Hoofdstuk 6: De cognitieve
benadering
Module 8
1. Uitgangspunten en basisbegrippen
1.1 Ons gedrag, onze gevoelens, onze gedachten en onze interacties worden bepaald door
cognitieve processen.
1.2 Ons gedrag, onze gevoelens, onze gedachten en onze interacties worden bepaald vanuit de
black box.
1.3 Een cognitieve benadering gaat uit van een informatieverwerkingsmodel.
2. De geschiedenis.
3. Hedendaagse denkers
4. Kritische kanttekeningen
5. Een cognitieve kijk op waarneming.
5.1 Inleiding
5.2 Fysische prikkels worden omgezet in zintuiglijke prikkels.
5.2.1 De werking van onze zintuigen.
5.2.2 De selectiviteit van onze zintuigen.
5.2.3 De constructie door onze zintuigen.
5.3 Zintuigelijke prikkels worden omgezet tot gestructureerde gehelen.
5.3.1 Mensen hebben de neiging hun waarneming te groeperen in gehelen.
5.3.2 Mensen hebben de neiging hun waarneming volgens een figuur-achtergrondrelatie
te organiseren.
5.4 Gestructureerde gehelen worden omgezet in betekenisvolle gehelen.
5.4.1 het top-down en bottom-upmodel.
5.4.2 Cognitieve schema’s
5.4.3 Eigen behoeften
5.4.4 Eigen emoties
5.4.5 De context
5.5 Sociale perceptie
5.5.1 Fysische prikkels worden omgezet in zintuigelijke prikkels.
5.5.2 Zintuigelijke prikkels worden omgezet in gestructureerde gehelen.
5.5.3 Gestructureerde gehelen worden omgezet in betekenisvolle gehelen.
6. Een cognitieve kijk op het geheugen.
6.1 Het model van Atkinson en Shiffrin
6.1.1 Drie soorten geheugens
6.1.2 Drie stadia in de informatieverwerking
6.2 De sensorische geheugens
6.3 De kortetermijngeheugens
6.3.1 Definitie, functie en vormen van de kortetermijngeheugens
6.3.2 Het opnemen van informatie in kortetermijngeheugens
6.3.3 Het opslaan van informatie in kortetermijngeheugens
6.3.4 Het oproepen van informatie uit de kortetermijngeheugens
6.4 De langetermijngeheugens
6.4.1 Definite, functie en vormen van langetermijngeheugens
6.4.2 Het opnemen van informatie in langetermijngeheugens
6.4.3 Het opslaan van informatie in langetermijngeheugens
6.4.4 Het oproepen van informatie uit de langetermijngeheugens
6.5 Vervormingen van onze herinneringen
6.5.1 Vervormingen bij het inprenten van informatie
6.5.2 Vervormingen bij het opslaan van informatie
6.5.3 Vervormingen bij het oproepen van informatie
1
, 6.6 Besluit
1. Uitganspunten en basisbegrippen
1.1 Ons gedrag, onze gevoelens, onze gedachten en onze interacteis worden bepaald
door cognitieve processen.
Cognitie
= de bewerking en ontwikkeling van kennis en informatie.
Functies spelen een rol: oriëntatie, geheugen, waarneming, aadacht en
concentratie…
Cognitieve psychologie
Mensen worden gezien als individuen die voortdurend, altijd en overal, zonder
dat ze zich daarvan bewust zijn, zelfstandig, actief en creatief informatie
opnemen en verwerken en zelf zo ook richting geven aan hun gedrag,
gevoelens, gedachten en interacties.
Construeren van onze eigen subjectieve werkelijkheid.
Bij waarneming spelen mechanismen een rol:
o Allerlei selectiemechanismen
o Allerlei vervormingsmechanismen
o Allerlei correctiemechanismen
Taal
Binnen de cognitie speelt taal een cruciale rol.
Mensen beschikken, als enig levend wezen, over een complex taalsysteem en
maken gebruik van symbolen om de werkelijkheid te benoemen en te
ordenen.
We zien ook bij kinderen dat naarmate de taal zich verder ontwikkelt, hun
cognitieve vermogen zich verder ontwikkelen.
We gebruiken taal om creatief hun omgeving vorm te geven.
1.2 Ons gedrag, onze gevoelens, onze gedachten en onze interacties worden bepaald
vanuit de black box.
Behavioristische kijk op
gedrag:
Stelt dat de black
box niet te
bestuderen van het
gedrag.
Gaat uit van een S-
R-schema.
Ziet gedrag als een
reactie op externe
prikkels.
Een cognitieve kijk op gedrag:
2
, Stelt dat de black box het uitgangspunt vormt bij het bestuderen van het
gedrag.
Gaat uit van een S-O-R-schema.
Ziet gedrag als een betekenisvolle reactie op een betekenisvolle prikkel.
1.3 Een cognitieve benadering gaat uit van een informatieverwerkingsmodel
Cognitieve psychologen vergelijken de werking van het gedrag graag met
de werking van een computer.
Gedrag wordt gestuurd door een informatieverwerkingsproces.
Gedrag wordt gestuuurd door een input, een verwerking en een output.
1) Input= informatie opnemen uit hun omgeving en daaraan
betekenis geven.
2) Verwerking= deze informatie actief bewerken en eventueel
opslaan.
3) Output= op basis van die informatie bepaalde beslissingen nemen
of betekenisvolle handelingen stellen.
In tegenstelling tot een computer is de mens:
o Een actief en creatief wezen dat zelf zijn gedrag, gevoelens en
gedachten bepaalt, terwijl een computer passief uitvoert wat zijn
software beveelt.
o Een wezen dat op zijn eigen manier de informatie verwerkt, terwijl elke
computer die informatie op dezelfde manier verwerkt.
Cognitieve schema’s (hoe wij vervormingen maken)
Zijn verzamelingen van kennis die grotendeels aanwezig is, zonder dat we ons
daar van bewust zijn.
Hebben betrekking op: personen, voorwerpen, gebeurtenissen, situaties…
Bevatten:
o De essentiële kenmerken van die persoon, dit voorwerp of die situatie.
o Meer persoonlijke informatie die we daaraan linken: allerlei
persoonlijke gedachten, gevoelens en herinneringen.
Bepalen wat we opmerken en wat we niet opmerken.
Bepalen wat we onthouden en denken te hebben onthouden.
Vullen gaten in onze kennis op.
Helpen ons de wereld om ons heen te begrijpen.
Kenmerken cognitieve schema’s:
Zijn gegroeid op basis van vroegere ervaringen & op basis van wat
anderen ons vertelden.
Zijn een abstractie, ze bevatten een selectie aan informatie, bevatten
een aantal kenmerken.
Zijn dynamisch, ze kunnen veranderen als gevolg van nieuwe
ervaringen of kennis die we opdoen.
Zijn subjectief, ze verschillen van persoon tot persoon.
Zijn cultureel bepaald, ze verschillen van cultuur tot cultuur.
3
benadering
Module 8
1. Uitgangspunten en basisbegrippen
1.1 Ons gedrag, onze gevoelens, onze gedachten en onze interacties worden bepaald door
cognitieve processen.
1.2 Ons gedrag, onze gevoelens, onze gedachten en onze interacties worden bepaald vanuit de
black box.
1.3 Een cognitieve benadering gaat uit van een informatieverwerkingsmodel.
2. De geschiedenis.
3. Hedendaagse denkers
4. Kritische kanttekeningen
5. Een cognitieve kijk op waarneming.
5.1 Inleiding
5.2 Fysische prikkels worden omgezet in zintuiglijke prikkels.
5.2.1 De werking van onze zintuigen.
5.2.2 De selectiviteit van onze zintuigen.
5.2.3 De constructie door onze zintuigen.
5.3 Zintuigelijke prikkels worden omgezet tot gestructureerde gehelen.
5.3.1 Mensen hebben de neiging hun waarneming te groeperen in gehelen.
5.3.2 Mensen hebben de neiging hun waarneming volgens een figuur-achtergrondrelatie
te organiseren.
5.4 Gestructureerde gehelen worden omgezet in betekenisvolle gehelen.
5.4.1 het top-down en bottom-upmodel.
5.4.2 Cognitieve schema’s
5.4.3 Eigen behoeften
5.4.4 Eigen emoties
5.4.5 De context
5.5 Sociale perceptie
5.5.1 Fysische prikkels worden omgezet in zintuigelijke prikkels.
5.5.2 Zintuigelijke prikkels worden omgezet in gestructureerde gehelen.
5.5.3 Gestructureerde gehelen worden omgezet in betekenisvolle gehelen.
6. Een cognitieve kijk op het geheugen.
6.1 Het model van Atkinson en Shiffrin
6.1.1 Drie soorten geheugens
6.1.2 Drie stadia in de informatieverwerking
6.2 De sensorische geheugens
6.3 De kortetermijngeheugens
6.3.1 Definitie, functie en vormen van de kortetermijngeheugens
6.3.2 Het opnemen van informatie in kortetermijngeheugens
6.3.3 Het opslaan van informatie in kortetermijngeheugens
6.3.4 Het oproepen van informatie uit de kortetermijngeheugens
6.4 De langetermijngeheugens
6.4.1 Definite, functie en vormen van langetermijngeheugens
6.4.2 Het opnemen van informatie in langetermijngeheugens
6.4.3 Het opslaan van informatie in langetermijngeheugens
6.4.4 Het oproepen van informatie uit de langetermijngeheugens
6.5 Vervormingen van onze herinneringen
6.5.1 Vervormingen bij het inprenten van informatie
6.5.2 Vervormingen bij het opslaan van informatie
6.5.3 Vervormingen bij het oproepen van informatie
1
, 6.6 Besluit
1. Uitganspunten en basisbegrippen
1.1 Ons gedrag, onze gevoelens, onze gedachten en onze interacteis worden bepaald
door cognitieve processen.
Cognitie
= de bewerking en ontwikkeling van kennis en informatie.
Functies spelen een rol: oriëntatie, geheugen, waarneming, aadacht en
concentratie…
Cognitieve psychologie
Mensen worden gezien als individuen die voortdurend, altijd en overal, zonder
dat ze zich daarvan bewust zijn, zelfstandig, actief en creatief informatie
opnemen en verwerken en zelf zo ook richting geven aan hun gedrag,
gevoelens, gedachten en interacties.
Construeren van onze eigen subjectieve werkelijkheid.
Bij waarneming spelen mechanismen een rol:
o Allerlei selectiemechanismen
o Allerlei vervormingsmechanismen
o Allerlei correctiemechanismen
Taal
Binnen de cognitie speelt taal een cruciale rol.
Mensen beschikken, als enig levend wezen, over een complex taalsysteem en
maken gebruik van symbolen om de werkelijkheid te benoemen en te
ordenen.
We zien ook bij kinderen dat naarmate de taal zich verder ontwikkelt, hun
cognitieve vermogen zich verder ontwikkelen.
We gebruiken taal om creatief hun omgeving vorm te geven.
1.2 Ons gedrag, onze gevoelens, onze gedachten en onze interacties worden bepaald
vanuit de black box.
Behavioristische kijk op
gedrag:
Stelt dat de black
box niet te
bestuderen van het
gedrag.
Gaat uit van een S-
R-schema.
Ziet gedrag als een
reactie op externe
prikkels.
Een cognitieve kijk op gedrag:
2
, Stelt dat de black box het uitgangspunt vormt bij het bestuderen van het
gedrag.
Gaat uit van een S-O-R-schema.
Ziet gedrag als een betekenisvolle reactie op een betekenisvolle prikkel.
1.3 Een cognitieve benadering gaat uit van een informatieverwerkingsmodel
Cognitieve psychologen vergelijken de werking van het gedrag graag met
de werking van een computer.
Gedrag wordt gestuurd door een informatieverwerkingsproces.
Gedrag wordt gestuuurd door een input, een verwerking en een output.
1) Input= informatie opnemen uit hun omgeving en daaraan
betekenis geven.
2) Verwerking= deze informatie actief bewerken en eventueel
opslaan.
3) Output= op basis van die informatie bepaalde beslissingen nemen
of betekenisvolle handelingen stellen.
In tegenstelling tot een computer is de mens:
o Een actief en creatief wezen dat zelf zijn gedrag, gevoelens en
gedachten bepaalt, terwijl een computer passief uitvoert wat zijn
software beveelt.
o Een wezen dat op zijn eigen manier de informatie verwerkt, terwijl elke
computer die informatie op dezelfde manier verwerkt.
Cognitieve schema’s (hoe wij vervormingen maken)
Zijn verzamelingen van kennis die grotendeels aanwezig is, zonder dat we ons
daar van bewust zijn.
Hebben betrekking op: personen, voorwerpen, gebeurtenissen, situaties…
Bevatten:
o De essentiële kenmerken van die persoon, dit voorwerp of die situatie.
o Meer persoonlijke informatie die we daaraan linken: allerlei
persoonlijke gedachten, gevoelens en herinneringen.
Bepalen wat we opmerken en wat we niet opmerken.
Bepalen wat we onthouden en denken te hebben onthouden.
Vullen gaten in onze kennis op.
Helpen ons de wereld om ons heen te begrijpen.
Kenmerken cognitieve schema’s:
Zijn gegroeid op basis van vroegere ervaringen & op basis van wat
anderen ons vertelden.
Zijn een abstractie, ze bevatten een selectie aan informatie, bevatten
een aantal kenmerken.
Zijn dynamisch, ze kunnen veranderen als gevolg van nieuwe
ervaringen of kennis die we opdoen.
Zijn subjectief, ze verschillen van persoon tot persoon.
Zijn cultureel bepaald, ze verschillen van cultuur tot cultuur.
3