Oefentoets
1. De systolische bloeddruk wordt gemeten: er wordt nagevraagd wie rookt en wie niet.
Vervolgens wordt de systolische bloeddruk in verband gebracht met het rookgedrag.
Wat voor studie is dit?
A. Prospectief cohort onderzoek
B. Experimenteel onderzoek
C. Patiënt controle studie
D. Transversaal onderzoek
2. Wat is het verschil tussen een retroperspectief cohort onderzoek en een case control
studie?
A. Een case control studie selecteert mensen op de determinant en vraagt terug naar de
uitkomst van de ziekte. Een retroperspectief onderzoek selecteert mensen op de
uitkomst en vraagt terug naar mogelijke determinanten.
B. Een Case control studie selecteert mensen op de uitkomst en vraagt terug naar
mogelijke determinanten. Een retroperspectief cohort onderzoek selecteert mensen
op de determinant en kijkt wat de mogelijke ziekte uitkomsten zijn geweest.
C. Een case control studie selecteert mensen op de determinant en kijkt of iemand ziek
wordt of niet. Een retroperspectief cohort onderzoek heeft maar een meetmoment.
D. Er is geen verschil het betekend hetzelfde.
3. Vanaf 8 oktober zijn er 11.000 nieuwe corona gevallen in Utrecht. Utrecht heeft
360.000 inwoners. Wat is de incidentie.
A. 6,07%
B. 3,06%
C. 32.73%
D. 62,15%
Ziek Gezond Totaal
Exposed 120 230 350
Niet exposed 40 310 350
Totaal 160 540 700
4. Wat is de OR met juiste interpretatie van de bovenstaande tabel.
A. De OR is 3 dit betekend dat de odds om ziek te zijn voor blootgestelde 3 keer zo hoog
dan voor niet blootgestelde.
B. De OR is 4 de odds om ziek te krijgen ten opzichte van gezond zijn, zijn 4.04 keer zo
hoog voor blootgestelde vergeleken met niet-blootgestelde.
C. De OR is 4: de odds om gezond te zijn ten opzichte van zieke mensen is 4.04 keer zo
hoog voor blootgestelde ten opzichte van niet blootgestelde.
D. De OR is 3 dit betekend dat de odds om gezond te zijn voor blootgestelde 3 keer zo
hoog dan voor niet blootgestelde.
, 5. Confounding
In een onderzoek wordt de relatie tussen alcohol gebruik en myocardinfarct onderzocht. De
ruwe OR is 2.26. Er wordt onderzocht of roken een confounder is. Dit doen ze door de OR te
stratificeren: Rokers OR = 1.03 en voor niet rokers = 0.94.
Is roken inderdaad een confounder?
A. Nee roken is geen confounder, het is een effectmodificator
B. Ja roken is een confounder, de ruwe OR geeft een onderschatting van het werkelijke
effect weer door geen rekening te houden met rookgedrag.
C. Ja roken is een confounder, de ruwe OR geeft een overschatting van het werkelijke
effect weer door geen rekening te houden met het rookgedrag.
D. Nee roken is geen confounder het is een mediator.
6. Het relatieve risico op het krijgen van de gevreesde aandoening X is voor mensen die
met chemische oplosmiddelen werken 3.1 keer zo groot als voor mensen die dat niet
doen. Hoeveel bedraagt de attributieve proportie onder blootgestelden?
A. 1.3
B. 0.68
C. 0.32
D. Deze uitkomst kan niet worden bepaald
7. In een prospectief cohortonderzoek met n=500 respondenten, allemaal zonder hart-
en vaatziekte (HVZ) aan het begin van de studie, ontwikkelen 75 personen na 4 jaar
een hart- en vaataandoening.
Wat is de incidentiedichtheid?
A. 75/500 = 0,15 hart en vaatziektes per persoonsjaar
B. 75/2000 = 0,0375 hart en vaatziektes per persoonsjaar
C. 75/500 * 4 = 0.6 = 1 persoon ontwikkelt gemiddeld HVZ
D. 500/75 = 7 personen krijgen gemiddeld HVZ
8. Over welke vorm van vertekening wordt hier gesproken.
Er wordt een steekproef geselecteerd bij 1000 managers in Nederland. Er wordt
gepeild naar hun werkdruk. Echter is hier vertekening opgetreden omdat heel veel
managers met een hoge werkdruk geen tijd hadden om de enquête in te vullen. De
managers met een lage werkdruk zullen het mogelijk ook niet beantwoorden uit
angst dat hun leidinggevenden of collega’s hen als overtollige werknemers
beschouwen.
A. Non-respondentbias
B. Compliance bias
C. Healtyworkers effect.
D. Geen van de bovenstaande.
9. Lees de casus hieronder
Een onderzoeker is geïnteresseerd in de relatie tussen het type gedronken frisdranken en
het ontstaan van overgewicht. In zijn studie zijn suikerhoudende frisdrank drinkende
kinderen ondervertegenwoordigd. In de groep weigeren vooral ouders die vrezen dat hun
kind gedurende de looptijd van de studie overgewicht zal gaan ontwikkelen bij deelname
aan de studie. De resultaten van het onderzoek staan in de volgende tabel weergegeven:
1. De systolische bloeddruk wordt gemeten: er wordt nagevraagd wie rookt en wie niet.
Vervolgens wordt de systolische bloeddruk in verband gebracht met het rookgedrag.
Wat voor studie is dit?
A. Prospectief cohort onderzoek
B. Experimenteel onderzoek
C. Patiënt controle studie
D. Transversaal onderzoek
2. Wat is het verschil tussen een retroperspectief cohort onderzoek en een case control
studie?
A. Een case control studie selecteert mensen op de determinant en vraagt terug naar de
uitkomst van de ziekte. Een retroperspectief onderzoek selecteert mensen op de
uitkomst en vraagt terug naar mogelijke determinanten.
B. Een Case control studie selecteert mensen op de uitkomst en vraagt terug naar
mogelijke determinanten. Een retroperspectief cohort onderzoek selecteert mensen
op de determinant en kijkt wat de mogelijke ziekte uitkomsten zijn geweest.
C. Een case control studie selecteert mensen op de determinant en kijkt of iemand ziek
wordt of niet. Een retroperspectief cohort onderzoek heeft maar een meetmoment.
D. Er is geen verschil het betekend hetzelfde.
3. Vanaf 8 oktober zijn er 11.000 nieuwe corona gevallen in Utrecht. Utrecht heeft
360.000 inwoners. Wat is de incidentie.
A. 6,07%
B. 3,06%
C. 32.73%
D. 62,15%
Ziek Gezond Totaal
Exposed 120 230 350
Niet exposed 40 310 350
Totaal 160 540 700
4. Wat is de OR met juiste interpretatie van de bovenstaande tabel.
A. De OR is 3 dit betekend dat de odds om ziek te zijn voor blootgestelde 3 keer zo hoog
dan voor niet blootgestelde.
B. De OR is 4 de odds om ziek te krijgen ten opzichte van gezond zijn, zijn 4.04 keer zo
hoog voor blootgestelde vergeleken met niet-blootgestelde.
C. De OR is 4: de odds om gezond te zijn ten opzichte van zieke mensen is 4.04 keer zo
hoog voor blootgestelde ten opzichte van niet blootgestelde.
D. De OR is 3 dit betekend dat de odds om gezond te zijn voor blootgestelde 3 keer zo
hoog dan voor niet blootgestelde.
, 5. Confounding
In een onderzoek wordt de relatie tussen alcohol gebruik en myocardinfarct onderzocht. De
ruwe OR is 2.26. Er wordt onderzocht of roken een confounder is. Dit doen ze door de OR te
stratificeren: Rokers OR = 1.03 en voor niet rokers = 0.94.
Is roken inderdaad een confounder?
A. Nee roken is geen confounder, het is een effectmodificator
B. Ja roken is een confounder, de ruwe OR geeft een onderschatting van het werkelijke
effect weer door geen rekening te houden met rookgedrag.
C. Ja roken is een confounder, de ruwe OR geeft een overschatting van het werkelijke
effect weer door geen rekening te houden met het rookgedrag.
D. Nee roken is geen confounder het is een mediator.
6. Het relatieve risico op het krijgen van de gevreesde aandoening X is voor mensen die
met chemische oplosmiddelen werken 3.1 keer zo groot als voor mensen die dat niet
doen. Hoeveel bedraagt de attributieve proportie onder blootgestelden?
A. 1.3
B. 0.68
C. 0.32
D. Deze uitkomst kan niet worden bepaald
7. In een prospectief cohortonderzoek met n=500 respondenten, allemaal zonder hart-
en vaatziekte (HVZ) aan het begin van de studie, ontwikkelen 75 personen na 4 jaar
een hart- en vaataandoening.
Wat is de incidentiedichtheid?
A. 75/500 = 0,15 hart en vaatziektes per persoonsjaar
B. 75/2000 = 0,0375 hart en vaatziektes per persoonsjaar
C. 75/500 * 4 = 0.6 = 1 persoon ontwikkelt gemiddeld HVZ
D. 500/75 = 7 personen krijgen gemiddeld HVZ
8. Over welke vorm van vertekening wordt hier gesproken.
Er wordt een steekproef geselecteerd bij 1000 managers in Nederland. Er wordt
gepeild naar hun werkdruk. Echter is hier vertekening opgetreden omdat heel veel
managers met een hoge werkdruk geen tijd hadden om de enquête in te vullen. De
managers met een lage werkdruk zullen het mogelijk ook niet beantwoorden uit
angst dat hun leidinggevenden of collega’s hen als overtollige werknemers
beschouwen.
A. Non-respondentbias
B. Compliance bias
C. Healtyworkers effect.
D. Geen van de bovenstaande.
9. Lees de casus hieronder
Een onderzoeker is geïnteresseerd in de relatie tussen het type gedronken frisdranken en
het ontstaan van overgewicht. In zijn studie zijn suikerhoudende frisdrank drinkende
kinderen ondervertegenwoordigd. In de groep weigeren vooral ouders die vrezen dat hun
kind gedurende de looptijd van de studie overgewicht zal gaan ontwikkelen bij deelname
aan de studie. De resultaten van het onderzoek staan in de volgende tabel weergegeven: