Bacteriologie: samenvatting
,Les 1
A introductie
1 doel van klinische laboratoria
Doel= het identificeren van veroorzakers van infectieziekten zoals bacterien, virussen,
schimmels en parasieten
• Technieken
- Microscopie → visualisatie van micro-organisme, snel
- Kweek → gouden standaard
- Moleculaire diagnostiek → genetisch materiaal van pathogenen onderzoeken →
wnr te weinig cultuur of moeilijke cultuur
- Serologie → detectie van pathogenen in het bloed. Vaak bij infectie
2 verloop van een infectie
• Kolonisatie/infectie
- Pathogeen dringt lichaam binnen en begint te vermenigvuldigen
- Geen symptomen zichtbaar
- Wordt incubatieperiode genoemd: pathogeen bevindt zich in het lichaam en
vermeerdert zich, maar er zijn nog geen zichtbare ziekteverschijnselen
- Duur: kan sterk varieren: afhankelijk van
o Type micro-organisme
o Immuniteit van persoon
o Blootstellingsdosis
- In sommige gevallen kan een persoon een asymptomatische drager worden:
draagt pathogeen en kan het verspreiden, maar is zelf niet ziek
• Symptomen en besmettelijkheid
- Lichaam reageert op infectie, symtomen worden zichtbaar
- Fase waarin persoon het meest besmettelijk is.
- Varieert in duur: sommige ziekten kunnen ook chronisch worden
• Mogelijke uitkomsten
- Herstel met of zonder immuniteit
o Immuunsysteem bestrijdt ziekteverwekker en elimineert deze uiteindelijk
uit het lichaam
o Patient kan immuniteit opbouwen tegen ziekteverwekker. Kan tijdelijk of
levenslang zijn, afhankelijk van de infectie
o Soms blijft ziekteverwekker sluimerend aanwezig, kan leiden tot latere
reactivatie
- Overlijden
,3 diversiteit van micro-organismen
3.1 soorten micro-organismen
• Bacterien
- Eencellige micro-organismen zonder celkern (prokaryoten)
- Kunnen ziekte veroorzaken via toxines en door invasie van lichaamsweefsel
- Kunnen snel delen door binaire deling en zich aanpassen aan verschillende
omgevingen
- Classificatie
o Vorm:
▪ Coccen: bolvormig
▪ Bacillen: staafvormig
▪ Spirocheten: spiraalvormig
o Gramkleuring
▪ Gram positief en gram negatief
o Metabolisme
▪ Bv: aeroob vs anaeroob
• Virussen
- Niet levende deeltjes die een gastheercel nodig hebben om te vermenigvuldigen
- Bestaan uit genetisch materiaal (RNA of DNA) omgeven door een eiwitmantel en
soms een lipidenmembraan (envelop)
- Voortplanting: virus dringt gastheercel binnen, gebruikt de cellulaire machinerie
van het lichaam om zich te kopieren en breekt de cel open om nieuwe
virusdeeltjes vrij te laten
- Klein formaat, snelle mutaties → kunnen immuunsysteem omzeilen
• Parasieten
- Organismen die in of op een gastheer leven en schade kunnen veroorzaken
- Voorbeelden: protozoa, wormen (helminten), ectoparasieten (luizen, teken)
- Kunnen varieren in ernst
• Schimmels
- Eukaryote micro-organismen → hebben een celkern
- Kunnen oppervlakkige infecties veroorzaken (zoals huidschimmels) of diepe
systemische infecties
- Kunnen sporen vormen , deze zijn resistent tegen desinfectie en antimicrobiele
middelen
, 3.2 kenmerken van micro-organismen
3.2.1 unieke eigenschappen en ziekte mechanismen
• Aanhechtingsfactoren
- Bacterien en virussen hebben vaak gespecialiseerde eiwitten waarmee ze zich
aan gastheercellen kunnen hechten
• Invasie-eigenschappen
- Sommige organismen kunnen verspreiden via bloed of lymfestelsel
o Salmonella: kan cellen in darmwand binnendringen en ontstekingsreactie
veroorzaken
• Toxine productie
- Productie van exotoxines of endotocines die cellen kunnen beschadigen
o Clostridium botulinum → produceert botulinetoxine
• Immuunontwijking
- Virussen kunnen muteren en bacterien kunnen kapsels vormen om detectie van
immuunsysteem te vermijderen
o HIV → gebruikt CD4 receptoren om T cellen binnen te dringen en te
vernietigen
3.2.2 resistentieprofielen
• Intrinsiek: van nature resistent tegen bepaalde antibiotica
• Verworven: door mutaties of verkrijgen van genen van andere bacterien kunnen
micro-organismen resistentie ontwikkelen
• Voorbeelden
- MRSA → resistent tegen methicilline en andere AB
- Klebsiella pneumoniae → kan enzymen produceren die krachtige antibiotica
afbreken
- Multi-resistente tuberculose
Toename van anti-microbiele resistentie (AMR)
Antimicrobiële resistentie verwijst naar het vermogen van micro-organismen, zoals
bacteriën, om zich te verzetten tegen de werking van antibiotica.
• Genetische diversificatie door mutaties
- Bacterien ondergaan van nature mutaties , soms is mutatie voordelig voor bact
omdat het resistentie biedt tegen bep AB
- Pre-resistente bacterien bestaan aanvankelijk in kleine aantallen binnen bact
populatie
• Overleving van resistente bacterien onder antibiotische druk
,Les 1
A introductie
1 doel van klinische laboratoria
Doel= het identificeren van veroorzakers van infectieziekten zoals bacterien, virussen,
schimmels en parasieten
• Technieken
- Microscopie → visualisatie van micro-organisme, snel
- Kweek → gouden standaard
- Moleculaire diagnostiek → genetisch materiaal van pathogenen onderzoeken →
wnr te weinig cultuur of moeilijke cultuur
- Serologie → detectie van pathogenen in het bloed. Vaak bij infectie
2 verloop van een infectie
• Kolonisatie/infectie
- Pathogeen dringt lichaam binnen en begint te vermenigvuldigen
- Geen symptomen zichtbaar
- Wordt incubatieperiode genoemd: pathogeen bevindt zich in het lichaam en
vermeerdert zich, maar er zijn nog geen zichtbare ziekteverschijnselen
- Duur: kan sterk varieren: afhankelijk van
o Type micro-organisme
o Immuniteit van persoon
o Blootstellingsdosis
- In sommige gevallen kan een persoon een asymptomatische drager worden:
draagt pathogeen en kan het verspreiden, maar is zelf niet ziek
• Symptomen en besmettelijkheid
- Lichaam reageert op infectie, symtomen worden zichtbaar
- Fase waarin persoon het meest besmettelijk is.
- Varieert in duur: sommige ziekten kunnen ook chronisch worden
• Mogelijke uitkomsten
- Herstel met of zonder immuniteit
o Immuunsysteem bestrijdt ziekteverwekker en elimineert deze uiteindelijk
uit het lichaam
o Patient kan immuniteit opbouwen tegen ziekteverwekker. Kan tijdelijk of
levenslang zijn, afhankelijk van de infectie
o Soms blijft ziekteverwekker sluimerend aanwezig, kan leiden tot latere
reactivatie
- Overlijden
,3 diversiteit van micro-organismen
3.1 soorten micro-organismen
• Bacterien
- Eencellige micro-organismen zonder celkern (prokaryoten)
- Kunnen ziekte veroorzaken via toxines en door invasie van lichaamsweefsel
- Kunnen snel delen door binaire deling en zich aanpassen aan verschillende
omgevingen
- Classificatie
o Vorm:
▪ Coccen: bolvormig
▪ Bacillen: staafvormig
▪ Spirocheten: spiraalvormig
o Gramkleuring
▪ Gram positief en gram negatief
o Metabolisme
▪ Bv: aeroob vs anaeroob
• Virussen
- Niet levende deeltjes die een gastheercel nodig hebben om te vermenigvuldigen
- Bestaan uit genetisch materiaal (RNA of DNA) omgeven door een eiwitmantel en
soms een lipidenmembraan (envelop)
- Voortplanting: virus dringt gastheercel binnen, gebruikt de cellulaire machinerie
van het lichaam om zich te kopieren en breekt de cel open om nieuwe
virusdeeltjes vrij te laten
- Klein formaat, snelle mutaties → kunnen immuunsysteem omzeilen
• Parasieten
- Organismen die in of op een gastheer leven en schade kunnen veroorzaken
- Voorbeelden: protozoa, wormen (helminten), ectoparasieten (luizen, teken)
- Kunnen varieren in ernst
• Schimmels
- Eukaryote micro-organismen → hebben een celkern
- Kunnen oppervlakkige infecties veroorzaken (zoals huidschimmels) of diepe
systemische infecties
- Kunnen sporen vormen , deze zijn resistent tegen desinfectie en antimicrobiele
middelen
, 3.2 kenmerken van micro-organismen
3.2.1 unieke eigenschappen en ziekte mechanismen
• Aanhechtingsfactoren
- Bacterien en virussen hebben vaak gespecialiseerde eiwitten waarmee ze zich
aan gastheercellen kunnen hechten
• Invasie-eigenschappen
- Sommige organismen kunnen verspreiden via bloed of lymfestelsel
o Salmonella: kan cellen in darmwand binnendringen en ontstekingsreactie
veroorzaken
• Toxine productie
- Productie van exotoxines of endotocines die cellen kunnen beschadigen
o Clostridium botulinum → produceert botulinetoxine
• Immuunontwijking
- Virussen kunnen muteren en bacterien kunnen kapsels vormen om detectie van
immuunsysteem te vermijderen
o HIV → gebruikt CD4 receptoren om T cellen binnen te dringen en te
vernietigen
3.2.2 resistentieprofielen
• Intrinsiek: van nature resistent tegen bepaalde antibiotica
• Verworven: door mutaties of verkrijgen van genen van andere bacterien kunnen
micro-organismen resistentie ontwikkelen
• Voorbeelden
- MRSA → resistent tegen methicilline en andere AB
- Klebsiella pneumoniae → kan enzymen produceren die krachtige antibiotica
afbreken
- Multi-resistente tuberculose
Toename van anti-microbiele resistentie (AMR)
Antimicrobiële resistentie verwijst naar het vermogen van micro-organismen, zoals
bacteriën, om zich te verzetten tegen de werking van antibiotica.
• Genetische diversificatie door mutaties
- Bacterien ondergaan van nature mutaties , soms is mutatie voordelig voor bact
omdat het resistentie biedt tegen bep AB
- Pre-resistente bacterien bestaan aanvankelijk in kleine aantallen binnen bact
populatie
• Overleving van resistente bacterien onder antibiotische druk