Edwin Wouters
Examen op 15 punten: 5 definities op 5 punten, 1 kleine vraag en 2 grote vraag op 10
punten wat inzicht vragen zijn bijvoorbeeld een matrix dat lijkt op een prisoners dilemma
en dan moet je de uitkomst toelichten en op welk spel het lijkt. Belangrijke concepten
aanduiden met een markeerstift.
Deel I – Inleiding en Definiëring
Etymologie en definitie van het woord beleid:
Beleid is een Middeleeuws Nederlands werkwoord van het woord BELEIDEN.
- Beleiden = doen gaan, aanvoeren.
- Beleider = een aanvoerder of iemand die de stoot aan iets geeft,
aanstoker. Een connotatie van beleider is dat je nadenkt en dan ga je pas
iets doen. Bedachtzaam iets doen.
Beleid heeft een zeer brede betekenis: regering, manier van doen, wijze van
omgang met personen, beheer van zaken, bevelvoering, prudentie,
bedachtzaamheid. Er worden verschillende betekenissen gegeven aan beleid. Het
is een complex begrip waar veel elementen meespelen, een dynamisch proces en
verschillende invalshoeken. Het is niet alleen beslissen, het is ook handelen.
Beleid is zowel iets doen als iets niet doen. Niet doen is ook belangrijk in de
definitie. Een koppeling van doelen met middelen met de overheid als primaire
actor. Binnen een bepaalde context dat dingen mogelijk maakt of onmogelijk
maakt. De context bepaalt sterk welke doelen met welke middelen je kan
koppelen. Systematisch handelen in een proces met bepaalde tijdskeuzes.
Een complex begrip, dynamisch proces met verschillende invalshoeken.
!! Beleid is een samenstelling van 4 elementen:
Actoren Het is een veelheid aan actoren, maar de overheid is de
primaire actor. Actoren die beleid maken en bij beleid
betrokken zijn. Veel actoren die beleid beïnvloeden: burgers,
bedrijven. Maar het is de overheid die de centrale actor is.
Beleidsinhoud Doelen realiseren, middelen en tijdskeuzes bepalen.
Context Beperkte capaciteit van de overheid, de overheid kan niet
alles doen bijvoorbeeld in tijden van crisis. Ook geeft Europa
bepaalde beperkingen op. Een voorwerp van politieke
argumentatie.
Beleidsproces Reeks van verbonden beslissingen, handelen en plan,
handelen en niet-handelen, voorziene en niet-voorziene
uitkomsten. Het is een verbonden keten van beslissingen. Ook
niet-handelen is belangrijk en deel van het proces en een
vorm van beleid. En het bestaat uit voorziene en niet-
voorziene uitkomsten.
Voorbeeld van een examenvraag:
Welke elementen komen in een bepaalde definitie terug?
De eerste interesse in beleid was met de eerste verstedelijkte samenleving. Er
moest bestuurd worden. Maaaar, beleidswetenschap is erg recent en is pas later
op gang gekomen rond 1950. Meer over beleidswetenschap en over geschiedenis
op bladzijde 4.
1
,Waarom is er zoveel beleid overal? Van waar komt dat succes? Sociologische
beleidswetenschappers verklaren dit succes door 2 evoluties: de evolutie van
nomocratie naar teleocratie en de paradox van de moderne samenleving. Deze
staan hieronder verder toegelicht.
Evolutie 1 de evolutie van nomocratie naar teleocratie
Nomocratie ‘nomos’ = wet. Mini nachtwakersstaat. Vooral in Europa in de 19 de
eeuw. De visie op de overheid was toen zo weinig mogelijk doen. Vrijheden en
rechten van de mensen moesten gewaarborgd worden. Het centrum van de
macht ligt op dat moment bij de wetgevende macht, bij het parlement. Zie je
momenteel nog het meeste bij de VS: aversie tegen te veel overheidsinmenging.
Teleocratie (vooral in Europa sinds de 2de WO): ‘teleo’ = doel. Je wil iets
veranderen aan de samenleving. Streven naar meer gelijkheid, sociale
rechtvaardigheid. Dat is het doel en daar wil je naartoe. Dan heb je leiding nodig:
leiding zit dan bij de uitvoerende macht, de regering. Zorgt ervoor dat beleid bij
ons veel belangrijker geworden is. Ze moeten ons ergens naartoe leiden.
Evolutie 2 de paradox van de moderne samenleving
Gegeneraliseerde verafhankelijking en sociale atomisering is een SCHIJNBARE
TEGENSTELLING. Langs de ene kant heb je een sociale atomisering. Wilt
zeggen dat we ons minder en minder een deel van een groter geheel voelen. We
zijn minder en minder deel van de samenleving, grotere groep. Bijvoorbeeld de
Katholieke kerk. Vooral een concept dat groot is geworden in de jaren 80/90 met
heel veel studies over sociaal kapitaal. Bijvoorbeeld bij een bowling, het wordt
steeds minder gedaan en er is minder competitie.
De tweede trend is dat er een grote afhankelijkheid is, een gegeneraliseerde
verafhankelijking. Dat wil zeggen dat onze samenleving steeds complexer
wordt. Verkeer nu vs het verkeer jaren 50 is moeilijker om te organiseren nu. Ook
bij sociale verzekering en dergelijke wordt het steeds complexer en heb je meer
regels nodig, en dus beleid.
Paradox je voelt je minder deel van een geheel, maar toch moet er meer en
meer organisatie komen. Je wilt dat je kan samenleven in de complexe
samenleving en daar heb je regels voor nodig. Maar wie gaat die regels
opleggen? De katholieke zuil moet het niet opleggen want daar voel je je geen
deel van. Die rol neemt de overheid op als beleider, als maker van die regels. Er
komt steeds een grotere rol voor de overheid in de besturing van ons leven. Die
paradox heeft ervoor gezorgd dat er een plaats open gekomen is voor de
overheid als beleider. We hebben dus meer nood aan beleid. (EXAMEN)
Liberale rechtsstaat: regeren door wetten
Sociale verzorgingsstaat: regeren door doelstellingen
De nood aan overheidsbeleid:
Maatschappelijk verkeer op een vreedzame en voorspelbare manier laten
verlopen. Sturing om het maatschappelijk verkeer geordend te laten
verlopen. Als je bijvoorbeeld gaat werken dan moet je betaald worden, als
je steelt dan word je gestraft.
Maatschappelijke veranderingen teweegbrengen; de overheid moet iets
doen. Bijvoorbeeld arbeidsomstandigheden, vrouwenemancipatie of
klimaatverandering.
Alternatieve sturingsvormen zijn:
2
,Er zijn ook andere manieren voor sturing:
1. Maatschappelijke zelfsturing = op basis van rationele argumenten, zonder
wettelijke basis, maar wel met cruciale hulpbronnen. Bijvoorbeeld het
ontstaan van Katholieke gasthuizen, burgerwacht (een soort van sociale
controle/ zelf rijden door de wijk als het onveilig is) of vakbonden.
2. Sturing in de wisselwerking tussen overheid en middenveld =
doelstellingen van overheden & maatschappelijke organisaties die parallel
lopen. Het middenveld rolt doelstellingen van de overheid uit. Bijvoorbeeld
het huisvestingsbeleid in NL: de vakbonden ging huizen bouwen en
verhuren en de overheid ging wettelijke kaders opstellen zodat er wel
huizen konden worden gebouwd. Maar je ziet vaak dat het middenveld in
frictie met de overheid zit omdat de overheid vaak andere belangen
nastreeft.
3. Sturing door de markt = een krachtige sturing die vaker voor kan komen.
Een werking van vragers en aanbieders. Maatschappelijke problemen
oplossen door marktprikkels en concurrentie. De markt werkt optimaal als
er voldoende aanbieders zijn en consumenten kiezen vrij in welke mate ze
goederen of diensten willen consumeren. Bijvoorbeeld internet aan de
markt overlaten in België, maar dit maakt wel dat het internet duurder is.
Je blijft overheidssturing nodig hebben Die 3 vormen van sturing zijn niet
voldoende. Die eerste twee komen zelden of nooit voor door de voorwaarden
waaraan ze moeten voldoen. De derde optie zou wel vaak kunnen voorkomen,
maar heb je een probleem mee want er zijn altijd mensen die aan de rand van de
samenleving zitten (ouderen, gehandicapten, kwetsbaren, zieken). Die mensen
zijn niet interessant voor de markt en kunnen zich in het spel van vraag en
aanbod niet sterk houden. Voor hun problemen is er geen oplossing via de markt
en is er dus overheid nodig.
Maatschappelijke zelfsturing komt zelden voor en heeft niet altijd een succes.
Stone beschrijft 3 voorwaarden voor het succes van maatschappelijke
zelfsturing:
1. Profijt door deelname: zelfsturing draagt per saldo bij aan de
zekerheid, veiligheid, efficiëntie en/of gelijkheid.
Je moet vooruitgaan in termen van die 4 dingen waar zelfsturing aan
bijdraagt. Als je niet in één van die dingen vooruitgaat, waarom zou je dan
meedoen?
2. Gemeenschap is in staat freeriders uit te sluiten.
Je hebt niet zoals de overheid de financiële middelen om dat te doen.
Daarom moet je ervoor zorgen dat de mensen die erin investeren, ook iets
terugkrijgt. Als de balans te veel overweegt naar mensen die niet bijdragen
is er geen motivatie meer. Bijvoorbeeld een Katholiek gasthuis zijn de niet-
Katholieken de freeriders en bijvoorbeeld een bij een burgerwacht kunnen
mensen niet meedoen omdat ze hun slaap nodig hebben en bij een
vakbond zijn het mensen die meer loon krijgen door stakingen, maar zelf
niet meestaken. Het werkt alleen wanneer er voldoende mensen meedoen
of mee staken.
3. Handelingen die voortvloeien uit de maatschappelijke zelfsturing
vallen binnen de wettelijke kaders: geen sprake van extreme
effecten die het duurzame karakter van het verband bedreigen
door overheidsinterventie.
Want je kan geen nieuwe wetten maken. Geen probleem voor de meeste
vormen. Groot probleem voor bv. de burgerwacht: je mag niet iemand zelf
aanhouden of geweld gebruiken bij een verdacht persoon.
3
, Waarom heb je overheid nodig???
1. Preventie van monopolies en kartels
2. Productie collectieve goederen
3. Regulering van externe effecten
4. Beheersing van bemoeigoederen
5. Compenseren van verdelingseffecten
Er is daarom nood aan overheidsbeleid.
Er zijn andere manieren van sturing, maar
die gaan dat niet volledig kunnen doen.
The trategy of commons = collectieve goederen. Wanneer men dit allemaal
gebruikt, dan blijft er niks meer over. Daarom moet de overheid collectieve
goederen blijven produceren of bijvoorbeeld de belastingen heffen. Hoort bij
nummer 2 hierboven.
Merit good = cultuur, musea, voorstellingen, bibliotheken. Dit zijn
bemoeigoederen, de overheid wil ze voor het breder publiek toegankelijk maken.
Demerit good = goederen die door de markt voor een lage prijs worden
geproduceerd. Bijvoorbeeld alcohol, tabak, kansspelen. De overheid vindt deze
schadelijke en de overheid bemoeit zichzelf daarbij door accijns op te leggen.
De markt werkt goed, maar sluit bepaalde mensen uit. Dit creëert ongelijkheden.
De overheid moet dit reduceren door de verdelingseffecten te compenseren door
bijvoorbeeld sociale zekerheid. Dit is een duidelijke functie van de overheid dat
niemand anders op zich zal nemen. De scheve verdeling reduceren. Hoort bij
nummer 5 hierboven.
Wat is dan beleidswetenschap? “Alle vormen van wetenschappelijke
bezinning op kennis in en van beleid en processen rondom beleid in politiek en
openbare dienst.”
De kennis in beleid door het beschikbaar stellen van de resultaten van
wetenschapsbeoefeningen ten dienste van het beleid. Met betrekking tot
feitelijke stand van zaken, finale samenhangen en normatieve uitgangspunten.
De kennis van beleid door het beschikbaar stellen van de resultaten van wetenschappelijk
onderzoek met betrekking tot de totstandkoming, de uitvoering of de evaluatie van het
beleid. Kennis van het verloop van beleidsprocessen, niet van de beleidsinhoud.
Bv. Klimaatbeleid.
Hoofdeigenschappen van de beleidswetenschap:
1) Contextualiteit: maatschappelijke en politieke context
2) Probleemgerichtheid: oplossing voor maatschappelijke problemen
3) Verschillende perspectieven: aspecten van dezelfde realiteit
4) Multidisciplinariteit: toepassing op politieke processen en een jonge
wetenschap
De beleidswetenschap gebruikt invalshoeken van andere disciplines om het toe
te passen op het beleid. Het denken in oplossingen voor maatschappelijke
problemen. In tegenstelling tot bijvoorbeeld de sociologie heeft
beleidswetenschap geen eigen body of knowlegde.
Hedendaagse ontwikkeling van beleidswetenschap Het is een professie, maar
nog niet echt een eigen discipline. Beleidswetenschap als professie is dat het
geïnstitutionaliseerd is in overheden en universiteiten. Eigen tijdschriften en
professionele verenigingen. Een professie is zoals de geneeskunde: eigen
4