrisch -> grote afvoerkanalen van zweet- en speekselklieren
Meerlagig overgangsepitheel => het is uittrekbaar, bovenste laag bestaat uit paraplucellen -> urineblaas of urinewegen
urotheel
Stratum basale
Stratum intermedium -> rust op de lamina basalis
Stratum superficiale -> bevat paraplucellen -> die een crusta hebben -> beschermt de epitheelcellen van de zure
hypertonische urine (dus voorkomt dat de epitheelcellen urine willen opnemen)
3) Benoem de verschillende lagen van een meerlagig verhoornd plaveiselepitheel. Bespreek de theoretische achtergrond van deze
opbouw. – al gevraagd
Stratum basale: bestaat uit stamcellen die constant delen(= basale vervangcel), duwen hierdoor bovenliggende cellagen naar
het oppervlak toe
Stratum spinosum:
Tonofilamenten = keratine georganiseerd in keratinefilamenten
Tonofibrillen = filamenten bundelen samen tot keratinefibrillen
Verbonden met desmosomen -> intercellulaire verbindingen
Spina komt van de stekeltjes die men ziet onder de microscoop
Stratum granulosum:
Keratohyaliene korrels
Levende cellen
Membrane-coating granules = odland bodies -> hebben een zeer lipide rijke inhoud -> vetlaagje -> op dit laagje stoppen
alle voedingstoffen, alle bovenliggende lagen zullen dood zijn!
(Stratum lucidum: enkel bij zeer dikke huid !)
Stratum corneum: geen celkernen meer in terug te vinden
Cellen volledig gevuld met keratinefilamenten, wel nog met elkaar verbonden via desmosomen
Cornified enveloppe = een dichte ondoordringbare laag voor water en voedingstoffen -> gevormd door corneocyten (=
epitheelcellen gevuld met keratine)
(Stratum disjunctum: schilfers van de huid)
4) Bespreek de opbouw van een meerlagig onverhoornd plaveiselepitheel en geef de verschillen met een verhoornd meerlagig
plaveiselepitheel.
Heeft dezelfde basis lagen: stratum basale, stratum spinosum
Heeft geen stratum granulosum en corneum -> heeft in de plaats een stratum superficiale -> buitenste cellaag leeft nog
Zijn vaak natte oppervlaktes: mond, slokdarm, vagina,…
5) Bespreek de indeling van de klierepithelen.
Indeling op basis van ontstaanswijze: we maken onderscheid tussen endocriene en exocriene
Exocriene klieren ontstaan door proliferatie en uitstulping van het bedekkend epitheel in het onderliggend bindweefsel -> deze
klieren houden via afvoergangen contact met het epitheel.
Endocriene klieren ontstaan ook door afdaling van epitheelcellen in bindweefsel, maar deze cellen verliezen het contact met het
epitheel -> ze hebben geen afvoergangen en het secreet wordt afgegeven aan de bloedbaan
Gemende klieren -> zowel een exocrien als endocrien gedeelte -> pancreas
Endocrien: eilandjes van Langerhans
Exocrien: samengesteld acinaire klierdeeltjes
Indeling op basis van bouw:
Bij meercellige exocriene klieren krijgen we een indeling p basis van vorm van het secretoir gedeelte (= kliercelgroep).
Kliercelgroepen kunnen tubulair (=buisvormig) of acinair (=trosvormig) zijn. Enkele voorbeelden
Enkelvoudig tubulair = maag en darm
Enkelvoudig gewonden tubulair = zweetklieren
Enkelvoudig vertakt tubulair = pylorus
Enkelvoudig vertakt acinair = talgklier
Samengesteld tubulair = lever
2
Open vragen CW
, Samengesteld tubulo-ascinair = speekselklier
Samengesteld ascinair -> pancreas
Samengesteld alveolair -> melkklier
Indeling op basis van type secreet:
Sereus: waterachtig vocht dat eiwit rijk is
Ronde celkernen met veel euchromatine
Uitgebreid RER en GA
Muceus: suikerrijk secreet
Platte weggedrukte kern
Grootte secretie granullen
Vetachtig
Indeling op basis van de wijze waarop secretieproducten de cel verlaten
Merocriene secretiewijze
Meest voorkomend -> continue secreet mogelijk
Secretieproduct is relatief klein
Granula worden uitgescheiden aan apicale kant celmembraan => proces is vergelijkbaar met exocytose
Cellen worden niet beschadigt
Holocriene secretiewijze
Verzamelen secretieproduct in cel cytoplasma -> cellen barsten open en sterven af
Cellen gaan mee op in het secretieproduct
Apocriene secretiewijze
Kliercellen verzamelen secreetproduct -> deel van de cel en het secreet worden afgesnoerd -> celmembraan
herstelt zich snel
BIN DWEEFS EL
6) Bespreek de drie componenten van de extracellulaire matrix van bindweefsels.
Grondsubstantie: viskeuze structuur dat ervoor zorgt dat micro-organisme moeilijker er doorheen
kunnen migreren, bestaat uit:
Proteoglycanen bestaan uit centrale eiwitketens met hierop gebonden glycosaminiglycanen (GAG
zijn polysachariden, zijn hydrofiel -> suiker moleculen zijn negatief geladen -> trekt kationen aan ->
dat dan weer H+ aantrekt
Hyaluronzuur bindt de proteoglycanen op zich zodat er grootte aggregaten gevormd worden -> dit
zorgt voor de viskeuze structuur
Glycoproteïne is een complex van voornamelijk eiwitten en weinig koolhydraten -> spelen een rol
bij interacties tussen cellen en de hechting van cellen aan vezels of andere componenten van de
extracellulaire matrix
Bindweefselvezels -> eiwitvezels
Collageen
Reticulaire vezels -> collageen type III
Elastische vezels
Weefselvloeistof
Zorgt voor aanvoer van voedingstoffen en afvoer van afvalstoffen
7) Bespreek de verschillende vezeltypen die voorkomen in bindweefsels.
3
Open vragen CW