Verbintenissenrecht
Verbintenissenrecht (1)
Wanneer men een contract sluit, komen daar verbintenissen uit en bij schending van deze
verbintenissen, kan de benadeelde een vordering instellen = contractuele aansprakelijkheid
Ook buitencontractuele aansprakelijkheid is mogelijk bij fout, schade en causaal verband. Dit is bij
een loutere overtreding van de wet ook mogelijk, dan is schade, fout en het verband niet
noodzakelijk; enkel dan het bewijs dat de wet is overtreden is genoeg.
Grondvraag is wie, op grond van wat, tegen wie kan vorderen.
Dus twee mogelijkheden, nl. contractueel of buitencontractueel (1382-83). Maar stel contract tussen
A-B en B-C, B maakt fout en dan kan C soms toch nog vorderen jegens A: ook dat is contractueel van
aard. Waarom? Men wil C beschermen, C kan dus de vordering van B jegens A instellen. C krijgt door
bv. koopcontract vorderingen van B jegens A bijvoorbeeld wegens een verborgen gebrek. Dus
contractuele vordering B-A gaat mee met het verkochte product richting C.
Dat kwam er na rechtspraak Hof van Cassatie, op basis van artikel 1615 OBW.
Verbintenis is een rechtsband tussen twee of meerdere personen – schuldeiser & schuldenaar –
waarbij schuldenaar bepaalde prestatie verschuldigd is aan schuldeiser, dat in rechte afdwingbaar is.
Voor bepaalde contracten is er geen akte nodig zoals een – vereenvoudigd – koopcontract,
belangrijk: een contract is geen verbintenis, maar een bron van verbintenis!
Bijvoorbeeld een lening is de bron van de verbintenis om het geld terug te
betalen
Waarom is een contract een rechtshandeling? Omdat men elkaars prestaties wil (kunnen) afdwingen.
Een contract is het belangrijkste voorbeeld van een rechtshandeling.
Bij lastgeving geeft de eigenaar – lastgever – de makelaar – de lasthebber – de opdracht om een
rechtshandeling te verrichten, bv. een huurder zoeken.
Voor alle types contracten zijn er verschillende regels, bv. lastgeving, koop, aanneming…
Bronnen van verbintenissen
1. Contracten (zie supra)
2. De wet, bv. bij belastingen
3. Buitencontractuele aansprakelijkheid (1382…)
4. Onverschuldigde betaling; stel iemand stort 1 miljoen plots op je rekening dan ben jij de
schuldenaar
5. De eenzijdige wilsuiting/belofte, bv. je zet op sociale media nadat je je hondje bent verloren
dat de vinder 1000 euro krijgt, dan is er geen contract maar de eenzijdige belofte creëert wel
al een verbintenis
1
, 6. Zaakwaarneming, verbintenis tussen zaakwaarnemer en eigenaar zaak, bv. buur gaat op reis
en pannen vallen van dak, jij kan hem niet bereiken, dan kan jij aannemen dat te herstellen
zonder enige verplichting: je maakt kosten en kan die recupereren van de meester van de
zaak. Ook indien 3 alpinisten gaan stappen, de ene breekt z’n been en ander blijft bij hem en
verwarmt hem tijdens de afwezigheid van de derde die naar het ziekenhuis achter hulp
zocht. Stel jij verwarmt de gewonde en door de koude bevriest je teen en moet die afgezet
worden, dan is er verbintenis waarbij de gewonde de zaakwaarnemer zal moeten vergoeden
voor zijn “kosten”, namelijk de afgezette teen.
7. De ongerechtvaardigde verrijking, bv. je woont samen met Max en jij doet alles, hij is lui, en
hij geniet van alles wat jij verricht (nl. de werken en de gelden die jij krijgt, terwijl Max niet
werkt), indien de ander helpt in huis is er geen ongerechtvaardigde verrijking, maar indien
die niets doet of als het niet evenredig is, dan kan een verbintenis ontstaan met als bron de
ongerechtvaardigde verrijking. Is niet gelijk aan een schenking – een schenking is geen bron
van verbintenis, maar een wilsovereenkomst, nl. een eenzijdig contract.
8. De schijnleer, bv. bakker heeft rechtstreekse vordering jegens bank als hij z’n gelden inbrengt
bij bankbediende en die fraudeert.
Bronnen van verbintenissenrecht
a. Boek 5, BW; veel maar niet alle, buitencontractuele aansprakelijkheid vind je in boek 6
(bestaat wel nog niet)
CISG, PICC, PECL, DCFR: 4 supranationale instrumenten die ons boek 5 beter leren
begrijpen
b. CISG: Convention of International Sales of Goods, gaat over regels rond koop van
internationale goederen
c. PICC: Principes voor internationale handelscontracten, regels die we in de meeste
systemen vinden om een helder contract te sluiten
d. PECL: Principles of European Contract Law, gemeenschappelijke regels van EU-lidstaten
inzake contractenrecht, deze regels zijn soft law dus niet bindend
e. DCFR: Draft Common Frame of Reference, ontwerp voor het Europees BW: niet alleen
contractenrecht zoals PECL, maar ook bijzondere contracten (ook soft law)
Het leven van een contract
Eerst precontractuele fase, nl. de onderhandelingsfase, dan het sluiten van een contract (gesloten of
niet en geldig of niet), dan het leven van het contract (de nakomingsfase) en het ‘overlijden’ van het
contract. Dat laatste kan op verschillende manieren. Ten slotte ook de postcontractuele fase, nl. een
verbintenis (blijft een contractuele verbintenis) dat erna geldig blijft, bv. een concurrentiebeding of je
koopt een beeld in de antiekwinkel en achteraf blijkt het niets waard dan is er een precontractuele
fout geweest en dan bevindt zich dat in de buitencontractuele aansprakelijkheid. Nog een voorbeeld
is als je dat in ontvangst wil nemen en ondertussen maakte de verkoper dat beeldje na, dan ligt het
probleem niet voor het uitvoering van het contract maar BIJ het uitvoeren, dan spreken we van
contractbreuk en geldt er contractuele aansprakelijkheid. Sancties bij precontractuele en bij
uitvoering zelf zijn steeds anders, daarom is de determinatie ervan zeer belangrijk.
Les 2, niet aanwezig
2
, Verbintenissenrecht (3)
Contract = wilsovereenkomst en een contractueel document is een van de mogelijke vormen van een
contract.
Eens je je vrijheid (met wie; wat) hebt uitgeoefend, dus een contract hebt gesloten, ben je gebonden.
Wel beperkingen op je vrijheid
Nietigverklaring is er enkel bij een probleem van de geldigheid van een contract en mag niet verward
worden met de ontbinding wegens een wanprestatie.
Hoofdstuk 2: nieuw verbintenissenrecht (boek 5 BW)
Aard, doel en de regels inzake de werking van het nieuw verbintenissenrecht
1. De aard
Suppletief, dwingend of openbare orde? Er was aanvankelijk geen residuaire regel, nu wel nl.
in artikel 5.3, lid 2: de regels in boek 5 van het BW zijn van aanvullend/ suppletief recht, tenzij
blijkt dat uit de tekst of de draagwijdte ervan blijkt dat de regel van dwingend recht of
openbare orde is. Het kan ook zijn dat het gedeeltelijk van dwingend recht is of van openbare
orde (er staat nergens dat het van openbare orde of dwingend recht is).
- Voorbeeld regels dwingend recht
Je kan bv. je aansprakelijkheid niet inperken of uitsluiten ingeval van opzet.
Je kan een overeenkomst van onbepaalde duur altijd eenzijdig opzeggen, of het nu om
een regeling van openbare orde gaat of niet.
Hoe wordt van het suppletief recht afgeweken? In de wet staat er “behoudens
andersluidend beding” als het suppletief is.
2. De doelstelling
Codificatie van het bestaande recht, men besliste om het te codificeren, aangezien het
verbintenissenrecht vele veranderingen kende doorheen de jaren; waarborgen stabiliteit en
rechtszekerheid. Grotere toegankelijkheid voor zowel jurist als burger. Daarnaast moest er
ook flexibiliteit gecreëerd worden: er zijn immers algemene normen opgenomen in Boek 5,
zoals redelijkheid, de soort verbintenissen… Ook modernisering van regels, bv. de goede zeden
zijn verdwenen, want dat zit binnen de openbare orde; de goede huisvader is ook laten vallen
(nu een normaal en redelijk persoon); toch blijft de oorzaak bestaan, ook al is dat begrip in
andere landen verdwenen; men maakt ook niet volledig komaf met Latijn (in solidum blijft
bestaan). Nieuw evenwicht tussen de wilsautonomie van de partijen en de rol van de rechter
als de behoeder van de partijen in het algemeen belang, dat door bv. de invoering van het
misbruik van omstandigheden. Maar eigenlijk creëert dat laatste geen nieuw evenwicht, dat is
gewoon een codificatie van wat al was (bestaat al 30 jaar). Wat wel een nieuw evenwicht
creëert is bv. bij onrechtmatige bedingen, waarbij je niet hebt kunnen onderhandelen
waardoor een kennelijk onevenwicht ontstond tussenbeide, is de overeenkomst nietig: artikel
5.52 BW. Ook de symboliek van een nieuw wetboek is een doelstelling. Andere doelen: zie
cursus.
3
, 3. De werking in de tijd
Vind je niet terug in het wetboek. Basisregel: nieuw verbintenissenrecht geldt voor
rechtshandelingen vanaf 1 januari 2023. Twee bijzondere overgangsregels:
1. Oude contracten blijven beheerst door het oude recht van het Oud Burgerlijk Wetboek,
ook toekomstige rechtsgevolgen van die oude contracten, zelfs indien de nieuwe regel
van openbare orde of van dwingend recht is.
2. Nieuwe rechtshandeling m.b.t. oud contract, wordt ook beheerst door het oude recht (bv.
nieuw contract tot wijziging en verlenging; maak wel het onderscheid tussen verlenging
en vernieuwing, bij een vernieuwing verandert enkel de termijn, dus bv. wanneer de
termijn is afgelopen, gaat men een vernieuwing doen (je kan pas van vernieuwing
spreken als de termijn wordt vernieuwt) dan geldt het oude recht nog; indien je iets
anders verandert aan het contract, geldt het nieuwe recht). Een verlenging is de termijn
veranderen voordat de termijn verstreken is, dan geldt ook het oude recht nog.
Een raamcontract is een contract, waarbij een kader wordt gecreëerd, bv. ik ga auto’s van
jou aankopen volgens het boekje dat mij wordt opgelegd.
3. Anticipatieve toepassing: indien er veel discussie is betreffende een oud contract, kan de
rechter een anticipatieve toepassing doen en gebruik maken van het nieuw wetboek, ook
al is het oude recht eigenlijk van toepassing.
Deel l
Waarom is een contract bindend?
Een contract is bindend, omdat partijen dat willen (de wilsleer). Typisch vb.: stel je bent
hoofdaannemer en je wil een contract ophalen bij opdrachtgever (overheid). De
hoofdaannemer zal offertes vragen aan onderaannemers en op basis van de offertes zet hij
een prijs met marge op de overheid. De onderaannemers doen allemaal een eenzijdig aanbod
en de hoofdaannemer kan vertrouwen op het bindend karakter van het aanbod. Dus een
contract is ook bindend, omdat men kan vertrouwen op het bindend karakter. Ook is een
contract bindend om rechtszekerheid te waarborgen. Efficiëntie is ook een reden waarom een
contract bindend is. Dat is ook de reden waarom de rechter niet mag tussenkomen bij de prijs
van een goed. Dus de rechter mag in beginsel niet steeds vragen of dat wel een rechtvaardige
prijs is voor een goed. Ook om ethische redenen is een contract bindend, “beloofd is
beloofd”.
Contractsvrijheid
Openbare orde, maar kan wel aan beperkingen onderworpen worden uiteraard.
Contractsvrijheid is het principe.
Contractsvrijheid heeft 2 aspecten
1. Materieel principe; je kan kiezen met wie en wanneer
2. Formeel principe; je bent vrij de vorm te kiezen waarin je tot een contract komt.
Consensualisme.
4
, Beperkingen contractsvrijheid
1. Openbare orde en dwingend recht
Artikel 1.3 BW: geen overeenkomsten zijn mogelijk wanneer men afwijkt van regels van
dwingend recht en openbare orde. Dwingend recht zijn de regels die gelden ter bescherming van
de zwakkere partij. De openbare orde gaat over dingen die de belangen van de staat raken, nl. de
politieke orde, de economische orde, de sociale orde, de ecologische orde en de orde van het
leven. Die lijst is niet limitatief, aangezien de culturele orde dat ook kàn zijn. Zijn regels van
sociale orde van openbare orde? Hangt ervan af, enkel indien de fundamentele belangen van de
staat aangetast zijn. Nietigheid bij schending (bij contract) van openbare orde is absoluut, bij
dwingend recht relatief. De nietigheid kan bij de regels van dwingend recht opgeworpen worden
door elke beschermde partij en bij de openbare orde door elke belanghebbende.
Voorbeeld dwingend recht
In de handelshuurwet, bv. artikel 6 is van dwingend recht: “Handelshuurder en -
verhuurder kunnen elke 3 jaar de prijs herzien, indien de waarde van het goed
intussen omhoog of omlaag is gegaan met minstens 15%.” Kan bv. omdat de buurt
verloederd is geraakt… De zwakkere partij is de huurder indien de waarde is gezakt
en de verhuurder indien de prijs is gestegen. Een regel van dwingend recht kan door
beide partijen opgeworpen worden, weliswaar bij een onderscheiden situatie
uiteraard.
Voorbeeld openbare orde
X en Y gaan voor een overheidsopdracht en X krijgt de opdracht. Y is niet content en
kan bewijzen dat er regels van openbare orde zijn geschonden. Dan kan Y als derde
de nietigheid opwerpen (wegens absolute nietigheid), want hij is belanghebbende;
zonder die fout kreeg hij de opdracht misschien.
Relatieve versus absolute nietigheid: zie artikel 5.58, wijkt af van definities Boek 1.
Oceano-Gruppoarrest
Spaanse rechter vraagt of een schending van consumentenwetgeving ambtshalve kan worden
opgeroepen, ook al doet de beschermde partij het zelf niet.
Hof van Justitie stemt in, want het is een regel van absoluut belang
= vervelend voor België, want hier heerst de gewoonte dat regels van dwingend
recht niet ambtshalve konden opgeroepen worden. In 2005 kwam er een wet,
waardoor nu ook de rechter ambtshalve dwingend recht kon opwerpen.
Ander perspectief: ene particulier, ander algemeen belang. Wetgever kan alleen
optreden indien het algemeen belang is. Het Hof van Justitie zegt dat het
consumentenrecht van algemeen belang is, maar hier is het van dwingend recht.
Oplossing? Het woordje “hoofdzakelijk” werd toegevoegd bij definitie Boek 5. Dus
de rechter kan bij dwingend recht de nietigheid hoofdzakelijk niet opwerpen.
5
, 2. Fundamentele rechten/grondrechten
= algemeen subjectieve rechten, zijn niet algemeen bv. zakelijke rechten
(Overheid beschermt de mens in zijn grondrechten (verticale werking grondrechten))
Particulieren hebben ook een onderlinge overeenkomst (horizontale werking =
constitutionalisering van privaatrecht)
Bv. verbod op huisdier in een verhuurde woning, indien niemand daar last van heeft
van het huisdier en er geen schade door werd berokkend, zal de verhuurder het recht
van ontbinding door dat verbod niet kunnen uitoefenen, want het uitoefenen van dat
zou een kennelijk onevenwicht creëren. = recht op privéleven neemt de bovenhand
van de clausule. = horizontale doorwerking van grondrecht op privéleven. Anders
rechtsmisbruik (kennelijk buiten de grenzen van een normaal zorgvuldig persoon).
Bv. je sluit een contract met een bedrijf voor een striptease-act, dat is niet nietig,
maar indien de stripper besluit – in de uitvoeringsfase, dus net achter de doeken bv.
– toch niet op te treden. Dan kan jij de stripper niet dwingen dat wel te doen, want
het grondrecht van menselijke waardigheid
Verbintenissenrecht (4)
Dus de contractsvrijheid en de gebondenheid worden ook beperkt door die fundamentele rechten, in
horizontale zin bv. huurder – verhuurder.
Beperking gaat niet per se over geldigheid, maar misschien wel over de gebondenheid, zie
voorbeeld van huisdier boven.
Hoe creëer je de horizontale doorwerking van grondrecht op privéleven?
Door algemene zorgvuldigheidsnorm, zoals rechtsmisbruik, openbare orde
Proportionaliteit is zeer belangrijk, bv. ontslaan door iets gezegd? Proportionaliteit vrijheid
van meningsuiting – ontslag beoordelen.
Bv. ex-partners komen onderhoudsovereenkomst overeen, maar de ene kan dat niet meer
betalen = rechtsmisbruik, want recht op menswaardig leven > overeenkomst.
Bv. stel een hotel heeft een uitbater onder contract van zijn fitnessruimte en gaat op zoek
naar een andere uitbater, er wordt een intentieverklaring getekend met de mogelijk nieuwe
uitbater. Deze laatste ging met de CEO van het hotel kijken naar het lokaal en achteraf zei
iemand tegen de CEO over de kandidaat: “Die Marokkaan komt hier niet binnen.” De
kandidaat had een vriend die dat gehoord had, maar ondertussen werden de
onderhandelingen afgebroken. De CEO moest bewijzen dat hij niet op basis van de afkomst
van de Marokkaan de onderhandelingen stopzette en dat lukte hem, omdat er objectieve
redenen waren: de kandidaat z’n businessplan was niet goed, waardoor er verlies gedraaid
zou worden. De rechtvaardiging van het stopzetten van de onderhandelingen was dus
aanwezig en er was dus geen precontractuele fout gebeurd.
6
, Verbod rechtsmisbruik
De rechtspraak hierover is gecodificeerd, artikel 1.10 BW
= van algemeen rechtsbeginsel naar wettelijke norm
= je hebt een recht, maar je mag het niet uitoefenen vanwege omstandigheden
Sanctie
= matiging + herstel van de schade
Criteria pagina 105 – 106 leren !
Schadebeding
= het beding wordt getriggerd bij een wanprestatie (contractbreuk) en dan moet je een bepaald
bedrag betalen, een intrestvoet betalen voor zolang je niet betaalt of een prestatie verrichten.
In principe is een schadebeding perfect geldig, maar je mag niet meer of minder vragen dan in het
beding vastgelegd staat. Je sluit een schadebeding in je contract omdat je de schade niet hoeft te
bewijzen, de wanprestatie alleen is nl. genoeg voor de schadevergoeding.
Er was een sociale huisvestingsmaatschappij die een schadebeding sloot met een koppel,
waarin vervat dat indien het huis te koop wordt gezet binnen de 20 jaar er een
schadevergoeding betaald dient te worden. Het koppel scheidt na 17 jaar en moet het huis
verkopen. De maatschappij mocht zich niet op het schadebeding beroepen, omdat er een
kennelijk onevenwicht ontstond. Sanctie = matiging, NIET verval/nietigheid van het beding.
Een probleem van rechtsmisbruik is geen probleem van geldigheid.
Er is een huur van 9 jaar zonder opzegmogelijkheid, na 1 jaar wil de huurder alsnog het
appartement verlaten, ook al heeft hij geen grond (want er is een bepaalde duur). De
huurder begaat aldus een wanprestatie, de primaire sanctie daarop is uitvoering in natura (=
het betalen van de huur voor de komende 8 jaar). Maar de verhuurder kan ook gaan voor de
ontbinding van het contract en een schadevergoeding eisen voor de periode dat hij geen
nieuwe huurder heeft voor dat pand. Dat laatste creëert minder last voor de huurder, dus
gaan voor de eerste optie (uitvoering in natura) is disproportioneel en kwalificeert men als
rechtsmisbruik.
Artikel 5.73 (regel van openbare orde/dwingend recht)
Verbod rechtsmisbruik is dus minstens dwingend recht.
3. Rechtsverwerking
= je verliest je recht als je houding objectief onverenigbaar is met de uitoefening van een
recht.
MAAR geen aparte theorie, je moet kijken naar uitoefening van rechtsmisbruik.
4. Fraus omnia corrumpit (bedrog tast alles aan)
= geen algemeen rechtsbeginsel meer, maar wettelijke norm door codificatie.
Artikel 1.11: “Oogmerk om te schaden”.
7
, = bedrog (= wilsgebrek), bedrog mag niet verschoonbaar zijn, dus er moet enkel bewezen
worden dat er een opzettelijke fout is begaan mét het oogmerk schade toe te brengen of uit
winstbejag.
Bv. Er is schade door 2 fouten, waarvan 1 opzettelijke fout door A; dan zal er geen verdeling
zijn (in solidum leidt uiteindelijk tot verdeling), maar zal A (die een opzettelijke fout beging
alles moeten vergoeden.
5. Verbod op wetsontduiking
= resultaat bekomen door toepassing van een andere rechtsregel.
Bv. schijnhuwelijk
6. Buitencontractuele foutaansprakelijkheid
= de manier om tot een contract te komen met een buitencontractuele fout is ook een
beperking.
Hoe kan C beperkt zijn een contract aan te gaan door een contract tussen A en B?
= derdemedeplichtigheid, kan door een overtreding 1382-1383 BW of artikel 5.111 BW.
Bv. liftongeval, je stapt in lift, maar lift is er niet. Dat kwam door een fout in onderhoud
tussen liftfirma – eigenaar, het slachtoffer is de derde. Dus zowel de eigenaar
(contractspartij) als de derde (het slachtoffer) kunnen een schadevergoeding eisen. Dat is
dus een rem op de wijze waarop een contract wordt uitgevoerd.
Deel II
Precontractuele fase
Tandarts verkoopt iets aan een projectontwikkelaar, na de verkoop blijkt dat het voorwerp op de lijst
van bouwkundig erfgoed staat. De PO is daar niet blij mee en eist de nietigverklaring van het
contract, aangezien de tandarts dat had moeten zeggen (precontractuele informatieplicht). Dat geeft
aanleiding tot de buitencontractuele aansprakelijkheid van de tandarts. De PO kan dus een vordering
instellen tegen de tandarts op basis van artikel 1382-1383 oud Burgerlijk Wetboek. Hij vordert de
nietigverklaring ( ontbinding is er wanneer er een wanprestatie is) van het contract. Voor de
buitencontractuele aansprakelijkheid moet hij aantonen dat er een fout is, schade en een causaal
verband. Voor de nietigverklaring moet hij bewijzen dat er een wilsgebrek is, nl. dwaling hier.
Niet door elkaar gebruiken, zie schema hieronder. Doe het gestructureerd.
a. WIE KAN IETS VORDEREN?
b. TEGEN WIE?
c. WAT KAN JE VORDEREN?
d. OP GROND WAARVAN?
= bij een casus
8
,Vordering ontvankelijk? Indien goed pas net op de lijst, dan geen fout. De hamvraag is: “Had een
normaal zorgvuldig persoon dat moeten weten?” De tandarts moest de info niet kennen, MAAR als
tandarts het wist, beging hij een opzettelijke fout (bedrog). De PO moet een fout in hoofde van de
tandarts bewijzen, dat is hier moeilijk aan te tonen. Het staat vast dat de PO heeft gedwaald, maar
kan je dwaling inroepen? Neen, want deze dwaling is niet verschoonbaar; een normaal zorgvuldig
persoon zou dat moeten geweten hebben.
De PO heeft pech, de vordering tot schadevergoeding en nietigverklaring worden afgewezen.
Wat kan er nog mislopen in de precontractuele fase? Bij verkoop van onroerend goed zijn er
voorschriften voor de verkoop van onroerend goed in decreten opgenomen, ten eerste het
bodemattest... in onderhandse akte is een formaliteit op straffe van nietigheid enkel in te roepen
door de koper. Daarnaast moeten de stedenbouwkundige vermeldingen vermeld worden op straffe
van nietigheid, ook enkel in te roepen door de koper. Dat laatste hield de verkoper niet in rekening,
dus de koper kon dat inroepen voor de nietigheid.
Verbintenissenrecht (5)
Contractsvrijheid/onderhandelingsvrijheid (= vrij om al dan niet te contractueren, om al dan niet te
onderhandelen…).
= beginsel, maar ook verplichtingen: onderhandelende partijen hebben ook plichten bij de
uitoefening van hun vrijheid.
Die verplichtingen kunnen specifieke wettelijke bepalingen zijn, maar ook algemene normen.
Klassiek is dat de (1) algemene zorgvuldigheidsnorm op grond van 1382-83 oud BW. ’t Is niet
omdat je aan alle wettelijke verplichtingen voldoet, je de algemene zorgvuldigheidsnorm mag
overtreden. Hoe bepaal je dat? Gedrag onderhandelende partij vergelijken met zorgvuldig en
redelijk persoon (= klassieke criterium van precontractuele aansprakelijkheid).
Tweede norm is (2) de goede trouw. Je moet handelen overeenkomstig de eisen van de
goede trouw. Bij schending aanleiding tot buitencontractuele aansprakelijkheid op grond van
1382-83 oud BW.
Ook (3) verbod van rechtsmisbruik, bijvoorbeeld contractsweigering op grond van
discriminerende gronden. Sanctie ervan is matiging en schadeherstel.
= 3 algemene normen waaraan je precontractuele gedrag kan worden getoetst.
Ook specifieke normen waaraan je precontractuele gedrag kan worden getoetst, dus
specifieke wettelijke bepalingen:
Bv. artikel 10 WER: je moet een hele reeks van opgesomde info geven bij commerciële
onderhandelingsovereenkomsten, bv. hoeveel keer is er al een contract gesloten met de
eigenaar van een gebouw.
Voordeel van die specifieke normen is dat je weet wat er moet gebeuren, bij de algemene
normen moet je zoeken naar wat de zorgvuldige en redelijke persoon zou doen. De algemene
normen zijn dus onduidelijker en vager. Bij specifieke normen weet je precies wat je moet
afvinken. Het kan wel zijn dat je op basis van een algemene norm meer info moet verschaffen,
dan bv. artikel 10 WER je gebiedt.
9
, Wat kan er mislopen in precontractuele fase?
Zie artikel 5.17 BW; 3 specifieke fouten die zich in de precontractuele fase kunnen voordoen (nl.
de 3 meest voorkomende). Naast die 3 kan er bv. ook mislopen dat een partij een contract sluit
met allerlei ongeldige clausules. Kan leiden tot precontractuele (= buitencontractuele)
aansprakelijkheid.
1. Foutief afbreken van de onderhandeling
Leidt tot aansprakelijkheid.
Wanneer is het dan foutief, wat is het criterium? De zorgvuldige en redelijke persoon (1382-83
oud BW). Zeer moeilijk om dat te besluiten, want het principe van onderhandelingsvrijheid is er.
Toch een bepaald punt waar je foutief handelt door het afbreken van de onderhandelingen: als je
onderhandelingen al zodanig ver gevorderd zijn en als je dan abrupt – zonder enige
rechtvaardiging – de onderhandelingen afbreekt (handelt immers niet als zorgvuldig en redelijk
persoon). Bv. firma dat glas maakt en heeft product nodig, dus sluit contract met andere firma.
Termijn is afgelopen van het contract en de firma die glas maakt, gaat de onderhandelingen aan
met een andere firma: lijkt een aantrekkelijker aanbod, maar de minister van Economische Zaken
komt tussen, want zorgt voor vermindering werkgelegenheid van eerste firma (derde firma is
immers in ander land). De glasmakers sluiten nieuw contract met eerste firma. Buitenlandse
firma is niet content en stelt een vordering in voor een schadevergoeding, aangezien de
glasmakers de onderhandelingen foutief zouden hebben afgebroken. Vordering wordt
afgewezen, want de glasmakers hadden goede redenen, ook al was het naar het einde van de
onderhandelingen toe.
Voorbeeld sportclubs: werd aanvaard dat er contractuele aansprakelijkheid was (fusie –
consensusvergadering – officiële publicatie van akkoord – geen formele contractuele
ondertekeningen – toch contractuele aansprakelijkheid), maar precontractuele aansprakelijkheid
wegens foutief afbreken ook mogelijk.
Vaak contractuele vordering alvorens precontractuele vordering, dat laatste indien blijkt dat er nog
geen totstandkoming van een contract was en de contractuele vordering aldus onontvankelijk was.
Wat kan je dan vorderen? Artikel 5.17 lid 2
Het negatief contractsbelang moet worden beschermd, dat is de regel en de uitzondering is de
bescherming van het positieve contractsbelang:
Positieve contractsbelang: winst vergoed die je op grond van dat contract kon maken, indien
onderhandelingen niet afgebroken. Dat is de uitzondering.
Negatief contractsbelang: vergoeding onderhandelingskosten. Dat is de hoofdregel.
Uitzondering kan enkel worden ingeroepen indien er een rechtmatig vertrouwen was gewekt – door
de andere partij – dat het contract zonder twijfel zou doorgaan. De rechter kan dit inroepen en heeft
daar vrijheid in: kan 30% - 100% van de winst als schadevergoeding opleggen.
10
Verbintenissenrecht (1)
Wanneer men een contract sluit, komen daar verbintenissen uit en bij schending van deze
verbintenissen, kan de benadeelde een vordering instellen = contractuele aansprakelijkheid
Ook buitencontractuele aansprakelijkheid is mogelijk bij fout, schade en causaal verband. Dit is bij
een loutere overtreding van de wet ook mogelijk, dan is schade, fout en het verband niet
noodzakelijk; enkel dan het bewijs dat de wet is overtreden is genoeg.
Grondvraag is wie, op grond van wat, tegen wie kan vorderen.
Dus twee mogelijkheden, nl. contractueel of buitencontractueel (1382-83). Maar stel contract tussen
A-B en B-C, B maakt fout en dan kan C soms toch nog vorderen jegens A: ook dat is contractueel van
aard. Waarom? Men wil C beschermen, C kan dus de vordering van B jegens A instellen. C krijgt door
bv. koopcontract vorderingen van B jegens A bijvoorbeeld wegens een verborgen gebrek. Dus
contractuele vordering B-A gaat mee met het verkochte product richting C.
Dat kwam er na rechtspraak Hof van Cassatie, op basis van artikel 1615 OBW.
Verbintenis is een rechtsband tussen twee of meerdere personen – schuldeiser & schuldenaar –
waarbij schuldenaar bepaalde prestatie verschuldigd is aan schuldeiser, dat in rechte afdwingbaar is.
Voor bepaalde contracten is er geen akte nodig zoals een – vereenvoudigd – koopcontract,
belangrijk: een contract is geen verbintenis, maar een bron van verbintenis!
Bijvoorbeeld een lening is de bron van de verbintenis om het geld terug te
betalen
Waarom is een contract een rechtshandeling? Omdat men elkaars prestaties wil (kunnen) afdwingen.
Een contract is het belangrijkste voorbeeld van een rechtshandeling.
Bij lastgeving geeft de eigenaar – lastgever – de makelaar – de lasthebber – de opdracht om een
rechtshandeling te verrichten, bv. een huurder zoeken.
Voor alle types contracten zijn er verschillende regels, bv. lastgeving, koop, aanneming…
Bronnen van verbintenissen
1. Contracten (zie supra)
2. De wet, bv. bij belastingen
3. Buitencontractuele aansprakelijkheid (1382…)
4. Onverschuldigde betaling; stel iemand stort 1 miljoen plots op je rekening dan ben jij de
schuldenaar
5. De eenzijdige wilsuiting/belofte, bv. je zet op sociale media nadat je je hondje bent verloren
dat de vinder 1000 euro krijgt, dan is er geen contract maar de eenzijdige belofte creëert wel
al een verbintenis
1
, 6. Zaakwaarneming, verbintenis tussen zaakwaarnemer en eigenaar zaak, bv. buur gaat op reis
en pannen vallen van dak, jij kan hem niet bereiken, dan kan jij aannemen dat te herstellen
zonder enige verplichting: je maakt kosten en kan die recupereren van de meester van de
zaak. Ook indien 3 alpinisten gaan stappen, de ene breekt z’n been en ander blijft bij hem en
verwarmt hem tijdens de afwezigheid van de derde die naar het ziekenhuis achter hulp
zocht. Stel jij verwarmt de gewonde en door de koude bevriest je teen en moet die afgezet
worden, dan is er verbintenis waarbij de gewonde de zaakwaarnemer zal moeten vergoeden
voor zijn “kosten”, namelijk de afgezette teen.
7. De ongerechtvaardigde verrijking, bv. je woont samen met Max en jij doet alles, hij is lui, en
hij geniet van alles wat jij verricht (nl. de werken en de gelden die jij krijgt, terwijl Max niet
werkt), indien de ander helpt in huis is er geen ongerechtvaardigde verrijking, maar indien
die niets doet of als het niet evenredig is, dan kan een verbintenis ontstaan met als bron de
ongerechtvaardigde verrijking. Is niet gelijk aan een schenking – een schenking is geen bron
van verbintenis, maar een wilsovereenkomst, nl. een eenzijdig contract.
8. De schijnleer, bv. bakker heeft rechtstreekse vordering jegens bank als hij z’n gelden inbrengt
bij bankbediende en die fraudeert.
Bronnen van verbintenissenrecht
a. Boek 5, BW; veel maar niet alle, buitencontractuele aansprakelijkheid vind je in boek 6
(bestaat wel nog niet)
CISG, PICC, PECL, DCFR: 4 supranationale instrumenten die ons boek 5 beter leren
begrijpen
b. CISG: Convention of International Sales of Goods, gaat over regels rond koop van
internationale goederen
c. PICC: Principes voor internationale handelscontracten, regels die we in de meeste
systemen vinden om een helder contract te sluiten
d. PECL: Principles of European Contract Law, gemeenschappelijke regels van EU-lidstaten
inzake contractenrecht, deze regels zijn soft law dus niet bindend
e. DCFR: Draft Common Frame of Reference, ontwerp voor het Europees BW: niet alleen
contractenrecht zoals PECL, maar ook bijzondere contracten (ook soft law)
Het leven van een contract
Eerst precontractuele fase, nl. de onderhandelingsfase, dan het sluiten van een contract (gesloten of
niet en geldig of niet), dan het leven van het contract (de nakomingsfase) en het ‘overlijden’ van het
contract. Dat laatste kan op verschillende manieren. Ten slotte ook de postcontractuele fase, nl. een
verbintenis (blijft een contractuele verbintenis) dat erna geldig blijft, bv. een concurrentiebeding of je
koopt een beeld in de antiekwinkel en achteraf blijkt het niets waard dan is er een precontractuele
fout geweest en dan bevindt zich dat in de buitencontractuele aansprakelijkheid. Nog een voorbeeld
is als je dat in ontvangst wil nemen en ondertussen maakte de verkoper dat beeldje na, dan ligt het
probleem niet voor het uitvoering van het contract maar BIJ het uitvoeren, dan spreken we van
contractbreuk en geldt er contractuele aansprakelijkheid. Sancties bij precontractuele en bij
uitvoering zelf zijn steeds anders, daarom is de determinatie ervan zeer belangrijk.
Les 2, niet aanwezig
2
, Verbintenissenrecht (3)
Contract = wilsovereenkomst en een contractueel document is een van de mogelijke vormen van een
contract.
Eens je je vrijheid (met wie; wat) hebt uitgeoefend, dus een contract hebt gesloten, ben je gebonden.
Wel beperkingen op je vrijheid
Nietigverklaring is er enkel bij een probleem van de geldigheid van een contract en mag niet verward
worden met de ontbinding wegens een wanprestatie.
Hoofdstuk 2: nieuw verbintenissenrecht (boek 5 BW)
Aard, doel en de regels inzake de werking van het nieuw verbintenissenrecht
1. De aard
Suppletief, dwingend of openbare orde? Er was aanvankelijk geen residuaire regel, nu wel nl.
in artikel 5.3, lid 2: de regels in boek 5 van het BW zijn van aanvullend/ suppletief recht, tenzij
blijkt dat uit de tekst of de draagwijdte ervan blijkt dat de regel van dwingend recht of
openbare orde is. Het kan ook zijn dat het gedeeltelijk van dwingend recht is of van openbare
orde (er staat nergens dat het van openbare orde of dwingend recht is).
- Voorbeeld regels dwingend recht
Je kan bv. je aansprakelijkheid niet inperken of uitsluiten ingeval van opzet.
Je kan een overeenkomst van onbepaalde duur altijd eenzijdig opzeggen, of het nu om
een regeling van openbare orde gaat of niet.
Hoe wordt van het suppletief recht afgeweken? In de wet staat er “behoudens
andersluidend beding” als het suppletief is.
2. De doelstelling
Codificatie van het bestaande recht, men besliste om het te codificeren, aangezien het
verbintenissenrecht vele veranderingen kende doorheen de jaren; waarborgen stabiliteit en
rechtszekerheid. Grotere toegankelijkheid voor zowel jurist als burger. Daarnaast moest er
ook flexibiliteit gecreëerd worden: er zijn immers algemene normen opgenomen in Boek 5,
zoals redelijkheid, de soort verbintenissen… Ook modernisering van regels, bv. de goede zeden
zijn verdwenen, want dat zit binnen de openbare orde; de goede huisvader is ook laten vallen
(nu een normaal en redelijk persoon); toch blijft de oorzaak bestaan, ook al is dat begrip in
andere landen verdwenen; men maakt ook niet volledig komaf met Latijn (in solidum blijft
bestaan). Nieuw evenwicht tussen de wilsautonomie van de partijen en de rol van de rechter
als de behoeder van de partijen in het algemeen belang, dat door bv. de invoering van het
misbruik van omstandigheden. Maar eigenlijk creëert dat laatste geen nieuw evenwicht, dat is
gewoon een codificatie van wat al was (bestaat al 30 jaar). Wat wel een nieuw evenwicht
creëert is bv. bij onrechtmatige bedingen, waarbij je niet hebt kunnen onderhandelen
waardoor een kennelijk onevenwicht ontstond tussenbeide, is de overeenkomst nietig: artikel
5.52 BW. Ook de symboliek van een nieuw wetboek is een doelstelling. Andere doelen: zie
cursus.
3
, 3. De werking in de tijd
Vind je niet terug in het wetboek. Basisregel: nieuw verbintenissenrecht geldt voor
rechtshandelingen vanaf 1 januari 2023. Twee bijzondere overgangsregels:
1. Oude contracten blijven beheerst door het oude recht van het Oud Burgerlijk Wetboek,
ook toekomstige rechtsgevolgen van die oude contracten, zelfs indien de nieuwe regel
van openbare orde of van dwingend recht is.
2. Nieuwe rechtshandeling m.b.t. oud contract, wordt ook beheerst door het oude recht (bv.
nieuw contract tot wijziging en verlenging; maak wel het onderscheid tussen verlenging
en vernieuwing, bij een vernieuwing verandert enkel de termijn, dus bv. wanneer de
termijn is afgelopen, gaat men een vernieuwing doen (je kan pas van vernieuwing
spreken als de termijn wordt vernieuwt) dan geldt het oude recht nog; indien je iets
anders verandert aan het contract, geldt het nieuwe recht). Een verlenging is de termijn
veranderen voordat de termijn verstreken is, dan geldt ook het oude recht nog.
Een raamcontract is een contract, waarbij een kader wordt gecreëerd, bv. ik ga auto’s van
jou aankopen volgens het boekje dat mij wordt opgelegd.
3. Anticipatieve toepassing: indien er veel discussie is betreffende een oud contract, kan de
rechter een anticipatieve toepassing doen en gebruik maken van het nieuw wetboek, ook
al is het oude recht eigenlijk van toepassing.
Deel l
Waarom is een contract bindend?
Een contract is bindend, omdat partijen dat willen (de wilsleer). Typisch vb.: stel je bent
hoofdaannemer en je wil een contract ophalen bij opdrachtgever (overheid). De
hoofdaannemer zal offertes vragen aan onderaannemers en op basis van de offertes zet hij
een prijs met marge op de overheid. De onderaannemers doen allemaal een eenzijdig aanbod
en de hoofdaannemer kan vertrouwen op het bindend karakter van het aanbod. Dus een
contract is ook bindend, omdat men kan vertrouwen op het bindend karakter. Ook is een
contract bindend om rechtszekerheid te waarborgen. Efficiëntie is ook een reden waarom een
contract bindend is. Dat is ook de reden waarom de rechter niet mag tussenkomen bij de prijs
van een goed. Dus de rechter mag in beginsel niet steeds vragen of dat wel een rechtvaardige
prijs is voor een goed. Ook om ethische redenen is een contract bindend, “beloofd is
beloofd”.
Contractsvrijheid
Openbare orde, maar kan wel aan beperkingen onderworpen worden uiteraard.
Contractsvrijheid is het principe.
Contractsvrijheid heeft 2 aspecten
1. Materieel principe; je kan kiezen met wie en wanneer
2. Formeel principe; je bent vrij de vorm te kiezen waarin je tot een contract komt.
Consensualisme.
4
, Beperkingen contractsvrijheid
1. Openbare orde en dwingend recht
Artikel 1.3 BW: geen overeenkomsten zijn mogelijk wanneer men afwijkt van regels van
dwingend recht en openbare orde. Dwingend recht zijn de regels die gelden ter bescherming van
de zwakkere partij. De openbare orde gaat over dingen die de belangen van de staat raken, nl. de
politieke orde, de economische orde, de sociale orde, de ecologische orde en de orde van het
leven. Die lijst is niet limitatief, aangezien de culturele orde dat ook kàn zijn. Zijn regels van
sociale orde van openbare orde? Hangt ervan af, enkel indien de fundamentele belangen van de
staat aangetast zijn. Nietigheid bij schending (bij contract) van openbare orde is absoluut, bij
dwingend recht relatief. De nietigheid kan bij de regels van dwingend recht opgeworpen worden
door elke beschermde partij en bij de openbare orde door elke belanghebbende.
Voorbeeld dwingend recht
In de handelshuurwet, bv. artikel 6 is van dwingend recht: “Handelshuurder en -
verhuurder kunnen elke 3 jaar de prijs herzien, indien de waarde van het goed
intussen omhoog of omlaag is gegaan met minstens 15%.” Kan bv. omdat de buurt
verloederd is geraakt… De zwakkere partij is de huurder indien de waarde is gezakt
en de verhuurder indien de prijs is gestegen. Een regel van dwingend recht kan door
beide partijen opgeworpen worden, weliswaar bij een onderscheiden situatie
uiteraard.
Voorbeeld openbare orde
X en Y gaan voor een overheidsopdracht en X krijgt de opdracht. Y is niet content en
kan bewijzen dat er regels van openbare orde zijn geschonden. Dan kan Y als derde
de nietigheid opwerpen (wegens absolute nietigheid), want hij is belanghebbende;
zonder die fout kreeg hij de opdracht misschien.
Relatieve versus absolute nietigheid: zie artikel 5.58, wijkt af van definities Boek 1.
Oceano-Gruppoarrest
Spaanse rechter vraagt of een schending van consumentenwetgeving ambtshalve kan worden
opgeroepen, ook al doet de beschermde partij het zelf niet.
Hof van Justitie stemt in, want het is een regel van absoluut belang
= vervelend voor België, want hier heerst de gewoonte dat regels van dwingend
recht niet ambtshalve konden opgeroepen worden. In 2005 kwam er een wet,
waardoor nu ook de rechter ambtshalve dwingend recht kon opwerpen.
Ander perspectief: ene particulier, ander algemeen belang. Wetgever kan alleen
optreden indien het algemeen belang is. Het Hof van Justitie zegt dat het
consumentenrecht van algemeen belang is, maar hier is het van dwingend recht.
Oplossing? Het woordje “hoofdzakelijk” werd toegevoegd bij definitie Boek 5. Dus
de rechter kan bij dwingend recht de nietigheid hoofdzakelijk niet opwerpen.
5
, 2. Fundamentele rechten/grondrechten
= algemeen subjectieve rechten, zijn niet algemeen bv. zakelijke rechten
(Overheid beschermt de mens in zijn grondrechten (verticale werking grondrechten))
Particulieren hebben ook een onderlinge overeenkomst (horizontale werking =
constitutionalisering van privaatrecht)
Bv. verbod op huisdier in een verhuurde woning, indien niemand daar last van heeft
van het huisdier en er geen schade door werd berokkend, zal de verhuurder het recht
van ontbinding door dat verbod niet kunnen uitoefenen, want het uitoefenen van dat
zou een kennelijk onevenwicht creëren. = recht op privéleven neemt de bovenhand
van de clausule. = horizontale doorwerking van grondrecht op privéleven. Anders
rechtsmisbruik (kennelijk buiten de grenzen van een normaal zorgvuldig persoon).
Bv. je sluit een contract met een bedrijf voor een striptease-act, dat is niet nietig,
maar indien de stripper besluit – in de uitvoeringsfase, dus net achter de doeken bv.
– toch niet op te treden. Dan kan jij de stripper niet dwingen dat wel te doen, want
het grondrecht van menselijke waardigheid
Verbintenissenrecht (4)
Dus de contractsvrijheid en de gebondenheid worden ook beperkt door die fundamentele rechten, in
horizontale zin bv. huurder – verhuurder.
Beperking gaat niet per se over geldigheid, maar misschien wel over de gebondenheid, zie
voorbeeld van huisdier boven.
Hoe creëer je de horizontale doorwerking van grondrecht op privéleven?
Door algemene zorgvuldigheidsnorm, zoals rechtsmisbruik, openbare orde
Proportionaliteit is zeer belangrijk, bv. ontslaan door iets gezegd? Proportionaliteit vrijheid
van meningsuiting – ontslag beoordelen.
Bv. ex-partners komen onderhoudsovereenkomst overeen, maar de ene kan dat niet meer
betalen = rechtsmisbruik, want recht op menswaardig leven > overeenkomst.
Bv. stel een hotel heeft een uitbater onder contract van zijn fitnessruimte en gaat op zoek
naar een andere uitbater, er wordt een intentieverklaring getekend met de mogelijk nieuwe
uitbater. Deze laatste ging met de CEO van het hotel kijken naar het lokaal en achteraf zei
iemand tegen de CEO over de kandidaat: “Die Marokkaan komt hier niet binnen.” De
kandidaat had een vriend die dat gehoord had, maar ondertussen werden de
onderhandelingen afgebroken. De CEO moest bewijzen dat hij niet op basis van de afkomst
van de Marokkaan de onderhandelingen stopzette en dat lukte hem, omdat er objectieve
redenen waren: de kandidaat z’n businessplan was niet goed, waardoor er verlies gedraaid
zou worden. De rechtvaardiging van het stopzetten van de onderhandelingen was dus
aanwezig en er was dus geen precontractuele fout gebeurd.
6
, Verbod rechtsmisbruik
De rechtspraak hierover is gecodificeerd, artikel 1.10 BW
= van algemeen rechtsbeginsel naar wettelijke norm
= je hebt een recht, maar je mag het niet uitoefenen vanwege omstandigheden
Sanctie
= matiging + herstel van de schade
Criteria pagina 105 – 106 leren !
Schadebeding
= het beding wordt getriggerd bij een wanprestatie (contractbreuk) en dan moet je een bepaald
bedrag betalen, een intrestvoet betalen voor zolang je niet betaalt of een prestatie verrichten.
In principe is een schadebeding perfect geldig, maar je mag niet meer of minder vragen dan in het
beding vastgelegd staat. Je sluit een schadebeding in je contract omdat je de schade niet hoeft te
bewijzen, de wanprestatie alleen is nl. genoeg voor de schadevergoeding.
Er was een sociale huisvestingsmaatschappij die een schadebeding sloot met een koppel,
waarin vervat dat indien het huis te koop wordt gezet binnen de 20 jaar er een
schadevergoeding betaald dient te worden. Het koppel scheidt na 17 jaar en moet het huis
verkopen. De maatschappij mocht zich niet op het schadebeding beroepen, omdat er een
kennelijk onevenwicht ontstond. Sanctie = matiging, NIET verval/nietigheid van het beding.
Een probleem van rechtsmisbruik is geen probleem van geldigheid.
Er is een huur van 9 jaar zonder opzegmogelijkheid, na 1 jaar wil de huurder alsnog het
appartement verlaten, ook al heeft hij geen grond (want er is een bepaalde duur). De
huurder begaat aldus een wanprestatie, de primaire sanctie daarop is uitvoering in natura (=
het betalen van de huur voor de komende 8 jaar). Maar de verhuurder kan ook gaan voor de
ontbinding van het contract en een schadevergoeding eisen voor de periode dat hij geen
nieuwe huurder heeft voor dat pand. Dat laatste creëert minder last voor de huurder, dus
gaan voor de eerste optie (uitvoering in natura) is disproportioneel en kwalificeert men als
rechtsmisbruik.
Artikel 5.73 (regel van openbare orde/dwingend recht)
Verbod rechtsmisbruik is dus minstens dwingend recht.
3. Rechtsverwerking
= je verliest je recht als je houding objectief onverenigbaar is met de uitoefening van een
recht.
MAAR geen aparte theorie, je moet kijken naar uitoefening van rechtsmisbruik.
4. Fraus omnia corrumpit (bedrog tast alles aan)
= geen algemeen rechtsbeginsel meer, maar wettelijke norm door codificatie.
Artikel 1.11: “Oogmerk om te schaden”.
7
, = bedrog (= wilsgebrek), bedrog mag niet verschoonbaar zijn, dus er moet enkel bewezen
worden dat er een opzettelijke fout is begaan mét het oogmerk schade toe te brengen of uit
winstbejag.
Bv. Er is schade door 2 fouten, waarvan 1 opzettelijke fout door A; dan zal er geen verdeling
zijn (in solidum leidt uiteindelijk tot verdeling), maar zal A (die een opzettelijke fout beging
alles moeten vergoeden.
5. Verbod op wetsontduiking
= resultaat bekomen door toepassing van een andere rechtsregel.
Bv. schijnhuwelijk
6. Buitencontractuele foutaansprakelijkheid
= de manier om tot een contract te komen met een buitencontractuele fout is ook een
beperking.
Hoe kan C beperkt zijn een contract aan te gaan door een contract tussen A en B?
= derdemedeplichtigheid, kan door een overtreding 1382-1383 BW of artikel 5.111 BW.
Bv. liftongeval, je stapt in lift, maar lift is er niet. Dat kwam door een fout in onderhoud
tussen liftfirma – eigenaar, het slachtoffer is de derde. Dus zowel de eigenaar
(contractspartij) als de derde (het slachtoffer) kunnen een schadevergoeding eisen. Dat is
dus een rem op de wijze waarop een contract wordt uitgevoerd.
Deel II
Precontractuele fase
Tandarts verkoopt iets aan een projectontwikkelaar, na de verkoop blijkt dat het voorwerp op de lijst
van bouwkundig erfgoed staat. De PO is daar niet blij mee en eist de nietigverklaring van het
contract, aangezien de tandarts dat had moeten zeggen (precontractuele informatieplicht). Dat geeft
aanleiding tot de buitencontractuele aansprakelijkheid van de tandarts. De PO kan dus een vordering
instellen tegen de tandarts op basis van artikel 1382-1383 oud Burgerlijk Wetboek. Hij vordert de
nietigverklaring ( ontbinding is er wanneer er een wanprestatie is) van het contract. Voor de
buitencontractuele aansprakelijkheid moet hij aantonen dat er een fout is, schade en een causaal
verband. Voor de nietigverklaring moet hij bewijzen dat er een wilsgebrek is, nl. dwaling hier.
Niet door elkaar gebruiken, zie schema hieronder. Doe het gestructureerd.
a. WIE KAN IETS VORDEREN?
b. TEGEN WIE?
c. WAT KAN JE VORDEREN?
d. OP GROND WAARVAN?
= bij een casus
8
,Vordering ontvankelijk? Indien goed pas net op de lijst, dan geen fout. De hamvraag is: “Had een
normaal zorgvuldig persoon dat moeten weten?” De tandarts moest de info niet kennen, MAAR als
tandarts het wist, beging hij een opzettelijke fout (bedrog). De PO moet een fout in hoofde van de
tandarts bewijzen, dat is hier moeilijk aan te tonen. Het staat vast dat de PO heeft gedwaald, maar
kan je dwaling inroepen? Neen, want deze dwaling is niet verschoonbaar; een normaal zorgvuldig
persoon zou dat moeten geweten hebben.
De PO heeft pech, de vordering tot schadevergoeding en nietigverklaring worden afgewezen.
Wat kan er nog mislopen in de precontractuele fase? Bij verkoop van onroerend goed zijn er
voorschriften voor de verkoop van onroerend goed in decreten opgenomen, ten eerste het
bodemattest... in onderhandse akte is een formaliteit op straffe van nietigheid enkel in te roepen
door de koper. Daarnaast moeten de stedenbouwkundige vermeldingen vermeld worden op straffe
van nietigheid, ook enkel in te roepen door de koper. Dat laatste hield de verkoper niet in rekening,
dus de koper kon dat inroepen voor de nietigheid.
Verbintenissenrecht (5)
Contractsvrijheid/onderhandelingsvrijheid (= vrij om al dan niet te contractueren, om al dan niet te
onderhandelen…).
= beginsel, maar ook verplichtingen: onderhandelende partijen hebben ook plichten bij de
uitoefening van hun vrijheid.
Die verplichtingen kunnen specifieke wettelijke bepalingen zijn, maar ook algemene normen.
Klassiek is dat de (1) algemene zorgvuldigheidsnorm op grond van 1382-83 oud BW. ’t Is niet
omdat je aan alle wettelijke verplichtingen voldoet, je de algemene zorgvuldigheidsnorm mag
overtreden. Hoe bepaal je dat? Gedrag onderhandelende partij vergelijken met zorgvuldig en
redelijk persoon (= klassieke criterium van precontractuele aansprakelijkheid).
Tweede norm is (2) de goede trouw. Je moet handelen overeenkomstig de eisen van de
goede trouw. Bij schending aanleiding tot buitencontractuele aansprakelijkheid op grond van
1382-83 oud BW.
Ook (3) verbod van rechtsmisbruik, bijvoorbeeld contractsweigering op grond van
discriminerende gronden. Sanctie ervan is matiging en schadeherstel.
= 3 algemene normen waaraan je precontractuele gedrag kan worden getoetst.
Ook specifieke normen waaraan je precontractuele gedrag kan worden getoetst, dus
specifieke wettelijke bepalingen:
Bv. artikel 10 WER: je moet een hele reeks van opgesomde info geven bij commerciële
onderhandelingsovereenkomsten, bv. hoeveel keer is er al een contract gesloten met de
eigenaar van een gebouw.
Voordeel van die specifieke normen is dat je weet wat er moet gebeuren, bij de algemene
normen moet je zoeken naar wat de zorgvuldige en redelijke persoon zou doen. De algemene
normen zijn dus onduidelijker en vager. Bij specifieke normen weet je precies wat je moet
afvinken. Het kan wel zijn dat je op basis van een algemene norm meer info moet verschaffen,
dan bv. artikel 10 WER je gebiedt.
9
, Wat kan er mislopen in precontractuele fase?
Zie artikel 5.17 BW; 3 specifieke fouten die zich in de precontractuele fase kunnen voordoen (nl.
de 3 meest voorkomende). Naast die 3 kan er bv. ook mislopen dat een partij een contract sluit
met allerlei ongeldige clausules. Kan leiden tot precontractuele (= buitencontractuele)
aansprakelijkheid.
1. Foutief afbreken van de onderhandeling
Leidt tot aansprakelijkheid.
Wanneer is het dan foutief, wat is het criterium? De zorgvuldige en redelijke persoon (1382-83
oud BW). Zeer moeilijk om dat te besluiten, want het principe van onderhandelingsvrijheid is er.
Toch een bepaald punt waar je foutief handelt door het afbreken van de onderhandelingen: als je
onderhandelingen al zodanig ver gevorderd zijn en als je dan abrupt – zonder enige
rechtvaardiging – de onderhandelingen afbreekt (handelt immers niet als zorgvuldig en redelijk
persoon). Bv. firma dat glas maakt en heeft product nodig, dus sluit contract met andere firma.
Termijn is afgelopen van het contract en de firma die glas maakt, gaat de onderhandelingen aan
met een andere firma: lijkt een aantrekkelijker aanbod, maar de minister van Economische Zaken
komt tussen, want zorgt voor vermindering werkgelegenheid van eerste firma (derde firma is
immers in ander land). De glasmakers sluiten nieuw contract met eerste firma. Buitenlandse
firma is niet content en stelt een vordering in voor een schadevergoeding, aangezien de
glasmakers de onderhandelingen foutief zouden hebben afgebroken. Vordering wordt
afgewezen, want de glasmakers hadden goede redenen, ook al was het naar het einde van de
onderhandelingen toe.
Voorbeeld sportclubs: werd aanvaard dat er contractuele aansprakelijkheid was (fusie –
consensusvergadering – officiële publicatie van akkoord – geen formele contractuele
ondertekeningen – toch contractuele aansprakelijkheid), maar precontractuele aansprakelijkheid
wegens foutief afbreken ook mogelijk.
Vaak contractuele vordering alvorens precontractuele vordering, dat laatste indien blijkt dat er nog
geen totstandkoming van een contract was en de contractuele vordering aldus onontvankelijk was.
Wat kan je dan vorderen? Artikel 5.17 lid 2
Het negatief contractsbelang moet worden beschermd, dat is de regel en de uitzondering is de
bescherming van het positieve contractsbelang:
Positieve contractsbelang: winst vergoed die je op grond van dat contract kon maken, indien
onderhandelingen niet afgebroken. Dat is de uitzondering.
Negatief contractsbelang: vergoeding onderhandelingskosten. Dat is de hoofdregel.
Uitzondering kan enkel worden ingeroepen indien er een rechtmatig vertrouwen was gewekt – door
de andere partij – dat het contract zonder twijfel zou doorgaan. De rechter kan dit inroepen en heeft
daar vrijheid in: kan 30% - 100% van de winst als schadevergoeding opleggen.
10