OVERZICHT VAN DE MATERIE
Situering van het economisch recht
Verrichten van een economische activiteit
Handelscontracten
Marktpraktijken en consumentenbescherming
Mededinging (Belgisch en Europees inhoudelijk zeer gelijkend, dus gaan we hier niet in detail
op in, enkel specifiek kijken wat er speciaal is in de Belgische wetgeving)
(Prijzenregulering)
ONDERDEEL 1
INLEIDING
WAT IS ECONOMISCH RECHT?
Vroeger de naam “handelsrecht”, maar in 2018 is het handelsrecht opgeheven. Echter, met deze
wethoudende hervorming is de inhoud niet echt veranderd! Het begrip “handelaar” heeft de
wetgever opgeheven en geschrapt uit het wetboek van koophandel. Dat begrip is immers gedateerd,
werd gedefinieerd in 1807. Het werd vervangen door een nieuw “ondernemings”-begrip. De regelen
uit het oude handelsrecht zijn echter voor een groot stuk overgenomen. Vandaag zijn dat dan geen
regels uit het handelsrecht, maar het ondernemings- of economisch recht.
Ook een bijzondere overgangsregeling: oude regels en zelfs het begrip “handelsrecht” blijven gelden
voor transacties die hebben plaatsgevonden voor 1 november 2018.
BEGRIPPEN
Het is eigenlijk onmogelijk “het economisch recht” te definiëren, maar je kan stellen dat het
economisch recht vandaag minstens 2 categorieën van regels omvat:
1. De regels die afkomstig zijn uit het oude handelsrecht, die erop gericht zijn transacties snel
en efficiënt te laten verlopen. De bedoeling is hier faciliteren.
2. De regels van publiek- of privaatrecht die voor ondernemingen bepalen wat zij moeten doen
(om bv. een economische activiteit te starten) en wat zij niet mogen doen. Gebods- en
verbodsbepalingen zijn fundamenteel anders dan regels die erop gericht zijn ondernemingen
te faciliteren.
Voorbeelden van een faciliteringsregel (1)
a. Het begrip hoofdelijkheid
= stel A en B gaan zich t.a.v. C verbinden tot een schuld van €5000 bij de aankoop van goederen.
In het burgerlijk recht geldt het principe van de schuldsplitsing: C kan volgens dat principe van elk
van de partijen slechts de helft vragen, nl. €2500. In het ondernemingsrecht is dat anders, dus stel
dat A en B ondernemingen zijn dan geldt er de hoofdelijkheid: C kan dus het volledige bedrag bij
A of B te gaan halen. Daarna is het dan aan A of B om het andere deel bij de andere te gaan
halen. Om 2 redenen geldt de hoofdelijkheid: (1) praktisch gezien is het makkelijker om alles aan
1
, 1 persoon te vragen & (2) als je weet dat je het volledige bedrag van beide partijen kan vorderen,
is het onnodig om de solvabiliteit van beide partijen te onderzoeken. De solvabiliteit van de ene
partij is dan genoeg voor jou om de transactie te sluiten, het is dan de solvabele partij haar
probleem indien de andere partij insolvabel is.
b. De soepele regels inzake het bewijs van verbintenissen aangegaan door ondernemingen
= in het burgerlijk recht geldt er een gereglementeerd bewijsstelsel voor bijzondere
rechtshandelingen boven de €3500. Zulke rechtshandelingen kunnen dan enkel worden bewezen
door onderhandse of authentieke akte. In het ondernemingsrecht geldt dergelijk voorschrift niet.
In ondernemingszaken (dus tegen ondernemingen) kan het bewijs geleverd worden door alle
middelen van recht. Dat maakt het eenvoudiger voor ondernemingen. Echter, dat wil niet zeggen
dat elk bewijsmiddel een gelijke bewijswaarde heeft, een contract zal doorgaans meer
bewijswaarde hebben dan pakweg een getuigenis. Ondernemingen kunnen zo dus wel bijzondere
rechtshandelingen boven de €3500 bewijzen door bv. een elektronisch document dat niet voldoet
aan het concept van een onderhandse akte.
Voorbeelden van regels die gebieden of verbieden (2)
a. Sturingsregels
= maatregelen van conjuncturele aard: dat zijn maatregelen bedoeld om tijdelijk een effect te
creëren. Maatregelen van structurele aard grijpen in op de werking van de markt en zijn bedoeld
om een langere termijn te gelden.
Bv. piek van energieprijzen: maatregelen door de overheid genomen om de effecten daarvan
enigszins beperkt te houden voor bepaalde entiteiten. Dat waren tijdelijke maatregelen, nl. enkel
in de periode waarin de prijzen enorm gingen pieken. Dat zijn conjuncturele maatregelen.
Bv. regel van mededingingsrecht, bv.: ondernemingen die mekaars concurrent zijn mogen in geen
geval prijsafspraken maken. Prijsafspraken zijn in het mededingingsrecht hardcore beperkingen.
Die zullen altijd op een ongerechtvaardigde manier de mededinging/concurrentie op de markt
gaan beperken of vervalsen. Het is logisch dat we niet toelaten dat Colruyt en Carrefour met
mekaar afspreken dat ze producten niet beneden een bepaalde prijs gaan verkopen. Indien ze dat
zouden doen, dan is de koper de dupe van deze afspraken. Een verbod om prijsafspraken te
maken of om markten op te delen, is dat een verbod dat geldt voor langere termijn omdat we
vinden dat de markt op wijze X moet functioneren. Aldus zijn dit structurele maatregelen.
b. Ordeningsregels
= proberen een evenwicht te creëren tussen de legitieme belangen van de verschillende actoren
op de markt.
Bv. de regelen van consumentenbescherming: het consumentenrecht is zeer belangrijk voor
ondernemingen. Men stelt vast dat de wetgever steeds meer regelen uitvaardigt om de
consument als een zwakkere partij te beschouwen tegenover de sterke onderneming. Op die
manier wil de wetgever dat het onevenwicht tussen beide partijen wordt hersteld door gebods-
of verbodsbepalingen voor ondernemingen. Bv. mochten er geen regelen van consumentenrecht
bestaan, dan zouden ondernemingen bij het vaststellen van algemene voorwaarden bij
toetredingscontracten kunnen doen wat ze willen. Ze zouden die regelen uitsluitend in hun
voordeel kunnen opstellen wat voor een onevenwicht tussen de rechten en plichten van de
2
, consument enerzijds en de rechten en plichten van de onderneming anderzijds. In het WER zijn
er bepalingen welke types van clausules niet mogen worden opgenomen door de onderneming in
een contract met de consument.
Bv. de regelen van bescherming van ondernemingen in verhouding tot andere overnemingen:
leveranciers van distributieondernemingen (bv. landbouwers) worden vandaag meer en meer
beschermd tegenover de grotere distributieondernemingen. De zwakkere onderneming (in deze
de landbouwer) wordt dus beschermd tegenover de grotere ondernemingen en zo tracht de
wetgever tussenbeide een evenwicht te creëren.
SITUERING TEN AANZIEN VAN ANDERE RECHTSTAKKEN
Je kan het economisch recht zodanig ruim invullen dat het ook het
- vennootschapsrecht,
- insolventierecht (faillissementen) &
- financieel recht (betreft organisatie financiële markten) zou omvatten.
OVERZICHT BRONNEN
- Internationale bronnen
Bv. de EU die streeft naar de realisatie van een interne markt. Dus ook heel wat regelen
van economisch recht komen uit de EU (soms rechtstreekse toepassing, soms omzetting
nodig). Bepaalde boeken bv. van het WER zijn gewoonweg omzettingen van Europees
recht. Europa is ook slechts 1 van de spelers, er zijn immers nog andere spelers, nl. de VS,
China… waardoor er nog bronnen zijn om de internationale handel te reglementeren.
- Nationale bronnen
Niet enkel de federale wetgever reguleert hier, ook rekening houden dus met het gewestelijk
niveau!
- Beleidsovereenkomsten
Ook nationaal niveau, afspraken tussen de overheid met ondernemingen. Bv. afspraken tussen de
Vlaamse overheid en De Lijn en afspraken tussen de federale overheid en de NMBS.
(A) INTERNATIONALE BRONNEN
Diverse (nl. 5) categorieën in internationale bronnen:
Regelen die tot doel hebben om de internationale handel te regelen
= belangrijkste vb. is het WTO-verdrag (van de World Trade Organisation). Deze
organisatie legt regels vast voor grensoverschrijdende handel. Vandaag is niet iedereen
nog bereid deze vooraf vastgestelde regels nog na te leven, bv. Donald Trump.
Enkele principes:
WTO: heeft 4 zeer belangrijke pijlers, nl. (1) GATT, dat is een regeling die regels vaststelt voor
internationale handel van goederen; (2) GATS, dat is een regeling die regels vaststelt voor
internationale aanbieding van diensten (dienstenovereenkomsten met grensoverschrijdend
aspect; (3) TRIPS, dat betreft intellectuele eigendomsrechten op internationaal niveau; (4) DSU,
3
,dat is een verdrag dat de geschillenbeslechting regelt tussen de verdragsluitende staten bij de
GATT, GATS of TRIPS. De regels van de WTO zijn gericht op landen, niet op ondernemingen!
Basisprincipes GATT, GATS en TRIPS
Het principe van de meestbegunstiging
= wanneer een verdragsluitende staat binnen de WTO een voordeel toekent aan een ander land,
is men onmiddellijk verplicht datzelfde voordeel toe te kennen aan alle lidstaten van de WTO. Bv.
stel dat de VS beslissen om bij de invoer van een bepaald type goederen (bv. auto’s) de
douanerechten te verlagen met 10% voor wagens ingevoerd vanuit Japan (gaan ze niet doen
want zo stimuleer je import, dat willen de VS niet). Dan houdt dit principe in dat dezelfde
reductie van douanerechten moet worden toegepast voor wagens uit andere lidstaten. Dezelfde
voordelen moeten worden onmiddellijk en onvoorwaardelijk worden toegekend aan de andere
lidstaten. Er bestaan wel uitzonderingen op dit principe. Hetzelfde geldt voor diensten (GATS) en
intellectuele eigendomsrechten (TRIPS).
Het principe van non-discriminatie
= eens goederen zijn ingevoerd, mag je voor die goederen geen andere behandeling voorzien dan
voor de eigen lokaal geproduceerde goederen. Stel dat in Europa wordt gezegd dat er wordt
voorzien voor een BTW-heffing van 21% binnen de EU geproduceerde goederen, maar voor
goederen buiten de EU 31%. Dat zou in strijd zijn voor het principe van non-discriminatie van de
GATT. Hetzelfde geldt voor diensten (GATS) en intellectuele eigendomsrechten (TRIPS).
Principes specifiek voor GATT (internationaal goederenverkeer)
Het verbod op quota/kwantitatieve beperkingen
= je mag niet zeggen dat je maximaal x aantal goederen toelaat uit een lidstaat. Dat is een
voorbeeld van importquota. Hetzelfde geldt voor exportquota, dus je mag niet zeggen dat export
van bepaalde goederen niet mogelijk is boven een bepaald volume. Opnieuw, dit is een
basisregel, er bestaan wel degelijk uitzonderingen. Er is bv. een uitzondering voor de export van
levensnoodzakelijke producten indien er op de lokale markt schaarste dreigt.
Reductie van douanerechten
= eens om de zoveel jaar zijn er onderhandelingen waarbij men streeft naar een verdere afbouw
van douanerechten. Dat is eigenlijk een streven naar de afbouw van nationale economieën, maar
dat is tegenstrijdig met recente tendensen die eerder de opbouw van nationale economieën
beogen en aldus is er weinig kans dat dit principe nog verder zal worden uitgebouwd de komende
jaren.
Eerlijke concurrentie (dumping en subsidies)
Dumping betekent dat goederen worden geëxporteerd naar andere landen beneden hun
normale waarde. Goederen uit een bepaalde lidstaat worden dan aangeboden in andere lidstaten
beneden hun normale waarde (= dumping). Bv. betreft de hypothese waarin goederen in het land
van import aangeboden worden dan in het land waarin ze worden geproduceerd (niet logisch,
zou logischerwijs duurder moeten worden verkocht). Dumping is een praktijk die wordt toegepast
door een onderneming en de regelen van de WTO richt zich niet tot ondernemingen, maar
landen. Daarom zei men dat wanneer dumping zich voordoet en dat ernstige schade kan creëren
4
,aan een bedrijfstak in een land van import (een enkele onderneming is niet genoeg, het moet
een gehele bedrijfstak zijn). Dus 2 voorwaarden (dumping en ernstige schade). Indien dat zich
voordoet geeft men de mogelijkheid aan het land van import om anti-dumpingrechten te heffen.
Dat is eigenlijk het verhogen van de douanerechten (in afwijking dus van de basisregel) om de
schade te ondervangen.
Subsidies. Dan gaat het wel over lidstaten, nl. wanneer zij voordelen toekennen aan eigen
ondernemingen. Dat zou de eerlijke concurrentie op de wereldmarkt kunnen verstoren. Het biedt
immers de mogelijkheid aan de onderneming(en) om hun goederen aan een lagere prijs aan te
bieden. De WTO maakt een onderscheid in de subsidies.
(1) Exportsubsidies & local content subsidies: deze zijn per se verboden. Deze worden altijd in
strijd geacht met de WTO-regels. Subsidies die specifiek worden toegekend om de export
te bevorderen zijn dus altijd strijdig met de WTO-regels. Subsidies mag je heel ruim nemen,
bv. belastingvoordelen. Local content subsidies zijn subsidies die worden toegekend aan
ondernemingen die voor de vervaardiging van producten uitsluitend gebruik maken van
lokaal geproduceerde onderdelen of grondstoffen. Bv. een onderneming die gebruik maakt
van lokaal geproduceerde grondstoffen krijgt een subsidie, maar een onderneming die
gebruik maakt van in het buitenland geproduceerde grondstoffen niet.
(2) Actionable subsidies: hebben een ander doel. Deze mogen, maar mogen niet wanneer er
ernstige schade ontstaat voor een gehele bedrijfstak binnen een verdragsluitende staat.
Stel dat de EU vaststelt dat een verdragsstaat verboden subsidies toekent aan hun
ondernemingen en dat Europese ondernemingen daar nadeel door ondervinden, dan kan
de EU beroep doen op de geschillenregeling binnen de WTO of dat ze overgaat tot
countervailing measures/vergeldende maatregelen. Die laatste kunnen er dan bv. weer in
bestaan dat men de douanerechten zou gaan verhogen m.b.t. de betrokken producten
zodanig dat die producten opnieuw niet meer aan die lage prijzen op de markt kunnen
worden gebracht. Belangrijk: dumping is een praktijk die uitgaat van ondernemingen, aan
hen kan je niets verbieden maar je kan wel (onder voorwaarden zie supra) anti-
dumpingrechten toekennen aan de importerende lidstaat en subsidies kunnen verboden
zijn en zijn praktijken die uitgaan van lidstaten waartegen je kan optreden via de
geschillenbeslechting of het nemen van countervailing measures (kunnen ook genomen
worden in afwachting van de uitspraak bij het geschil beslechtende orgaan).
Vb. examenvraag: dumping is onder alle omstandigheden verboden. Onjuist, enkel
wanneer het aanzienlijke schade gaat creëren voor een bedrijfstak.
Verdragen die streven naar economische integratie
= bv. het Europees verdrag (EU). Douane-unies komen tot stand door verdragen die op
economische integratie gericht zijn.
Vrijhandelszones en douane-unies. Beide hebben gemeen dat binnen de betrokken zone
goederen en diensten vrij kunnen circuleren. Er gelden dus geen douanerechten.
Douane-unies gaan echter verder: naast het vrije verkeer zal er ook een
gemeenschappelijk beleid zijn m.b.t. goederen die binnen de unie worden geïmporteerd.
5
,Bv. binnen de EU zal er een enkel douanerecht gelden voor goederen geïmporteerd
vanuit een derde land. Dat is niet het geval bij een vrijhandelszone.
De EU is dus een douane-unie. Zij streeft naar de verwezenlijking van een interne markt
en het vrije verkeer m.b.t. goederen/diensten/kapitaal/personen. Ze wil dus ook de
interne markt versterken door middel van wat men noemt de harmonisatie van
regelgeving. De idee is dat wanneer de regelen identiek of gelijkaardig zijn in alle
lidstaten van de EU, dat dat het grensoverschrijdend verkeer van goederen en diensten
ten goede komt. Regelen van consumentenrecht beschermen consumenten in hun
verhouding tot ondernemingen. Ondernemingen hebben er belang bij moesten de regels
binnen de gehele EU gelijk zijn, aangezien ze zo geen rekening meer moeten houden met
evt. specifieke voorschriften in een andere lidstaat. De ondernemingen moeten er zo niet
op toezien wat dan de bijzondere regeling is binnen een andere lidstaat. Op die manier is
er een reductie van kosten. Ook consumenten kennen voordelen hierbij: als consument
ben je sneller geneigd te contracteren met pakweg een Griekse onderneming indien deze
dezelfde consumentenbescherming kent dan wanneer er een lagere
consumentenbescherming geldt. De zekerheid van de minimale bescherming van de
consument kan de consument over de streep trekken om internationaal te contracteren.
Daarom wil men dus regelen van consumentenrecht harmoniseren. Hoe harmoniseert
men? Via verordeningen, die zijn rechtstreeks toepasselijk (en dienen dus niet worden
omgezet). Deze worden echter niet veel gebruikt in het consumentenrecht. Een vb.: de
passagiersverordening, nl. beschermen van passagiers ingeval vertraging, annulering of
instapsweigering. De rechten hierin zijn hetzelfde voor alle passagiers ongeacht hun
nationaliteit.
Meestal zal de harmonisatie van wetgeving echter plaatsvinden door richtlijnen.
Richtlijnen moeten wel door de nationale wetgever worden omgezet tegen een uiterlijke
omzettingsdatum. Richtlijnen kunnen gesteund zijn op minimale harmonisatie en
maximale harmonisatie. Minimale harmonisatie in het consumentenrecht bepaalt welke
bescherming minimaal aan consumenten moet worden geboden in elke lidstaat van de
EU, maar lidstaten hebben de keuze om evt. additioneel in bijkomende bescherming te
voorzien. Bv. een algemene toetsingsnorm in een richtlijn met indicatieve lijst (bv. bij
kennelijke onevenwichtige bedingen). België voegde aan die toetsingsnorm een zwarte
lijst toe die zelfs uitgebreider is dat de indicatieve lijst in de richtlijn. Dat kan omdat die
richtlijn was voorzien in minimale harmonisatie.
Ook kan een richtlijn gesteund zijn op maximale harmonisatie, dat bestaat erin dat de
richtlijn bepaalt welke bescherming aan consumenten moet worden geboden, maar de
lidstaten krijgen niet de mogelijkheid om aan bijkomende bescherming te voorzien. Het
minimum is dan meteen ook het maximum. Bv. met de Europese regeling inzake
oneerlijke handelspraktijken. De nationale wetgever moet deze dus eigenlijk gewoon
kopiëren.
Tot de realisatie van de interne markt draagt de maximale harmonisatie uiteraard het
meest bij, dan kan de onderneming er echt op vertrouwen dat de regeling in alle lidstaten
hetzelfde zal zijn. Bij minimale harmonisatie zullen ze nog moeten nagaan of er in andere
lidstaten nog bijkomende bescherming is gekomen. Niet alles wordt maximaal
geharmoniseerd, aangezien het politiek lastig is om in een bepaald land met hogere
bescherming de bescherming af te bouwen in navolging van een Europees uitgevaardigde
richtlijn gesteund op maximale harmonisatie. Daarom wordt er soms nog minimaal
geharmoniseerd.
6
, Een truc is maximale harmonisatie met opties: een richtlijn gebaseerd op maximale
harmonisatie waarbij bepalingen toch opties laten om toch bijkomende bescherming te
voorzien. De maximale harmonisatie geldt dan niet voor die bepaalde bepalingen.
Richtlijn goederen van 2019: heeft betrekking op garantie waarover consumenten
beschikken binnen een bepaalde termijn wanneer deze gebreken vertoont. Deze berust
in principe op maximale harmonisatie: dus de wettelijke garantie zou dus in principe
identiek moeten zijn in alle lidstaten van de EU. Echter, op een aantal cruciale punten is
er voorzien aan de lidstaten om bijkomende bescherming te bieden. Een daarvan is de
garantietermijn: die is minimum 2 jaar maar lidstaten kunnen een additionele termijn
voorzien, omdat er lidstaten waren waarin de garantietermijn voor de richtlijn langer was
dan 2 jaar. Die lidstaten waren niet bereid de bestaande garantie af te bouwen. Het is
daarom dus net politiek soms onhaalbaar om maximale harmonisatie uit te vaardigen.
Verdragen die voor internationale/grensoverschrijdende transacties uniforme
privaatrechtelijke rechtsregels vaststellen
= bv. de CISG (nl. het Weens Koopverdrag). Dat is van toepassing wanneer er een
internationale handelskoop is, nl. wanneer een onderneming uit lidstaat A goederen
aankoopt bij een onderneming uit lidstaat B. Dat contract zal beheerst worden door de
regelen van het Weens Koopverdrag.
CISG: regelen i.v.m. koop die toepassing vinden bij een koop-verkoop tussen een koper en
een verkoper uit verschillende verdragsluitende staat. De regelen hierin zijn echter
suppletief van aard, dus kunnen partijen beslissen contractueel af te wijken. Let op: het
gaat enkel over handelskopen, dat gaat enkel over een koop-verkoop tussen 2
ondernemingen in hun beroepsactiviteit! Niet van toepassing bij consumentenkoop!
De meest eenvoudige situatie: beide partijen bevinden zich in verschillende
verdragsluitende staat. Het is echter mogelijk dat slechts 1 van de partijen zich in een
verdragsluitende staat bevindt, dan is er een regel dat in dergelijk geval het Weens
Koopverdrag toch nog geldt wanneer het contract beheerst wordt door het recht van een
verdragsluitende staat. Je moet dus nagaan of de koopovereenkomst wordt beheerst
door het recht van de verdragsluitende staat of niet.
Hoe weet je welk recht van toepassing is op het contract? 2 mogelijkheden:
(1) Expliciete rechtskeuze in contract.
(2) Indien geen expliciete rechtskeuze, dan toepassing van het recht van het land waar
de verkoper is gevestigd (aangezien hij de meest kenmerkende prestatie gaat leveren
(levering van goederen)).
Als het CISG van toepassing is, dan zal zij bepalen hoe de overeenkomst tot stand komt;
wat de rechten en plichten zijn van verkoper en koper… Onthoud: de regelen uit het CISG
kunnen door het contract worden uitgesloten.
Examenvraag over toepassingsgebied CISG mogelijk met geprojecteerde kaart in bijlage,
bv. stel koopovereenkomst tussen Belgische koper en Braziliaanse verkoper: kijk kaart, je
ziet dat het CISG van toepassing is (want beide partijen uit verschillende verdragsluitende
staat). Overeenkomst Belgische verkoper en Indische koper zonder rechtskeuze-clausule,
dan zal het CISG van toepassing zijn (India is geen verdragsluitende staat).
7
, Verdragen die de lidstaten verplichten om in hun nationaal recht bepaalde regels op te
nemen/eenvormige wet
= bv. boek VII economisch recht is eigenlijk een copy-paste van een verdrag dat cheques
regelde.
Regelen die bepalen welk nationaal recht van toepassing is bij grensoverschrijdende
transacties waarvoor geen uniforme regelen zijn
= bv. indien het recht van het land van de onderneming anders is dan het recht van de
contracterende consument. Dat noemt men regels van IPR (Internationaal Privaatrecht).
Belgische consument gaat over tot het aankopen van een goed van een onderneming die
in een andere lidstaat van de EU is gevestigd. Bv. bij Bol.com: geldt het Belgische of
Nederlandse recht? In de algemene voorwaarden van Bol.com staat er dat het
Nederlandse recht geldt, je bent daardoor gebonden door ze aan te vinken. Juridisch
gezien is dat geldig voor zover je als consument de mogelijk hebt de algemene
voorwaarden te kunnen consulteren.
De vraag is: geldt dan enkel het Nederlands recht? Neen, niet altijd! In de zogenaamde
Rome I Verordening is er een bijzondere verwijzingsregel die de consument onder
bepaalde voorwaarden de mogelijkheid biedt om zich te beroepen op additionele
bescherming die in zijn eigen rechtsstelsel ligt vervat. Dan gaat de consument zich dus
bijkomend op de additionele bescherming van eigen recht kunnen beroepen. Bv. in België
de zwarte lijst. Op deze verwijzingsregel kan je je beroepen onder bepaalde
voorwaarden. Artikel 6 Rome I Verordening:
Dat is mogelijk wanneer de onderneming in België heeft ontplooid of haar activiteiten op
het land van de consument heeft gericht of op verschillende landen heeft gericht met
inbegrip van het land van de consument. Wat is activiteiten richten op België? Nagaan of
de betrokken onderneming voorafgaand aan het contracteren met de consument al de
bedoeling had om met Belgische consumenten te contracteren (rechtspraak Hof van
Justitie). Dat kan uitdrukkelijk zijn door bv. op de website te zetten dat je ook levert in
België. Het kan ook impliciet blijken: (1) wanneer een buitenlandse onderneming bv. .be
gebruikt; (2) .com adres kan er op wijzen dat je je richt op consumenten buiten het eigen
land; (3) het vermelden op de website van een telefoonnummer met een internationaal
kengetal (bv. 0032), dan heb je de bedoeling als onderneming om zich ook op
consumenten uit een andere lidstaat te richten; (4) taal op de website (bv. een Duitse
onderneming met pagina enkel in het Duits normaliter enkel voor Duitsers, maar door bv.
(1), (2), (3) kan het nog steeds blijken dat de onderneming zich tot buitenlandse
consumenten richt).
Brussel I-bis Verordening bepaalt welke rechter bevoegd is wanneer het tot een geschil
komt tussen een onderneming en de consument. Stel Belgische consument en Griekse
onderneming die op website zette: wij leveren in België. Je kan dan additionele
bescherming uit eigen recht doen gelden. Onder dezelfde voorwaarden heeft de
consument de onderneming te dagvaarden voor de rechtbank in eigen land, zelfs als in
de algemene voorwaarden zou staan dat enkel de Griekse rechtbanken bevoegd zijn. Het
richten op kan dus bepalingen uit de algemene voorwaarden buitenspel zetten. Als de
Griekse onderneming de consument wil dagvaarden zal zij de consument ook enkel voor
Belgische rechtbanken dagvaarden, ook al staat er een bepaling dat enkel de Griekse
8
, rechtbanken bevoegd zijn. Dit geldt enkel wanneer de onderneming zich richt tot
Belgische consumenten.
Dit geldt allemaal in de EU, het wordt complexer indien ondernemingen zijn betrokken
uit derde landen.
INTERPRETATIE VAN REGELEN MET INTERNATIONALE OORSPRONG
Toepassing van het principe van de autonome interpretatie, dat betekent dat je de regel niet mag
interpreteren op basis van wat gangbaar is in uw eigen nationaal recht. Je moet interpreteren in
functie van de doelstellingen die door het verdrag/richtlijn worden nagestreefd. De autonome
interpretatie betekent dus dat de interpretatie los staat van wat je zelf nationaal zou doen.
Dat verhindert echter niet dat nationale rechters een andere autonome interpretatie zouden
uitkomen. Als je dat wil vermijden (dus effectief een uniforme autonome interpretatie bekomen) heb
je een overkoepelend orgaan nodig dat bevoegd is een interpretatie te gaan afleveren. In de EU een
goed vb.: HJEU. Eens het HJEU een bepaalde autonome interpretatie heeft gegeven aan een Europese
regel is elke nationale rechter daaraan gebonden. Wat betreft het Weens Koopverdrag is er geen
overkoepelend orgaan, wat de facto betekent dat de (autonome) interpretatie in één lidstaat anders
kan zijn dan die in een andere lidstaat.
VERHOUDING TOT HET NATIONAAL RECHT
Artikel II.1 WER bepaalt de verhouding van de nationale regelen in het WER en de internationale
bronnen: het WER omvat regelen onder voorbehoud van de toepassing van internationale verdragen,
van het recht van de EU of van bepalingen in bijzondere wetten. Dit artikel geeft dus aan dat regelen
uit het Europees recht of uit internationale verdragen voorrang hebben op de regelen in het WER.
Dat werkt ook door dat wanneer je regelen uit het WER op verschillende manieren kan interpreteren,
je de interpretatie moet kiezen die het meest conform de EU-regelen of internationale regelen zijn.
DIRECTE WERKING VAN INTERNATIONALE NORMEN?
= de vraag of rechtsonderhorigen (natuurlijke en rechtspersonen) zich kunnen beroepen
rechtstreeks op de regelen van internationaal recht. Cassatierechtspraak: regelen hebben
directe werking wanneer ze voldoende duidelijk en onvoorwaardelijk zijn geformuleerd én
wanneer het de bedoeling is van die internationale regel om aan rechtsonderhorigen
rechtstreeks rechten toe te kennen. Je kan enkel rechtstreeks rechten toekennen wanneer de
regel duidelijk en onvoorwaardelijk is geformuleerd, zodanig de lidstaat geen of weinig
beoordelingsvrijheid overheeft.
Op basis van deze criteria zijn we tot de vaststelling gekomen dat de rechtsregelen uit het
WTO-verdrag géén rechtstreekse werking hebben. Regelen daaruit zijn immers gericht tot
lidstaten dus hebben ze niet de bedoeling rechtsonderhorigen rechtstreeks rechten toe te
kennen! Ondernemingen kunnen er zich dus niet rechtstreeks op beroepen.
Contrast met EU-recht: voor zover regelen uit het EU-verdrag voldoende duidelijk zijn om
rechten te creëren zij directe werking hebben. Een rechtsonderhorige kan zich dus op die
regelen beroepen zowel in relatie tot de overheid als in onderlinge geschillen.
9
, Dat is zelfs het geval voor bepalingen in richtlijnen vervat eens de omzettingstermijn van de
betrokken richtlijn is verstreken. België is niet steeds de beste leerling in de Europese klas:
veel laattijdige richtlijnen, dus als een nieuwe richtlijn nieuwe rechten toekent aan de
onderneming en België laat na deze tijdig om te zetten, dan kan de onderneming in België
zich op die richtlijn beroepen wanneer hij een geschil heeft met de overheid (indien de
omzettingstermijn is verstreken). Echter, men moet een onderscheid maken tussen de
horizontale en verticale directe werking.
Europese richtlijnen en de bepalingen daarin vervat kunnen door rechtsonderhorigen worden
ingeroepen eens de omzettingsdatum is verstreken (en België de richtlijn niet heeft omgezet
in nationaal recht) in hun relatie tot de overheid. Er geldt dus verticale directe werking.
Europese richtlijnen den de bepalingen daarin vervat kunnen door rechtsonderhorigen niet
worden ingeroepen eens de omzettingsdatum is verstreken (en België de richtlijn niet heeft
omgezet in nationaal recht) in hun relatie tot andere particulieren. Er geldt dus geen
horizontale directe werking.
Bv. een richtlijn kent rechten toe aan een consument en België laat na deze tijdig om te
zetten. De consument gaat een tijdje later schade ondervinden en zou zich willen beroepen
op die nieuwe Europese rechten jegens de onderneming, zal de vordering ontvankelijk zijn?
Neen, er geldt geen horizontale directe werking dus zal de consument zich niet rechtstreeks
op de bepalingen in de richtlijn vervat kunnen beroepen.
De consument is dan de dupe door de laattijdige omzetting door de wetgever: hij kan dan
schadevergoeding vorderen van de overheid, omdat deze als staat aansprakelijk is voor de
fout die ze heeft gemaakt zijnde de laattijdige omzetting van de richtlijn
(staatsaansprakelijkheid).
(B) NATIONALE BRONNEN
De Belgische Grondwet bevat niet onmiddellijk toepasbare regelen m.b.t. het economisch recht.
Er zijn wel regelen die indirect een impact gaan hebben op het economisch recht. Er is ook geen
regel die de vrijheid van handel verankert. Deze is geen deel van de Grondwet, maar verankerd in
het WER. Daarbij onderscheidt België zich van andere lidstaten.
Wetten en decreten (ordonnanties). Artikel Bijzondere Wet 1980: het economisch beleid is als
bevoegdheid aan de gewesten verleend, waarbij wordt bepaald dat deze bevoegdheid moet
worden uitgeoefend met inachtneming van de 4 vrijheden die bestaan binnen Europa ((1) vrij
verkeer van goederen, (2) vrij verkeer van diensten, (3) vrij verkeer van personen & (4) vrij
verkeer van kapitaal) en dat verder de principes met betrekking tot de economische en
monetaire unie moeten worden gerespecteerd. In de Bijzondere Wet van 1980 wordt ook
bepaald dat de bevoegdheid moet worden uitgeoefend met respect voor de vrijheid van handel
en nijverheid: op deze manier heeft de wetgever aan dat principe een quasi-grondwettelijke
status heeft gegeven (omdat het vervat is in een bevoegdheidsverdelende wet).
In die Bijzondere Wet van 1980 staan er ook tal van voorbehouden bevoegdheden voor de
federale overheid. Er is dus een opsomming van materies waarvoor de federale overheid toch
bevoegd is: bv. het insolventierecht, het vennootschapsrecht, het mededingingsrecht, de
10