Handels-‐
en
economisch
recht
Handels-‐
en
economisch
recht
3de
bachelor
rechten
academiejaar
2011-‐2012
Prof.
Dr.
G.
Straetmans
,2
Handels-‐
en
economisch
recht
I.
AANKNOPINGSPUNTEN
ECONOMISCH
RECHT
1. Algemeen
A. Begripsbepaling
economisch
recht
Economisch
recht
volgens
traditionele
opvatting
is
het
handelsrecht:
het
recht
van
de
handelaars.
‘De
rechtsregelen
die
de
verhoudingen
tss
de
handelaars
(met
inbegrip
van
industriëlen
en
financiers)
beheersen’.
<-‐>
Burgerlijk
recht:
je
zet
handelaars
af
tov
het
burgerlijk
recht
(niet-‐handelaars)
=
‘Gemeen
privaatrecht
dat
betrekkingen
regelt
tss
particulieren
die
geen
handelaar
zijn
of
niet
in
die
hoedanigheid
optreden.’
<-‐>
Economisch
recht:
en
je
zet
handelaars
af
tav
het
economisch
recht
(publiek
recht)
(recht
door
overheid
uitgevaardigd
om
markt
te
ordenen)
=
‘Deel
van
het
publiek
recht
dat
betrekkingen
regelt
tss
overheid
en
bedrijfsleven.’
Kritiek
op
beide
fronten:
in
weze
zijn
het
niet
handelaars
op
zich
die
bepalen
wat
my
produceert,
maar
kern
van
onze
ec
zijn
ondernemingen:
zij
bepalen
wie,
wat,
waar,
hoeveel
er
wordt
geproduceerd.
Anderzijds
merken
we
ook
dat
overheid
ingrijpt
in
wat
ondernemingen
kunnen
doen.
Dus
het
publiekrecht
afzonderen
uit
het
economisch
recht
is
zinloos,
want
ondernemingen
zijn
gebonden
aan
regels
door
overheid
uitgevaardigd
(bv.
kartelrecht).
Dus:
dit
brengt
ons
tot
begrip
ondernemingsrecht
dat
veel
ruimer
is!
Dit
is
het
economisch
recht
in
ruime
zin.
2
pijlers:
ondernemingsrecht
én
marktrecht.
Het
omvat
ook
financieel
recht
en
economisch
recht
(maar
dit
behandelen
we
niet).
B. Beknopte
historische
schets
van
het
handelsrecht
a) Traditioneel
zegt
men
dat
de
eerste
weergave
van
het
handelsrecht
gebeurde
onder
het
bewind
van
koning
Hamurabi
in
het
oude
Babylon.
Hij
liet
aantal
rechtsregels
optekenen
in
een
basaltsteen
!
Codex
Hamurabi
b) Ook
het
Romeins
recht
heeft
een
grote
invloed
gehad.
Hier
werd
geen
onderscheid
gemaakt
tss
handels-‐
en
burgerlijk
recht.
Je
had
een
burgerlijk
recht
die
dus
ook
handelsproblemen
trachtte
op
te
lossen.
c) Middeleeuwen:
kruistochten,
contact
met
andere
gebieden.
Dan
stelde
er
zich
grotere
problemen.
Romeins
recht
was
niet
in
staat
om
deze
problemen
op
te
lossen.
Er
ontstaan
corporaties,
gilden,…
Handelaars
die
zich
gaan
verenigen
en
die
eigen
rechtsregels
opstellen.
Hier
krijg
je
een
‘subjectief
handelsrecht’,
elke
vereniging
gaat
een
eigen
handelsrecht
uitwerken.
,3
Handels-‐
en
economisch
recht
d) Franse
Revolutie
(1789):
Universele
Verklaring
van
de
rechten
van
de
mens.
Dit
staat
haaks
op
die
privileges
in
die
gilden
en
corporaties.
Iedereen
is
vrij
om
een
beroep
of
ambacht
uit
te
oefenen
zoals
men
dit
wil.
Gilden
en
beroepscorporaties
worden
afgeschaft,
subjectief
handelsrecht
bestaat
niet
meer.
Ook
rechtbanken
die
die
gilden
en
corporaties
waren
werden
afgeschaft.
Hoe
wordt
het
opgelost?
Men
gaat
het
handelsrecht
objectief
interpreteren:
niet
meer
gekoppeld
aan
een
bepaalde
klasse.
e) Hoe?
Wb.
Kh
van
1807.
Colbert
tekende
rechtsregels
op.
Deze
ordonnanties
(Ordonnances
van
Colbert)
dienden
als
basis
voor
het
W.
Kh.
van
1807.
" Art.
1:
handelaar
is
hij
die
daden
van
koophandel
stelt.
" Art.
3:
somt
daden
van
koophandel
op.
Maar:
in
de
praktijk
werkte
dit
subjectief
handelsrecht
nog
door,
waardoor
je
combinatie
hebt
van
subjectief
en
objectief.
Wie
spreekt
recht?
Rechtbanken
van
koophandel
werden
bevoegd
gemaakt
voor
geschillen
mbt
daden
van
koophandel,
voor
iedereen!
Dus
niet
enkel
voor
handelaars.
Dwz
dat
het
handelsrecht
een
brede
focus
krijgt.
Ook
bevoegd
voor
geschillen
tss
handelaars,
fabrikanten
en
financiers.
- (!)
Wat
gebeurt
er
in
België?
Men
gaat
het
W.
Kh
herzien.
In
ons
nieuw
W.
Kh
(zoals
nu
geldt)
staat
er
definitie
van
kooplieden
die
niet
meer
verwijst
naar
die
bredere
groep
van
handelaars,
fabrikanten
en
bankiers,
maar
gaat
men
daden
van
koophandel
restrictief
interpreteren.
Men
gaat
handelsrecht
zeer
restrictief
invullen.
Hierdoor
ontstaat
in
de
praktijk
snel
de
vraag
om
dit
te
verruimen,
zodat
iedereen
die
de
markt
betreedt
aan
dezelfde
regels
onderworpen
wordt.
Daarom
nu
dus
evolutie
naar
‘onderneming’.
2. Bijzonder
A. Daden
van
koophandel
- Art.
2
W.
Kh.:
limitatieve
lijst
van
daden
van
koophandel.
- Subjectief
element:
verwijst
naar
ingesteldheid
van
handelaar,
en
ook
een
objectief
element
van
de
daden
van
koophandel.
- Een
handelaar
is
pas
handelaar
wnn
hij
van
het
stellen
van
daden
van
koophandel
zijn
beroep
maakt
en
dit
doet
vanuit
een
winstoogmerk
in
de
zin
van
een
speculatieve
winst,
profijt,
winstbejag
(bv.
een
vrij
beroep
is
geen
handelaar,
streeft
geen
winst
na
!
dit
is
nu
wel
achterhaald,
maar
is
wel
de
achtergrond)
als
verwijzing
naar
de
subjectieve
ingesteldheid
van
de
natuurlijke
persoon.
- HvC
1973
‘Pastoorsarrest’
Pastoor
wenste
voor
zijn
parochianen
een
zwembad
in
te
richten.
Men
kende
een
aannemer
die
dit
wilde
doen,
en
hij
bouwt
zwembad.
Zwembad
wordt
ingehuldigd,
maar
scheur
in
zwembad.
Aannemer
stuurt
toch
factuur
naar
pastoor,
maar
die
wil
niet
betalen.
Pastoor
wordt
gedaagd
voor
rechtbank
,4
Handels-‐
en
economisch
recht
van
kh.
obv
art.
2,
lid
6
W.Kh:
verrichten
van
ondernemingen
van
openbare
schouwspelen:
aannemer
zegt
dat
pastoor
daad
van
koophandel
stelt
obv
dit
art,
nl.
‘het
uitbaten
van
een
zwembad’.
Aannemer
zegt
dat
pastoor
handelaar
is
omdat
hij
daad
van
koophandel
stelt.
Pastoor
zegt
dat
hij
geen
winst
wil
maken.
Aannemer
zegt
dat
het
doel
geen
persoonlijke
winst
is,
maar
dat
je
wel
oogmerk
hebt.
HvC:
pastoor
ontbeert
(=mist)
winstoogmerk.
Sindsdien
heeft
het
HvC
dit
nooit
als
criterium
voor
handelaars
afgeschaft,
dus
is
nog
steeds
een
criterium
dat
voor
HvC
wordt
gebonden
aan
daden
van
koophandel,
nl.
het
subjectieve
winstoogmerk.
!
Een
handelaar
heeft
dus
het
subjectieve
winstoogmerk!!
- Een
handeling
stel
je
op
zich
en
die
is
een
daad
van
koophandel
(afzonderlijk:
objectieve
daad
van
koophandel).
Of
een
handeling
is
een
daad
van
koophandel
als
een
onderneming
dit
stelt
(geheel
van
afzonderlijke
handelingen:
onderneming).
Een
onderneming:
het
is
meer
dan
een
organisatie
van
persoonlijk
werk
(bv.
uw
huis
schilderen).
Hiermee
ben
je
geen
handelaar.
Want:
je
betreedt
de
markt
niet.
!
Lijst
art.
2:
grote
2-‐deling.
Geïsoleerde
activiteiten,
en
handelingen
die
pas
als
onderneming
een
daad
van
koophandel
zijn.
" Lid
1:
bv.
concessiewetgeving
" Lid
2
" Lid
3:
enige
daad
van
koophandel
die
een
voorbereidende
daad
is.
" Lid
7
" Lid
8:
activiteiten
van
een
wisselagent
en
ook
bijkomstige
activiteiten
=
Geïsoleerde
handelingen
" Lid
4:
de
zuivere
extractie
op
zich
is
geen
daad
van
koophandel,
het
gaat
om
halen
van
grondstoffen
en
die
ook
bewerken
(bv.
steenbakkerij
wel,
maar
bv.
steenkoolmijn
niet,
want
haalt
louter
steenkool
boven
en
bewerkt
het
niet).
Uitzondering:
landbouwers
zijn
geen
handelaars.
" Lid
5:
bv.
uitbaten
van
crematoria
" Lid
6:
Ondernemingen
van
leveringen
bv.
uitbaten
van
restaurant,
tankstation,…
Premieverzekeringen:
verzekeringen
waarvoor
je
premie
betaalt,
en
als
risico
zich
voordoet
dan
zal
my
bedrag
uitbetalen.
Onderlinge
verzekeringen
vallen
niet
onder
daden
van
koophandel,
dit
wil
zeggen
dat
persoon
A
zich
mee
zal
verzekeren
met
persoon
B
en
omgekeerd
(principe
van
solidariteit:
je
gaat
risico’s
poolen).
Deze
mutualiteitsverzekeringen
vallen
buiten
het
handelaarsbegrip.
"Lid
9:
verschil
met
lid
5
is
dat
het
hier
niet
gaat
in
opdracht
van
bouwheer.
=
Ondernemingen
,5
Handels-‐
en
economisch
recht
Lid
11:
wisselbrief,…
zuivere
daden
van
koophandel
(naar
vorm)
1
daad
van
koophandel
waar
het
subjectief
element
niet
speelt.
Alle
order-‐
en
toonderpapieren.
Bv.
wisselbrief.
- Subjectieve
daden
van
koophandel:
iemand
die
handelaar
is
stelt
ook
handelingen
die
niet
op
lijst
voorkomen.
Dit
zijn
ook
daden
van
koophandel
tenzij
hij
bewijst
dat
dit
niet
in
uitoefening
van
zijn
handelsactiviteit
is.
Dus:
weerlegbaar
vermoeden.
Bv.
Wnn
handelaar
in
uitoefening
van
zijn
handelsactiviteit
een
ongeval
heeft,
dan
staat
die
onrechtmatige
daad
niet
in
de
lijst
van
daden
van
kh.
maar
is
het
een
subjectieve
daad
van
koophandel.
Het
is
dan
de
rechter
die
moet
beoordelen.
Men
gaat
feiten
afwegen
of
de
activiteit
nu
al
dan
niet
verband
houdt
met
de
handel.
- Beroepsmatig
karakter
- Hoofdzakelijk
of
aanvullend
beroep
- Wie
zijn
geen
handelaar
in
de
zin
van
W.Kh.?
2
criteria:
buiten
limitatieve
lijst
en
zij
die
daden
van
koophandel
stellen
zonder
winstoogmerk.
" Bv.
VZW,
want
hebben
geen
winstoogmerk.
Kunnen
VZW
dan
geen
daden
van
koophandel
stellen?
Jawel,
zij
kunnen
dit
wel,
op
voorwaarde
dat
die
ondergeschikt
is
aan
hun
doel
en
nog
een
paar
voorwaarden
(zie
cursus!)
- Art.
2bis:
is
een
uitloper
van
de
zorg
om
de
vrije
beroepsbeoefenaars
zoveel
mogelijk
uit
het
handelsrecht
te
houden.
Magistrale
bereidingen
vallen
buiten
de
lijst.
Gedachte
wetgever:
wnn
verkoop
van
producten
verband
houdt
met
beroep
van
apotheker,
dat
het
dan
geen
handelaar
is
(bv.
medicijnen
verkopen).
Wat
in
het
verlengde
ligt
van
het
beroep
van
apotheker
is
een
burgerlijke
activiteit.
Dus
bv.
een
apotheker
die
tandenborstels
verkoopt
is
een
burgerlijke
activiteit.
Maar
wnn
hij
bv.
luxeparfums
verkoopt,
of
sportkledij,
dan
niet
meer
in
verlengde
van
zijn
activiteit
als
apotheker,
en
dan
wrs
wel
handelsactiviteit.
- Art.
3
verwijst
naar
daden
van
koophandel
mbt
de
zeehandel.
Lectuur:
‘Het
ondernemingsbegrip
in
het
mededingingsrecht
(kartelrecht)
en
in
de
Wet
van
6
april
2010
betreffende
marktpraktijken
en
consumentenbescherming’
!
Zie
onderaan
p.
57
e.v.!
B. Onderneming
in
zin
wet
marktpraktijken
Zie
verder:
SV
vanaf
p.
18!
, 6
Handels-‐
en
economisch
recht
C. Onderneming
in
zin
kartelrecht
(cursus
p.
49
–
dia’s
p.
17,
nr.
99-‐105)
§1.
Functioneel
en
ruim
ondernemingsbegrip
Art.
101
VWEU:
afspraken
tss
ondernemingen,
onderlinge
afgestemde
feitelijke
gedragingen
zijn
verboden
wnn
die
tot
gevolg
hebben
dat
mededingingsbeperkingen
op
de
markt
ontstaan.
!
België
heeft
deze
bepaling
omgezet
in
nationale
wetgeving,
letterlijk.
Enige
verschil
in
toepassing
is
de
markt.
Nl.
de
Belgische
markt.
De
Europese
Commissie
bekijkt
dit
voor
de
Europese
markt.
Dit
is
het
wezenlijke
verschil:
de
markt.
Nagaan
waarop
dit
kartelrecht
van
toepassing
is.
Daarom
weten
wat
we
verstaan
onder
het
begrip
‘onderneming’.
Hiervoor
terugvallen
op
RS
van
HvJ,
want
in
art.
101
VWEU
wordt
geen
def.
gegeven
van
onderneming.
Höfner
en
Elser
(RS-‐bundel
p.
5)
Arrest
van
HvJ
waar
‘onderneming’
wordt
gedefinieerd.
- ‘Ongeacht
rechtsvorm’:
dus
vzw
is
een
onderneming
(maar
geen
handelaar).
- ‘Ongeacht
de
wijze
waarop
ze
wordt
gefinancierd’:
dus
ook
ondernemingen
die
volledig
worden
gefinancierd
door
de
overheid.
=
ruim
en
functioneel
begrip
Commissie
t.
Italië
Economische
activiteit
=
ruime
definitie.
=
het
aanbieden
van
goederen
en
diensten
op
een
bepaalde
markt.
Voor
mededingingsrecht
is
het
dus
belangrijk
na
te
gaan
of
de
entiteit
die
een
bepaalde
activiteit
verricht,
een
economische
impact
kan
hebben
op
de
markt
door
goederen
of
diensten
aan
te
bieden.
Doelstelling
van
kartelrecht
is
nagaan
of
er
geen
mededingingsbeperkingen
zijn.
Vrije
beroepsbeoefenaars
vallen
ook
onder
het
ondernemingsbegrip!
Want:
advocaten
bieden
tegen
beloning
diensten
aan
en
zij
dragen
de
aan
de
uitoefening
van
deze
activiteiten
verbonden
financiële
risico’s
!
Wouters.
Overheidsondernemingen
zijn
ook
ondernemingen.
- Art.
101
VWEU:
niet
enkel
afspraken
tss
ondernemingen,
maar
ook
besluiten
van
ondernemingsverenigingen.
Drm
zijn
ook
ondernemingsverenigingen
een
onderneming.
- Bv.
een
orde
van
advocaten
kan
bv.
prijsafspraken
opleggen
via
een
deontologische
code.
Dit
wordt
beschouwd
als
een
besluit
van
een
ondernemingsvereniging.