ERVARINGSGERICHT ONDERWIJS A
SAMENVATTING VAN DE CURSUS
THEMA 1: OBSERVEREN
Je observeert welbevinden en betrokkenheid bij kleuters.
Je begrijpt en herkent de drie dimensies (gevoeligheid voor beleving, autonomie verlenen,
stimulerende tussenkomsten) van de ervaringsgerichte basishouding.
Je merkt op hoe je een warm contact opbouwt met kleuters.
1. INTENTIONEEL HANDELEN ALS KLEUTERONDERWIJZER
‘Kleuters echt zien is nodig om gericht te kunnen begeleiden.’
2. WAARNEMEN VERSUS OBSERVEREN
‘Observeren is meer dan toevallige prikkels die je opvangt.’
Waarnemen: Doen we niet bewust. Waarnemen doen we via onze zintuigen. We zijn ons
niet altijd bewust van wat we zien, horen, ruiken, …
Observeren: Doen we bewust. Dit doen we met een zekere bedoeling (doel).
Open observaties:
Je maakt vooraf geen keuze over welk gedrag je gaat observeren.
Je observeert alle aspecten van gedrag gedurende een bepaalde periode
Gerichte of gesloten observaties:
Je maakt op voorhand een keuze op welk aspect van gedrag je wil focussen.
Wat je wil observeren is afhankelijk van het doel dat je voorop stelt bij de observatie.
Observatiemethoden:
Valkuilen bij observeren:
, Halo-effect: Je stelt een positieve eigenschap vast en laat je hierdoor in de rest van je
observatie beïnvloeden.
Horn-effect: Je stelt een negatieve eigenschap vast en laat je hierdoor in de rest van je
observatie beïnvloeden.
Observeren versus interpreteren:
Observeren: Je probeert zo objectief mogelijk alles weer te geven wat je geobserveerd
hebt. We kunnen spreken over ‘feiten’.
Interpreteren: Je geef je geobserveerde gedrag een betekenis. Je zal de
observatiegegevens met elkaar in verband moeten brengen en op zoek moeten gaan
naar een verklaring.
THEMA 2: EEN POSITIEF KLASKLIMAAT
Je merkt op hoe je een warm contact opbouwt met kleuters.
Je omschrijft welke factoren bepalend zijn om een verbindend leef- en speelleerklimaat te
creëren.
Je past aangeleerde klasmanagementstechnieken toe die bijdragen tot een veilige en
werkbare leef- en speelleeromgeving.
1. EEN POSITIEVE KLASSFEER EN WARME RELATIES
‘Het begint met graag zien.’
De sfeer in de groep zegt iets over hoe kinderen zich voelen in de groep. Een goede sfeer
herken je aan ontspannen gezichten en weinig conflicten. De groep leeft, is actief en
bevat een natuurlijke rust.
Geef kinderen in de loop van de dag persoonlijke aandacht. Elk kind mag zichzelf zijn, er
wordt plaats gemaakt voor noden, behoeften en talenten van elk kind.
Een goede link met het thuisfront van de kinderen is ook een belangrijk onderdeel van
een fijne klassfeer.
Relaties tussen kleuters onderling:
Positieve relatie: Je voelt elkaar aan, communiceren gaat makkelijk, je hebt een band.
Negatieve relatie: Je kan niet in voeling komen met de ander, er is onbegrip, soms zelf
een negatieve afwijzende ingesteldheid.
Wees er bewust van dat een goede relatie niet altijd wederkerig is, ook niet bij kleuters.
Relaties tussen de kleuters onderling hebben een groot effect op de groep.
Kleuters worden snel buitengesloten doordat ze opvallen (uiterlijk, gedrag, …).
Relatie tussen kleuters en kleuteronderwijzer:
SAMENVATTING VAN DE CURSUS
THEMA 1: OBSERVEREN
Je observeert welbevinden en betrokkenheid bij kleuters.
Je begrijpt en herkent de drie dimensies (gevoeligheid voor beleving, autonomie verlenen,
stimulerende tussenkomsten) van de ervaringsgerichte basishouding.
Je merkt op hoe je een warm contact opbouwt met kleuters.
1. INTENTIONEEL HANDELEN ALS KLEUTERONDERWIJZER
‘Kleuters echt zien is nodig om gericht te kunnen begeleiden.’
2. WAARNEMEN VERSUS OBSERVEREN
‘Observeren is meer dan toevallige prikkels die je opvangt.’
Waarnemen: Doen we niet bewust. Waarnemen doen we via onze zintuigen. We zijn ons
niet altijd bewust van wat we zien, horen, ruiken, …
Observeren: Doen we bewust. Dit doen we met een zekere bedoeling (doel).
Open observaties:
Je maakt vooraf geen keuze over welk gedrag je gaat observeren.
Je observeert alle aspecten van gedrag gedurende een bepaalde periode
Gerichte of gesloten observaties:
Je maakt op voorhand een keuze op welk aspect van gedrag je wil focussen.
Wat je wil observeren is afhankelijk van het doel dat je voorop stelt bij de observatie.
Observatiemethoden:
Valkuilen bij observeren:
, Halo-effect: Je stelt een positieve eigenschap vast en laat je hierdoor in de rest van je
observatie beïnvloeden.
Horn-effect: Je stelt een negatieve eigenschap vast en laat je hierdoor in de rest van je
observatie beïnvloeden.
Observeren versus interpreteren:
Observeren: Je probeert zo objectief mogelijk alles weer te geven wat je geobserveerd
hebt. We kunnen spreken over ‘feiten’.
Interpreteren: Je geef je geobserveerde gedrag een betekenis. Je zal de
observatiegegevens met elkaar in verband moeten brengen en op zoek moeten gaan
naar een verklaring.
THEMA 2: EEN POSITIEF KLASKLIMAAT
Je merkt op hoe je een warm contact opbouwt met kleuters.
Je omschrijft welke factoren bepalend zijn om een verbindend leef- en speelleerklimaat te
creëren.
Je past aangeleerde klasmanagementstechnieken toe die bijdragen tot een veilige en
werkbare leef- en speelleeromgeving.
1. EEN POSITIEVE KLASSFEER EN WARME RELATIES
‘Het begint met graag zien.’
De sfeer in de groep zegt iets over hoe kinderen zich voelen in de groep. Een goede sfeer
herken je aan ontspannen gezichten en weinig conflicten. De groep leeft, is actief en
bevat een natuurlijke rust.
Geef kinderen in de loop van de dag persoonlijke aandacht. Elk kind mag zichzelf zijn, er
wordt plaats gemaakt voor noden, behoeften en talenten van elk kind.
Een goede link met het thuisfront van de kinderen is ook een belangrijk onderdeel van
een fijne klassfeer.
Relaties tussen kleuters onderling:
Positieve relatie: Je voelt elkaar aan, communiceren gaat makkelijk, je hebt een band.
Negatieve relatie: Je kan niet in voeling komen met de ander, er is onbegrip, soms zelf
een negatieve afwijzende ingesteldheid.
Wees er bewust van dat een goede relatie niet altijd wederkerig is, ook niet bij kleuters.
Relaties tussen de kleuters onderling hebben een groot effect op de groep.
Kleuters worden snel buitengesloten doordat ze opvallen (uiterlijk, gedrag, …).
Relatie tussen kleuters en kleuteronderwijzer: