Uitroeptekens fysio A
Hoofdstuk 1:
Iso-osmotisch: 2 oplossingen zijn hebben dezelfde osmotische druk.
Hyper-osmotisch: oplossing met hoogste osmotische druk is hyperosmotisch ten
opzichte van die met de laagste osmotische druk.
Hypo-osmotisch: oplossing met de lagere osmotische druk is hypo-osmotisch ten
opzichte van die met de hogere osmotische druk.
Hoofdstuk 2:
Bij transport via drager-eiwitten vindt competitieve inhibitie plaats -> transport wordt
belemmerd door competitie voor deze drager-eiwitten.
Determinanten voor celvolume:
1. Osmolariteit van het extracellulaire vocht.
2. Aantal opgeloste partikels in de cel.
Associatieconstante = Ka = [HR]/[H] x [R]
Wanneer [signaalmoleculen] stijgt, aantal bindingen op doelcellen stijgt ook,
waardoor biologisch effect ook stijgt.
Omvang biologisch effect afhankelijk van:
1. Intracellulaire [hormoon]
2. [Hormoonreceptoren] in doelcel
3. Affiniteit van de receptoren voor hormoon
4. [Noodzakelijk transcriptiefactoren]
5. Aanwezigheid algemene factoren, enzymen voor eiwitsynthese, AZ concentratie
Hoofdstuk 3:
Sensorische zenuwvezels: AFFERENTEN. Cellichamen in clusters = ganglia buiten CZS. Geven
impulsen vanuit sensorische cellen naar CZS.
Motorische zenuwvezels: EFFERENTEN. Cellichamen in grijze stof = nucleï IN CZS. Brengen
boodschap van CZS naar effectoren.
Ionotrope receptoren -> postsynaptische receptor is
integraaldeel van een ionkanaal -> binding transmitter
beïnvloedt direct de functie van het ionkanaal.
Metabotrope receptoren -> postsynaptische receptor
is gescheiden van het ionkanaal -> ionkanaal bediend
door tussenkomst G-proteïne/2nd messenger ->
indirect.
, Spinale zenuwen bevatten 3 belangrijke types van axonen:
1. Sensorische vezels die impulsen
AANVOEREN naar het ruggemerg.
Komen aan in de dorsale hoorn.
Cellichamen liggen in spinale ganglia,
buiten CZS.
2. Somatische motorneuronen die
impulsen STUREN naar de
skeletspieren. Vetrekken vanuit de
ventrale hoorn. Cellichamen liggen
binnen CZS, in ganglia in hersenstam.
3. Autonome vezels die impulsen
STUREN naar klieren, hart en gladde
musculatuur. Altijd cellichaam in
laterale hoorn. Minder controle over
deze vezels.
Reflex = mechanisme dat ‘automatisch’ een lichaamsfunctie regelt gestuurd via een
reflexboog.
Reflexboog: sensorische cellen -> sensorische zenuwvezels -> coördinatiecentrum in
ruggemerg/hersenen -> motorneuronen -> spier- en kliercellen.
- Autonome reflex: reflex van gladde spiercellen, hartspier en klieren -> behoud van
homeostasis.
- Somatische reflex: reflex die spieren controleren (is te bedwingen).
Formatio reticularis: ‘’crisiscentrum’’ -> staat van alertheid, loopt doorheen hersenstam,
ontvangt informatie uit sensorische + motorische zenuwbanen en geeft dit door naar de
cerebrale cortex.
Alle SYMMETRISCHE zenuwbanen tussen cortex en de rest van het lichaam KRUISEN de
middellijn in ruggemerg OF hersenstam (zowel sensorische banen NAAR cortex als
motorneuronen in ventrale hoorn van het ruggemerg).
Autonome zenuwstelsel:
Controle over gladde
spieren, hartspier en
kliercellen, gebeurt
ONBEWUST.
Autonome reflexboog:
afferent ->
integratiecentrum ->
motorische efferent ->
effectorcel
Hoofdstuk 1:
Iso-osmotisch: 2 oplossingen zijn hebben dezelfde osmotische druk.
Hyper-osmotisch: oplossing met hoogste osmotische druk is hyperosmotisch ten
opzichte van die met de laagste osmotische druk.
Hypo-osmotisch: oplossing met de lagere osmotische druk is hypo-osmotisch ten
opzichte van die met de hogere osmotische druk.
Hoofdstuk 2:
Bij transport via drager-eiwitten vindt competitieve inhibitie plaats -> transport wordt
belemmerd door competitie voor deze drager-eiwitten.
Determinanten voor celvolume:
1. Osmolariteit van het extracellulaire vocht.
2. Aantal opgeloste partikels in de cel.
Associatieconstante = Ka = [HR]/[H] x [R]
Wanneer [signaalmoleculen] stijgt, aantal bindingen op doelcellen stijgt ook,
waardoor biologisch effect ook stijgt.
Omvang biologisch effect afhankelijk van:
1. Intracellulaire [hormoon]
2. [Hormoonreceptoren] in doelcel
3. Affiniteit van de receptoren voor hormoon
4. [Noodzakelijk transcriptiefactoren]
5. Aanwezigheid algemene factoren, enzymen voor eiwitsynthese, AZ concentratie
Hoofdstuk 3:
Sensorische zenuwvezels: AFFERENTEN. Cellichamen in clusters = ganglia buiten CZS. Geven
impulsen vanuit sensorische cellen naar CZS.
Motorische zenuwvezels: EFFERENTEN. Cellichamen in grijze stof = nucleï IN CZS. Brengen
boodschap van CZS naar effectoren.
Ionotrope receptoren -> postsynaptische receptor is
integraaldeel van een ionkanaal -> binding transmitter
beïnvloedt direct de functie van het ionkanaal.
Metabotrope receptoren -> postsynaptische receptor
is gescheiden van het ionkanaal -> ionkanaal bediend
door tussenkomst G-proteïne/2nd messenger ->
indirect.
, Spinale zenuwen bevatten 3 belangrijke types van axonen:
1. Sensorische vezels die impulsen
AANVOEREN naar het ruggemerg.
Komen aan in de dorsale hoorn.
Cellichamen liggen in spinale ganglia,
buiten CZS.
2. Somatische motorneuronen die
impulsen STUREN naar de
skeletspieren. Vetrekken vanuit de
ventrale hoorn. Cellichamen liggen
binnen CZS, in ganglia in hersenstam.
3. Autonome vezels die impulsen
STUREN naar klieren, hart en gladde
musculatuur. Altijd cellichaam in
laterale hoorn. Minder controle over
deze vezels.
Reflex = mechanisme dat ‘automatisch’ een lichaamsfunctie regelt gestuurd via een
reflexboog.
Reflexboog: sensorische cellen -> sensorische zenuwvezels -> coördinatiecentrum in
ruggemerg/hersenen -> motorneuronen -> spier- en kliercellen.
- Autonome reflex: reflex van gladde spiercellen, hartspier en klieren -> behoud van
homeostasis.
- Somatische reflex: reflex die spieren controleren (is te bedwingen).
Formatio reticularis: ‘’crisiscentrum’’ -> staat van alertheid, loopt doorheen hersenstam,
ontvangt informatie uit sensorische + motorische zenuwbanen en geeft dit door naar de
cerebrale cortex.
Alle SYMMETRISCHE zenuwbanen tussen cortex en de rest van het lichaam KRUISEN de
middellijn in ruggemerg OF hersenstam (zowel sensorische banen NAAR cortex als
motorneuronen in ventrale hoorn van het ruggemerg).
Autonome zenuwstelsel:
Controle over gladde
spieren, hartspier en
kliercellen, gebeurt
ONBEWUST.
Autonome reflexboog:
afferent ->
integratiecentrum ->
motorische efferent ->
effectorcel