Hoofdstuk 1 van Basiskennis Geschiedenis door Hans Keissen behandelt de prehistorie, met
de nadruk op de overgang van jagers en verzamelaars naar landbouwsamenlevingen. Deze
overgang wordt beschouwd als een van de belangrijkste keerpunten in de menselijke
geschiedenis.
🧠 1.1 De vroege mens
De menselijke geschiedenis begint ongeveer 4,4 miljoen jaar geleden in Afrika met de eerste
mensachtigen. Ongeveer 1,4 miljoen jaar geleden verspreidde de soort Homo habilis zich over
de wereld, met uitzondering van Antarctica. Rond 100.000 jaar geleden verliet een nieuwe
mensensoort, de Homo sapiens, Afrika en verspreidde zich over andere continenten. Deze
soort had een groter aanpassingsvermogen dan eerdere mensensoorten, wat bijdroeg aan hun
overleving.
🏹 1.2 Jagen en verzamelen
Gedurende duizenden jaren leefden mensen als jagers en verzamelaars. Ze waren nomadisch,
wat betekent dat ze geen vaste woonplaats hadden en zich verplaatsten op zoek naar voedsel.
Hun bestaan was afhankelijk van de natuur, en ze gebruikten eenvoudige werktuigen van
vuursteen. Hun kennis werd mondeling doorgegeven, vaak in de vorm van verhalen.
🌾 1.3 De overgang naar landbouw
Ongeveer 13.000 jaar geleden eindigde de laatste ijstijd, wat leidde tot een warmer klimaat en
de opkomst van bossen in plaats van toendra's. Dit stelde mensen in staat om zich op één
plaats te vestigen, omdat er voldoende voedsel beschikbaar was in hun omgeving. Rond 9.000
v.Chr. ontstond in de Vruchtbare Halvemaan (het huidige Turkije, Irak, Libanon, Israël en
Syrië) de eerste agrarische samenleving. Deze overgang wordt de 'agrarische revolutie'
genoemd.
De gevolgen van de agrarische revolutie waren ingrijpend:
Mensen begonnen de natuur naar hun eigen wensen aan te passen.
De bevolking nam toe door de grotere voedselproductie.
Niet iedereen hoefde meer boer te zijn; er ontstonden andere beroepen.
De samenleving werd complexer en gelaagder.
Boeren begonnen dieren te temmen en te fokken, ontwikkelden nieuwe technieken zoals het
spinnen en weven van wol, en gebruikten metalen als koper, brons en later ijzer. Ze maakten
gebruik van lastdieren om goederen te vervoeren en als trekdier voor ploegen. Belangrijke
innovaties waren het mesten van de grond en het gebruik van de ploeg om de bodem
vruchtbaar te houden.
de nadruk op de overgang van jagers en verzamelaars naar landbouwsamenlevingen. Deze
overgang wordt beschouwd als een van de belangrijkste keerpunten in de menselijke
geschiedenis.
🧠 1.1 De vroege mens
De menselijke geschiedenis begint ongeveer 4,4 miljoen jaar geleden in Afrika met de eerste
mensachtigen. Ongeveer 1,4 miljoen jaar geleden verspreidde de soort Homo habilis zich over
de wereld, met uitzondering van Antarctica. Rond 100.000 jaar geleden verliet een nieuwe
mensensoort, de Homo sapiens, Afrika en verspreidde zich over andere continenten. Deze
soort had een groter aanpassingsvermogen dan eerdere mensensoorten, wat bijdroeg aan hun
overleving.
🏹 1.2 Jagen en verzamelen
Gedurende duizenden jaren leefden mensen als jagers en verzamelaars. Ze waren nomadisch,
wat betekent dat ze geen vaste woonplaats hadden en zich verplaatsten op zoek naar voedsel.
Hun bestaan was afhankelijk van de natuur, en ze gebruikten eenvoudige werktuigen van
vuursteen. Hun kennis werd mondeling doorgegeven, vaak in de vorm van verhalen.
🌾 1.3 De overgang naar landbouw
Ongeveer 13.000 jaar geleden eindigde de laatste ijstijd, wat leidde tot een warmer klimaat en
de opkomst van bossen in plaats van toendra's. Dit stelde mensen in staat om zich op één
plaats te vestigen, omdat er voldoende voedsel beschikbaar was in hun omgeving. Rond 9.000
v.Chr. ontstond in de Vruchtbare Halvemaan (het huidige Turkije, Irak, Libanon, Israël en
Syrië) de eerste agrarische samenleving. Deze overgang wordt de 'agrarische revolutie'
genoemd.
De gevolgen van de agrarische revolutie waren ingrijpend:
Mensen begonnen de natuur naar hun eigen wensen aan te passen.
De bevolking nam toe door de grotere voedselproductie.
Niet iedereen hoefde meer boer te zijn; er ontstonden andere beroepen.
De samenleving werd complexer en gelaagder.
Boeren begonnen dieren te temmen en te fokken, ontwikkelden nieuwe technieken zoals het
spinnen en weven van wol, en gebruikten metalen als koper, brons en later ijzer. Ze maakten
gebruik van lastdieren om goederen te vervoeren en als trekdier voor ploegen. Belangrijke
innovaties waren het mesten van de grond en het gebruik van de ploeg om de bodem
vruchtbaar te houden.