Diversiteit, classificatie en evolutie van de gewervelden (H1)
Fylogenie Vertebrata
Vertebrata: onderscheiden zich door de aanwezigheid van wervelelementen
of wervels die opeenvolgend gerangschikte structuren vormen die een
wervelkolom vormen.
Cyclostoma: slijmprikken en prikken hebben geen kaken. Leden van
beide groepen zijn langwerpig, hebben geen ledematen, geen schubben
en geen botten.
o Slijmprikken (Myxiniformes): gespecialiseerd in het leven als zee-
aaseters. Ze leven gegraven in diepe modderige zeebodems.
o Prikken (Petromyzoniformes): voeden zich volwassen parasitair met
bloed en weefselvloeistoffen. Ze komen uit eieren die in rivieren of kreken
zijn gelegd, brengen enkele jaren door als filterende larven, migreren naar
zee om volwassen te worden en keren terug naar zoet water om te paren.
Gnathostomata: onderscheiden zich door de aanwezigheid van kaken.
Chondrichthes: de naam verwijst naar het kraakbenige skelet van deze
vissen.
o Haaien: sommige zijn klein, terwijl de grootste soort, de walvishaai, 17
meter lang wordt en plankton filtert.
o Roggen: dorsoventraal afgeplatte bodemvoeders die zwemmen door
golvende bewegingen van hun brede borstvinnen.
o Ratvissen: kleine maar oude groep zeevissen die op de zeebodem
foerageert en zich voeden met prooien met harde schalen zoals schaal- en
weekdieren.
Osteichthyes: onderscheiden zich door de aanwezigheid van botten die zich
uit kraakbeen verbenen (endochondraal bot).
Actinopterygii: de meeste dieren die wij als vissen beschouwen, behoren
tot deze groep. De meeste zijn hogere beenvissen of teleosten. Het is
een groep die varieert van tarpons, haringen, karpers, meervallen en
forellen tot zwaardvissen, tonijnen, platvissen en oceaanzonnevissen.
Sarcopterygii: onderscheiden zich door de aanwezigheid van de femur, het
enige skeletelement aan de basis van de vinnen of ledematen.
Coelacanthiformes: de 2 nog bestaande soorten coelacanthen komen
voor in matig diepe wateren van de oostkust van Afrika en Indonesië. Het
zijn overblijfselen van een kleine groep die sinds het Devoon heeft
bestaan.
Rhipidistia: onderscheiden zich door de aanwezigheid van een hart dat
deels gesplitst wordt door een ventrikel, wat helpt om zuurstofrijk- en
zuurstofarm bloed door het hart te pompen.
Dipnoi: er leven 6 soorten longvissen in Zuid-Amerika, Afrika en
Australië. Ze kunnen zuurstof uit water halen met kieuwen en uit lucht met
longen. Goed vertegenwoordigd in het devoon zijn longvissen de naaste
levende verwanten van landgewervelde dieren.
Tetrapoda: onderscheiden zich door de aanwezigheid van 4 ledematen met
vingers/ tenen.
, Lissamphibia: de meeste soorten hebben een bifasische levenscyclus,
die meestal een aquatische larvevorm (larve voor ceacilians en
salamanders, kikkervisje voor kikkers) en een terrestrische volwassen
vorm omvat. Hoewel we bij Lissamphibia vaak denken aan water voor de
voortplanting, hebben veel soorten geen aquatische larven en brengen ze
hun hele leven op het land door. Lissamphibia worden gekenmerkt door
een gladde huid zonder schubben die belangrijk is voor de uitwisseling van
water, ionen en gassen met hun omgeving. Er is veel bewijs dat
salamanders en kikkers nauwer aan elkaar verwant zijn dan caecilia en ze
worden samen in Batrachia geplaatst.
o Caecilia (Gymnophiona): pootloze aquatische of gravende dieren.
o Salamanders (Urodela): langwerpig, meestal terrestrisch en hebben
meestal 4 poten.
o Kikkers (Anura): hebben een kort lichaam met een grote kop en grote
achterpoten waarmee ze lopen, springen en klimmen.
Amniota: onderscheiden zich door de aanwezigheid van een amnion ei met
een amnion, corion en alantois. Deze 3 nieuwe vliezen ontwikkelen zich
vanuit het lichaam van het embryo en worden niet gemaakt door het
voortplantingskanaal van de moeder. Dit in tegenstelling tot eimembranen,
eieromhulsels of eierschalen die worden afgescheiden door het oviduct van
de moeder. Het binnenste extra-embryonale membraan, het amnion, omhult
het embryo in vloeistof. De andere 2 membranen spelen een rol bij de
gasuitwisseling en bescherming. De meeste Amniota zijn terrestrisch, maar er
zijn ook aquatische soorten zoals zeeschildpadden en walvissen. Amniota
heeft 2 nog bestaande clades: Reptilia en Mammalia. Reptilia omvat de
lepidosaurs, schildpadden, krokodillen en vogels.
Lepidosauria: hebben een geschubde huid en delen veel
skeletkenmerken.
o Tuatara: een gedrongen hagedisachtig dier dat alleen voorkomt op
enkele eilanden voor de kust van Nieuw-Zeeland, is het enige levende
overblijfsel van een meer diverse mesozoïsche afstamming.
o Squamata (hagedissen/slangen): is nu op zijn hoogtepunt in
diversiteit.
Archosauromorpha: gerepresenteerd door schilpadden, krokodillen en
vogels.
Testudines (schildpadden): het schild dat het lichaam omhult, komt
niet voor bij andere gewervelde dieren en unieke morfologische
wijzigingen in verband met het schild maken schildpadden bijzondere
dieren. Ze zijn de enige gewervelde dieren waarbij de schouders en
heupen omsloten worden door de ribben.
Archosauria: gerepresenteerd door krokodillen en vogels.
Crocodylia (krokodillen/ alligators): het zijn semi aquatische
roofdieren met een lange snuit met grote puntige tanden. De huid bevat
veel botten (osteodermen) die zich in hun huid vormen en zorgen voor
een soort pantserbekleding. Ze bieden ouderlijke zorg voor eieren en
jongen.
, Aves (vogels): de eerste veren werden gebruikt voor baltsgedrag en
isolatie en de modificatie ervan bij vogels (als vleugelprofiel en voor
stroomlijning) was secundair. De functie van een eigenschap bij een
bestaande soort is niet noodzakelijkerwijs dezelfde als de functie van die
eigenschap toen hij voor het eerst verscheen. Met andere woorden, huidig
nut is niet hetzelfde als evolutionaire oorsprong.
Mammalia: onderscheiden zich doordat ze hun jongen voeden met melk
geproduceerd door de vrouwelijke borstklieren.
Mammalia (zoogdieren): omvat ongeveer 5400 soorten en 3 groepen:
monotremen (Prototheria), buideldieren (Metatheria) en placentals
(Eutheria). Vanwege de gemeenschappelijke aanwezigheid van de
placenta hergroeperen we Metatheria en Eutheria als Theria.
o Monotremen (vogelbekdieren en mierenegels): komen voor in
Australië en 1 soort mierenegel bereikt Nieuw-Guinea. Jongen van
monotremen komen uit eieren.
o Buideldieren: domineren de zoogdierfauna alleen in Australië, hoewel
er meer dan 100 soorten voorkomen in Zuid- en Midden-Amerika.
o Placentals: de naam is misleidend omdat zowel buideldieren als
placentals placenta's hebben. Dit zijn structuren die voedingsstoffen
van de moeder naar het embryo overbrengen en afvalproducten van
de stofwisseling van het embryo verwijderen.
Synapomorfieën
Chordata
, Notochord
Dorsale, holle zenuwbuis
Gesegmenteerde, gespierde post-anale staart
Endostyl
Vertebrata
Neurale kam
Caudale vin
Endoskelet
Circulair systeem met hart
Rode bloedlichaampjes
Differentiatie in spijsverteringsstelsel
Pancreas en lever
Nieren en nefronen
Notochord niet in de kop
Gespecialiseerde schedel
o Zintuigen
o Hersenen
o Pompmechanisme voor voedselverwerking
Anamnioten: gewervelde dieren zonder vruchtvliezen die voor hun
voortplanting afhankelijk zijn van water (bv: vissen en amfibieën).
Amnioten: leggen eieren met beschermende vliezen of ontwikkelen een embryo
in de baarmoeder, waardoor ze minder afhankelijk zijn van water (bv: reptielen,
vogels en zoogdieren).
Craniata: onderstam binnen de Chordata die alle dieren met een schedel
omvat, waaronder de Vertebrata en enkele primitieve vormen zoals slijmprikken
en prikken.
Embryologie (H2)
- Algemeen
De grote meerderheid van de Vertebrata hebben een teloleciet ei en
bijgevolg een discoïdale klieving waardoor een kiemschijf ontstaat aan de
animale pool van het ei. Ectoderm en endoderm omgroeien de dooier. Door
plooivorming rondom zal het embryo zich geleidelijk boven de dooiermassa
verheffen waardoor het embryo en het extra-embryonaal gebied duidelijker
van elkaar gescheiden worden. Ook het mesoderm groeit in het extra-
embryonaal gebied waarin de extra-embryonale coeloomholte ontstaat. Het
embryo heeft in dit stadium het aspect van een buis:
Omgeven door ectoderm
Medio-dorsaal de neurale buis
Daaronder de chorda
Medio-ventraal de oerdarm uit endoderm
Links en rechts van de chorda en darm het mesoderm dat ingedeeld is
in de dorsale epimeren, de mesomeren en de hypomeren mt de
coeloomholte (die zich een eindje in de mesomeren voortzet enerzijds,
en links en rechts in de extra-embryonale coeloomholte overgaat).
- Ontwikkeling van het lichaam