Geschiedenis hoofdstuk 1
Kenmerkende aspecten:
1. De levenswijze van jagers-verzamelaars.
2. Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen.
3. Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.
Paragraaf 1:
Tussen 9.000 V.C en 6.000 V.C ontstonden er in het Midden-Oosten landbouwsamenlevingen. Dat
zijn samenlevingen waarin de meeste mensen leven van akkerbouw en veeteelt. Dat gebeurde op
een plek dat de Vruchtbare Halvemaan wordt genoemd. Rond 7.000 V.C verspreidde de landbouw
zich naar Afrika en rond 6.000 naar Europa. Tot de opkomst van landbouw was er geen ander
bestaanswijze dan jagen en verzamelen. Zelfs de eerste mensen worden beschouwd als jagers en
verzamelaars. Na de laatste ijstijd (120.000- 10.000 V.C), bestond Europa uit kale, open grasvlaktes.
In dit koude klimaat leefden de mensen vooral door jacht op dieren. Jagers en verzamelaars waren
bijna altijd nomaden. Ze woonden in grotten, hutten of tenten. Wanneer ze voor een langere tijd op
jacht gingen, sloegen ze kampen op. De jagers en verzamelaars leefden in groepen van 20 tot 30
man. Er was waarschijnlijk ook een taakverdeling. Mogelijk dat de mannen op jacht gingen en de
vrouwen zicht bezighielden met het maken van voedsel. De groepen gebruikten vuursteen, schelpen
en ivoor om te handelen. De mensen van tegenwoordig gebruikt vaak hetzelfde gereedschap als
vroeger. Bijvoorbeeld een boor van vuursteen of naalden van botten. De mensen die in de
prehistorie leefden, maakten vaak grotschilderingen.
Het overgaan op landbouw is een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis. Onderzoekers
vermoeden dat het als eerst plaatsvond in het Midden-Oosten. Rond 12.000 V.C, toen de ijstijd bijna
voorbij was. Het ging meer regenen en er kwamen vruchtbare gebieden. Sommige onderzoeken
denken dat het door klimaatverandering komt. Er was voedseltekort en daarom probeerden de
mensen hun eigen voedsel te maken. Volgens sommige theorieën groeide de bevolking op sommige
plekken zo snel, dat de natuur uitgeput raakte. Dus moesten de mensen hun eigen gewassen
verbouwen.
Ook op andere gebieden deden mensen aan landbouw, zoals: China, India, Nieuw-Guinea, Noord-
Amerika etc. maar in het Midden-Oosten leken de mensen ook echt een vaste woonplaats te hebben
en niet na een bepaalde tijd te verplaatsen.
Voor veel mensen zorgde de landbouw voor een gevestigd bestaan. Ze moesten rond hun akkers
blijven. De manier van leven veranderde zo erg, dat we van een agrarische revolutie spreken.
Kenmerkend voor deze revolutie is dat de mensen de natuur meer gingen gebruiken. Bossen werden
akkers en grasvlaktes werden graanvelden. De agrarische revolutie had een aantal belangrijke
gevolgen:
Er ontstond een snelle bevolkingsgroei. Er werd genoeg eten geproduceerd voor meer
mensen. Ook steeg het geboortecijfer.
Het sedentaire bestaan zorgde voor een ontwikkeling van veeteelt. Eerst hielden boeren de
dieren voor vlees, maar daarna ook voor bijproducten, zoals melk en wol. Later ook voor
trekkracht.
, De nieuwe leefwijze stimuleerde de uitvinding van nieuwe technieken, zoals weven en
pottenbakken. Een volgende stap was gebruik van metaal voor gereedschappen en wapens.
Eerst werd brons het meest gebruikt, maar later ook ijzer.
Sommige historici geloven dat het overgaan op landbouw niet per se een vooruitgang was. De
boeren waren vaak minder gezond dan jagers en verzamelaars. Ook werden ze vaak ziek. De
achteruitgang van hun gezondheid had verschillende oorzaken. De boeren aten vaak hetzelfde. En als
een gewas mislukte, dreigde er hongersnood. Ook groeide het risico op infectieziektes, doordat
mensen dicht op elkaar leefden. De agrarische revolutie zorgde ook voor sociale ongelijkheid. De
jagers en boeren deelden vaak hun opbrengst. De boeren hadden hun eigen akkers. Omdat sommige
betere oogsten hadden dan andere, ontstonden er hiërarchieën.
,Paragraaf 2:
In de eerste steden ontstond er een nieuwe soort gemeenschap. Een stedelijke gemeenschap. Door
de rijke oogsten, hoefden mensen niet zelf hun eten de verbouwen. Ze konden ander soort werk
doen. Doordat er veel handel was, ontstond ook het beroep van koopman. De kooplieden waren
welvarend en invloedrijk. Andere groepen mensen werden priesters en kregen veel aanzien. Maar
onderaan de samenleving stonden nog steeds de boeren. In een stad waren natuurlijk ook
bestuurders nodig die de stad op orde hield en tegen vijanden beschermde. Na een bepaalde tijd
ontstond zo de koning. Die waren onsterfelijk. Die koningen kregen hulp van ambtenaren. Zij zorgde
voor belasting en stelden wetten op. Kort na het ontstaan van steden in Soemerië, kwamen er ook
steden in Egypte. De omstandigheden waren bijna gelijk. Tussen 2700 en 300 V.C ontstonden er ook
andere vruchtbare gebieden. Zoals in India, China, Mexico etc.
In Soemerië werd ook als eerst de schrift uitgevonden. Dat ging samen met de ontwikkeling van
steden. Het was nodig om belastingen uit te schrijven en bij te houden hoeveel loon iemand moest
krijgen. Ook priesters hadden het nodig. De ontwikkeling ging in kleine stappen. De agrarische
samenleving gebruikte bijvoorbeeld klei en stenen. In het begin werd de schrift in Soemerië gebruikt
voor het registreren van goederen. Die schrift bestond toen nog alleen uit nummers en
tekeningetjes. Mogelijk werd het beeldschrift aangevuld met tekens die lettergrepen en
klankgroepen moesten uitdrukken. Die weergave was enorm belangrijk. Nu konden de taal worden
geschreven zoals het werd uitgesproken. Geleidelijk werden deze tekens vervangen door abstracte
tekens. Deze werd het Soemerische spijkerschrift genoemd. De mensen verlieten door de schrift als
eerst de prehistorie. De Egyptenaren volgden rond 3000 V.C met hiërogliefen. Weinig volkeren
hebben het schrift zelf uitgevonden. Rond 2600 V.C was het schrift zo goed ontwikkeld, dat ze het in
Soemerië ook gebruikten voor handel, brieven, wetteksten en instructies aan de koning van
ambtenaren. In deze tijd ontstond ook de eerste literatuur. Alleen een klein groep aan de top van de
samenleving kon de Soemerische en Egyptische literatuur lezen. Dat veranderde pas rond 1500 v.C.,
toen de Feniciërs alleen klanktekens hadden. Zo’n schrift duurde heel lang voordat het over de
wereld verspreid raakte. Het schrift is sindsdien een essentieel onderdeel van onze cultuur
geworden.
, Paragraaf 3:
Een staat is een gebied met een centraal bestuur. Dat is wanneer een groot gebied vanuit 1 plaats
wordt bestuurd. Een staat heeft ook een rechtssysteem. In Egypte was de farao de hoogst macht. Hij
zei wat de regels waren en de mensen moesten hem volgen. De steden en regio’s hadden eigen
rechtbanken, die werden geleid door ambtenaren. Die konden over de mensen oordelen en straffen
uitdelen. Bij erge misdrijven mocht de koning beslissen. In een staat mag alleen de overheid geweld
gebruiken. Dat noemen we het geweldsmonopolie. De farao was ook verantwoordelijk voor
veiligheid en het verdedigen van de staat. Voor het bestuur beschikte de farao over ambtenaren. Die
zorgden voor het landbouw en irrigatie na overstromingen. Boeren moesten ook een deel van hun
oogsten afdragen aan de farao. Hiermee betaalde de farao hun ambtenaren, soldaten en architecten
die nodig waren voor de bouw van zijn tempels. De ambtenaren werden goed beloond door de farao.
In Mesopotamië ontstonden de eerste staten pas 1000 jaar na Egypte. Rond 2000 v.C. veroverde de
koning van Babylon omliggende steden en stichtte hij een rijk. Mesopotamië was moeilijker
verdedigbaar dan Egypte, omdat er niet veel woestijn was. Hierdoor grepen steeds andere volkeren
de macht.
De Egyptische godsdienst was polytheïstisch. Dit betekent dat ze meerdere goden hadden. Door
verhalen over hun goden werd de mensen verteld hoe ze moesten leven. Een belangrijk deel van de
Egyptische geloof was dat er leven na de dood was. De god Osiris speelde hier een belangrijke rol. Hij
bepaalde of je naar de hemel of de hel ging. De belangrijkste taak van de farao was het behouden
van de kosmische orde. Dat wordt ook wel de Maät genoemd. Maät betekende ook gerechtigheid en
waarheid. Zonder de Maät zou er chaos zijn in de wereld. Dit geeft weer dat de farao heel veel macht
had. Bijna alles gebeurde onder zijn toezicht. De belangrijkste economische sector was de landbouw.
Omdat het land eigendom was van de farao, moesten de boeren een groot deel afstaan aan de farao.
Op handelsgebied hadden ook de farao en de ambtenaren bijna alles te zeggen. Daarom ontstond er
in Egypte geen handelsgroep.
Net als in Egypte was de religie ook in Mesopotamië heel belangrijk. Ook hier waren de koningen
opperpriesters. De belangrijkste goden waren Anu, de god van de hemel, Enil, god van de wind, en
Enki, god van het water. De Mesopotamiërs geloofden dat je na je leven in een donkere, stoffige
wereld zou terechtkomen. Daarom hadden ze minder voorbereidingen op de dood dan de
Egyptenaren. Onderzoekers vermoeden dat de Mesopotamiërs minder monumenten hadden, omdat
er in hun gebied minder hard gesteente voorkwam.
Kenmerkende aspecten:
1. De levenswijze van jagers-verzamelaars.
2. Het ontstaan van landbouw en landbouwsamenlevingen.
3. Het ontstaan van de eerste stedelijke gemeenschappen.
Paragraaf 1:
Tussen 9.000 V.C en 6.000 V.C ontstonden er in het Midden-Oosten landbouwsamenlevingen. Dat
zijn samenlevingen waarin de meeste mensen leven van akkerbouw en veeteelt. Dat gebeurde op
een plek dat de Vruchtbare Halvemaan wordt genoemd. Rond 7.000 V.C verspreidde de landbouw
zich naar Afrika en rond 6.000 naar Europa. Tot de opkomst van landbouw was er geen ander
bestaanswijze dan jagen en verzamelen. Zelfs de eerste mensen worden beschouwd als jagers en
verzamelaars. Na de laatste ijstijd (120.000- 10.000 V.C), bestond Europa uit kale, open grasvlaktes.
In dit koude klimaat leefden de mensen vooral door jacht op dieren. Jagers en verzamelaars waren
bijna altijd nomaden. Ze woonden in grotten, hutten of tenten. Wanneer ze voor een langere tijd op
jacht gingen, sloegen ze kampen op. De jagers en verzamelaars leefden in groepen van 20 tot 30
man. Er was waarschijnlijk ook een taakverdeling. Mogelijk dat de mannen op jacht gingen en de
vrouwen zicht bezighielden met het maken van voedsel. De groepen gebruikten vuursteen, schelpen
en ivoor om te handelen. De mensen van tegenwoordig gebruikt vaak hetzelfde gereedschap als
vroeger. Bijvoorbeeld een boor van vuursteen of naalden van botten. De mensen die in de
prehistorie leefden, maakten vaak grotschilderingen.
Het overgaan op landbouw is een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis. Onderzoekers
vermoeden dat het als eerst plaatsvond in het Midden-Oosten. Rond 12.000 V.C, toen de ijstijd bijna
voorbij was. Het ging meer regenen en er kwamen vruchtbare gebieden. Sommige onderzoeken
denken dat het door klimaatverandering komt. Er was voedseltekort en daarom probeerden de
mensen hun eigen voedsel te maken. Volgens sommige theorieën groeide de bevolking op sommige
plekken zo snel, dat de natuur uitgeput raakte. Dus moesten de mensen hun eigen gewassen
verbouwen.
Ook op andere gebieden deden mensen aan landbouw, zoals: China, India, Nieuw-Guinea, Noord-
Amerika etc. maar in het Midden-Oosten leken de mensen ook echt een vaste woonplaats te hebben
en niet na een bepaalde tijd te verplaatsen.
Voor veel mensen zorgde de landbouw voor een gevestigd bestaan. Ze moesten rond hun akkers
blijven. De manier van leven veranderde zo erg, dat we van een agrarische revolutie spreken.
Kenmerkend voor deze revolutie is dat de mensen de natuur meer gingen gebruiken. Bossen werden
akkers en grasvlaktes werden graanvelden. De agrarische revolutie had een aantal belangrijke
gevolgen:
Er ontstond een snelle bevolkingsgroei. Er werd genoeg eten geproduceerd voor meer
mensen. Ook steeg het geboortecijfer.
Het sedentaire bestaan zorgde voor een ontwikkeling van veeteelt. Eerst hielden boeren de
dieren voor vlees, maar daarna ook voor bijproducten, zoals melk en wol. Later ook voor
trekkracht.
, De nieuwe leefwijze stimuleerde de uitvinding van nieuwe technieken, zoals weven en
pottenbakken. Een volgende stap was gebruik van metaal voor gereedschappen en wapens.
Eerst werd brons het meest gebruikt, maar later ook ijzer.
Sommige historici geloven dat het overgaan op landbouw niet per se een vooruitgang was. De
boeren waren vaak minder gezond dan jagers en verzamelaars. Ook werden ze vaak ziek. De
achteruitgang van hun gezondheid had verschillende oorzaken. De boeren aten vaak hetzelfde. En als
een gewas mislukte, dreigde er hongersnood. Ook groeide het risico op infectieziektes, doordat
mensen dicht op elkaar leefden. De agrarische revolutie zorgde ook voor sociale ongelijkheid. De
jagers en boeren deelden vaak hun opbrengst. De boeren hadden hun eigen akkers. Omdat sommige
betere oogsten hadden dan andere, ontstonden er hiërarchieën.
,Paragraaf 2:
In de eerste steden ontstond er een nieuwe soort gemeenschap. Een stedelijke gemeenschap. Door
de rijke oogsten, hoefden mensen niet zelf hun eten de verbouwen. Ze konden ander soort werk
doen. Doordat er veel handel was, ontstond ook het beroep van koopman. De kooplieden waren
welvarend en invloedrijk. Andere groepen mensen werden priesters en kregen veel aanzien. Maar
onderaan de samenleving stonden nog steeds de boeren. In een stad waren natuurlijk ook
bestuurders nodig die de stad op orde hield en tegen vijanden beschermde. Na een bepaalde tijd
ontstond zo de koning. Die waren onsterfelijk. Die koningen kregen hulp van ambtenaren. Zij zorgde
voor belasting en stelden wetten op. Kort na het ontstaan van steden in Soemerië, kwamen er ook
steden in Egypte. De omstandigheden waren bijna gelijk. Tussen 2700 en 300 V.C ontstonden er ook
andere vruchtbare gebieden. Zoals in India, China, Mexico etc.
In Soemerië werd ook als eerst de schrift uitgevonden. Dat ging samen met de ontwikkeling van
steden. Het was nodig om belastingen uit te schrijven en bij te houden hoeveel loon iemand moest
krijgen. Ook priesters hadden het nodig. De ontwikkeling ging in kleine stappen. De agrarische
samenleving gebruikte bijvoorbeeld klei en stenen. In het begin werd de schrift in Soemerië gebruikt
voor het registreren van goederen. Die schrift bestond toen nog alleen uit nummers en
tekeningetjes. Mogelijk werd het beeldschrift aangevuld met tekens die lettergrepen en
klankgroepen moesten uitdrukken. Die weergave was enorm belangrijk. Nu konden de taal worden
geschreven zoals het werd uitgesproken. Geleidelijk werden deze tekens vervangen door abstracte
tekens. Deze werd het Soemerische spijkerschrift genoemd. De mensen verlieten door de schrift als
eerst de prehistorie. De Egyptenaren volgden rond 3000 V.C met hiërogliefen. Weinig volkeren
hebben het schrift zelf uitgevonden. Rond 2600 V.C was het schrift zo goed ontwikkeld, dat ze het in
Soemerië ook gebruikten voor handel, brieven, wetteksten en instructies aan de koning van
ambtenaren. In deze tijd ontstond ook de eerste literatuur. Alleen een klein groep aan de top van de
samenleving kon de Soemerische en Egyptische literatuur lezen. Dat veranderde pas rond 1500 v.C.,
toen de Feniciërs alleen klanktekens hadden. Zo’n schrift duurde heel lang voordat het over de
wereld verspreid raakte. Het schrift is sindsdien een essentieel onderdeel van onze cultuur
geworden.
, Paragraaf 3:
Een staat is een gebied met een centraal bestuur. Dat is wanneer een groot gebied vanuit 1 plaats
wordt bestuurd. Een staat heeft ook een rechtssysteem. In Egypte was de farao de hoogst macht. Hij
zei wat de regels waren en de mensen moesten hem volgen. De steden en regio’s hadden eigen
rechtbanken, die werden geleid door ambtenaren. Die konden over de mensen oordelen en straffen
uitdelen. Bij erge misdrijven mocht de koning beslissen. In een staat mag alleen de overheid geweld
gebruiken. Dat noemen we het geweldsmonopolie. De farao was ook verantwoordelijk voor
veiligheid en het verdedigen van de staat. Voor het bestuur beschikte de farao over ambtenaren. Die
zorgden voor het landbouw en irrigatie na overstromingen. Boeren moesten ook een deel van hun
oogsten afdragen aan de farao. Hiermee betaalde de farao hun ambtenaren, soldaten en architecten
die nodig waren voor de bouw van zijn tempels. De ambtenaren werden goed beloond door de farao.
In Mesopotamië ontstonden de eerste staten pas 1000 jaar na Egypte. Rond 2000 v.C. veroverde de
koning van Babylon omliggende steden en stichtte hij een rijk. Mesopotamië was moeilijker
verdedigbaar dan Egypte, omdat er niet veel woestijn was. Hierdoor grepen steeds andere volkeren
de macht.
De Egyptische godsdienst was polytheïstisch. Dit betekent dat ze meerdere goden hadden. Door
verhalen over hun goden werd de mensen verteld hoe ze moesten leven. Een belangrijk deel van de
Egyptische geloof was dat er leven na de dood was. De god Osiris speelde hier een belangrijke rol. Hij
bepaalde of je naar de hemel of de hel ging. De belangrijkste taak van de farao was het behouden
van de kosmische orde. Dat wordt ook wel de Maät genoemd. Maät betekende ook gerechtigheid en
waarheid. Zonder de Maät zou er chaos zijn in de wereld. Dit geeft weer dat de farao heel veel macht
had. Bijna alles gebeurde onder zijn toezicht. De belangrijkste economische sector was de landbouw.
Omdat het land eigendom was van de farao, moesten de boeren een groot deel afstaan aan de farao.
Op handelsgebied hadden ook de farao en de ambtenaren bijna alles te zeggen. Daarom ontstond er
in Egypte geen handelsgroep.
Net als in Egypte was de religie ook in Mesopotamië heel belangrijk. Ook hier waren de koningen
opperpriesters. De belangrijkste goden waren Anu, de god van de hemel, Enil, god van de wind, en
Enki, god van het water. De Mesopotamiërs geloofden dat je na je leven in een donkere, stoffige
wereld zou terechtkomen. Daarom hadden ze minder voorbereidingen op de dood dan de
Egyptenaren. Onderzoekers vermoeden dat de Mesopotamiërs minder monumenten hadden, omdat
er in hun gebied minder hard gesteente voorkwam.