Micro-organismen:
- Bacteriën à de opbouw van een bacterie bestaat uit een
ribosoom, celwand, fimbriae, DNA (ligt los in de cel, zonder een
celkern) en een flagellum (hierdoor beweegt de bacterie soepel)
- Virussen à de opbouw van een virus bestaat uit een stukje DNA of
RNA, dat altijd omgegeven is door een eiwitmantel. Ze kunnen niet
zoals bacteriën zichzelf voortplanten (ze hebben geen
stofwisseling). Hiervoor hebben ze een gastheercel nodig. Een
virus wordt hierdoor ook wel een parasiet genoemd
DNA-virus:
- Het genetisch materiaal van een DNA-virus bestaat uit
dubbelstrengs DNA
- Het DNA wordt in de cel omgezet door transcriptie (DNA wordt
omgezet naar RNA) en vervolgens door translatie (RNA wordt
gebruikt om nieuwe virus proteïnen (eiwitten die door een virus
worden gemaakt om zichzelf te kunnen vermenigvuldigen en zich
door het lichaam te verspreiden) te maken)
RNA-virus:
- Het genetisch materiaal van een RNA-virus bestaat uit
enkelstrengs RNA
- Wanneer het virus in een cel komt, wordt het RNA gebruikt om via
transcriptie en translatie nieuwe virusdeeltjes te maken.
- Transcriptie = het RNA wordt omgezet in een kopie die door de
cel gebruikt kan worden
- Translatie = de cel maakt nieuwe virus proteïnen (eiwitten die
door een virus worden gemaakt om zichzelf te kunnen
vermenigvuldigen en zich door het lichaam te verspreiden) op
basis van het RNA
,Bacteriën:
Antibiotica = ze werken specifiek tegen bacteriën. Ze doden de bacterie
direct of remmen hun groei en voortplanting. Dit geeft het immuunsysteem
de kans om de overgebleven bacteriën gemakkelijker op te ruimen
Hoe werkt antibiotica tegen bacteriën:
Antibiotica grijpt in op ‘4 zwakke plekken’ van een bacterie
1. DNA-synthese à bacteriën hebben hun eigen DNA, dat essentieel is
voor hun groei en vermenigvuldiging. Sommige antibiotica grijpen aan
op enzymen die nodig zijn om DNA te kopiëren. Zonder deze enzymen
kunnen bacteriën geen nieuw DNA aanmaken, waardoor ze zich niet
kunnen delen en uiteindelijk afsterven.
2. Celwand à De celwand geeft bacteriën hun stevigheid en beschermt
ze tegen de omgeving. De celwand van een bacterie bestaat uit een
peptidoglycaan laag. De peptidoglycaan laag is stabiel wanneer er
crosslinks tussen zitten. Er is een enzym genaamd transpeptidase,
die de reactie katalyseert waar er crosslinks gevormd worden. Een
antibioticum bindt aan de transpeptidase, waardoor er
geencrosslinks meer gevormd worden en waardoor de celwand
verzwakt. Hierdoor kunnen bacteriën niet meer groeien en gaan ze
soms ook dood. Deze methode werkt vooral goed bij grampositieve
bacteriën omdat deze een dikkere peptidoglycaanlaag hebben
3. Bacterie stofwisseling à bacteriën maken hun eigen foliumzuur
aan, wat essentieel is voor de aanmaak van DNA.Foliumzuur is nodig
om de bouwstenen van DNA aan te maken (genaamd nucleotiden)
Antibiotica remmen de enzymen die nodig zijn voor de
foliumzuurproductie. Zonder foliumzuur kunnen bacteriën geen
nieuw DNA aanmaken, waardoor de bacterie stopt met groeien en
delen
4. Eiwitsynthese à Bacteriën hebben eiwitten te nodig om te
overleven. Ze zijn namelijk essentieel voor een organisme. Antibiotica
kunnen de vertaling van RNA naar eiwitten remmen door de
bacteriële ribosomen (ze transleren het RNA naar eiwitten) te
blokkeren. Hierdoor kan de bacterie geen essentiële eiwitten meer
, maken. Zonder deze eiwitten stopt de groei van de bacterie of sterft
deze af
Prokaryoot en eukaryoot:
Prokaryoot = ze hebben geen celkern, het DNA ligt los in de cel (een
bacterie.)
Eukaryoot = hebben wel een celkern waarin het DNA zich bevindt (planten,
dieren en schimmels.)
Kenmerken van een bacterie:
- Celwand
- Vorm
- Zuurstofbehoefte
Celwand:
Op basis van de eigenschap van de celwand, kan de bacterie ingedeeld
worden in 2 soorten. Namelijk grampositieve bacterie en gramnegatieve
bacterie.
Grampositieve bacterie = heeft een dikke peptidoglycanlaag aan de
buitenkant. Hier reageert de gramkleuring op. De bacterie wordt hierdoor
donkerpaars van kleur
Gramnegatieve bacterie = heeft een dunne peptiodoglycanlaag aan de
binnenkant. Hier reageert de gramkleuring minder snel op. De bacterie
wordt hierdoor lichter van kleur
, Vorm:
Er zijn grampositieven coccen en gramnegatieve staven. De vorm zit hem
vaak in de naam. Coccen zijn bijvoorbeeld altijd bolvormig.
Zuurstofbehoefte
Je hebt aerobe bacteriën en anaerobe bacteriën.
Aerobe bacteriën = er is zuurstof nodig voor de bacterie om te overleven
Anaerobe bacteriën = ze hebben geen zuurstof nodig om te overleven.
Wat factoren bepalen of je wel of geen infectie ontwikkelt (factor virulentie):
1. Hoe goed werkt je afweersysteem op het moment dat een bacterie je
lichaam binnendringt.
2. Gezondheidstoestand van de mens op dat moment
3. Hoeveel pathogenen (ziekteverwekkers) krijg je binnen op dat
moment
4. Wat zijn de eigenschappen van de pathogenen; hoe agressief zijn ze.
Problemen die kunnen optreden bij het afweersysteem:
- Een infectie = het wordt veroorzaakt door een ziekteverwekker
zoals bacteriën, virussen of schimmels die het lichaam
binnendringen. Het immuunsysteem vecht tegen deze indringers.
Voorbeeld à verkoudheid door een virus
- Een allergie = het immuunsysteem reageert overdreven op een
onschuldige stof, zoals pollen, voedsel of stof. Dit veroorzaakt
klachten, maar er is geen echte ‘ziekteverwekker.’
Voorbeeld à hooikoorts door pollen
- Auto-immuniteit = het immuunsysteem valt per ongeluk gezonde
lichaamscellen aan, omdat het deze als ‘vijand’ ziet.
Voorbeeld à reuma, waarbij het immuunsysteem gewrichten
aanvalt.