Nectar Biologie 4V
Gwen Zitman 2022/2023
Hoofdstuk 2: Cel en leven
§2.1: Cellen leven samen
Er zijn verschillende organisatieniveaus (van klein naar groot):
- Molecuul: Heeft meerdere atomen van een stof met bepaalde eigenschappen;
- Organel: Onderdeel van de cel met een bepaalde taak;
- Cel: De basiseenheid van elk organisme;
- Weefsel: Een groep cellen met dezelfde bouw en functie;
- Orgaan: Verschillende weefsels werken samen aan een bepaalde taak;
- Orgaanstelsel: Diverse organen die samen één taak hebben;
- Organisme: Een levend wezen;
- Populatie: Een groep van dezelfde soort in een bepaald gebied;
- Levensgemeenschap: Alle organismen in een bepaald gebied;
- Ecosysteem: Een begrensd gebied waarin alle organismen met elkaar en de
levenloze natuur relaties hebben;
- Systeem Aarde: Alle biologische en chemische processen op aarde.
Als verschillende organisatieniveaus samenwerken ontstaan er nieuwe eigenschappen →
emergentie eigenschappen. Deze emergente eigenschappen kunnen op een lager
energieniveau niet bestaan (bijv. sporten bestaat uit spieren, botten en het zenuwstelsel).
§2.2: Cellen
Dier Plant Bacterie Schimmel
Organel Ja, allemaal Alleen geen Alleen het Ja, allemaal
centrosoom ribosoom en
plasmide
Celwand Nee Ja, cellulose Ja, suikers en Ja, chitine
aminozuren
Andere Nee Vacuole en Kapsel en Nee
celstructuur plastide flagellen
Energie Heterotroof Autotroof Beide Heterotroof
Type Eukaryoot Eukaryoot Prokaryoot Eukaryoot
Dierlijke cellen:
Dierlijke cellen zijn heterotroof, ze leven van stoffen
afkomstig van andere organismen.
- Celkern: Bevat DNA-moleculen. Cellen met
een celkern zijn eukaryoot;
- Ribosoom: Koppelt aminozuren aan elkaar tot
eiwitten;
- Endoplasmatisch reticulum:
● Ruw ER: Transportstelsel
● Glad ER: Produceert vetachtige stoffen;
Gwen Zitman 2022/2023
Hoofdstuk 2: Cel en leven
§2.1: Cellen leven samen
Er zijn verschillende organisatieniveaus (van klein naar groot):
- Molecuul: Heeft meerdere atomen van een stof met bepaalde eigenschappen;
- Organel: Onderdeel van de cel met een bepaalde taak;
- Cel: De basiseenheid van elk organisme;
- Weefsel: Een groep cellen met dezelfde bouw en functie;
- Orgaan: Verschillende weefsels werken samen aan een bepaalde taak;
- Orgaanstelsel: Diverse organen die samen één taak hebben;
- Organisme: Een levend wezen;
- Populatie: Een groep van dezelfde soort in een bepaald gebied;
- Levensgemeenschap: Alle organismen in een bepaald gebied;
- Ecosysteem: Een begrensd gebied waarin alle organismen met elkaar en de
levenloze natuur relaties hebben;
- Systeem Aarde: Alle biologische en chemische processen op aarde.
Als verschillende organisatieniveaus samenwerken ontstaan er nieuwe eigenschappen →
emergentie eigenschappen. Deze emergente eigenschappen kunnen op een lager
energieniveau niet bestaan (bijv. sporten bestaat uit spieren, botten en het zenuwstelsel).
§2.2: Cellen
Dier Plant Bacterie Schimmel
Organel Ja, allemaal Alleen geen Alleen het Ja, allemaal
centrosoom ribosoom en
plasmide
Celwand Nee Ja, cellulose Ja, suikers en Ja, chitine
aminozuren
Andere Nee Vacuole en Kapsel en Nee
celstructuur plastide flagellen
Energie Heterotroof Autotroof Beide Heterotroof
Type Eukaryoot Eukaryoot Prokaryoot Eukaryoot
Dierlijke cellen:
Dierlijke cellen zijn heterotroof, ze leven van stoffen
afkomstig van andere organismen.
- Celkern: Bevat DNA-moleculen. Cellen met
een celkern zijn eukaryoot;
- Ribosoom: Koppelt aminozuren aan elkaar tot
eiwitten;
- Endoplasmatisch reticulum:
● Ruw ER: Transportstelsel
● Glad ER: Produceert vetachtige stoffen;