Hoofdstuk 7:
Een stroomgebied is het gebied waarbinnen alle neerslag naar één rivier gaat. De
waterscheiding is de grens. Een stroomstelsel is een rivier + zijtakken. Het lengteprofiel is de
boven-, midden-, benedenloop. Hoogteverschillen tussen boven en benedenloop zijn te
meten in het verval (aantal meters) en het verhang (cm per
km). De totale afvoer van een rivier in een jaar is het debiet,
de schommeling in het jaar het regiem. Er zijn 3 soorten
rivieren: gletsjers-, regen-, gemengde rivieren. Vroeger
werden terpen/woerden (heuvel waar bv huis op staat)
gebruikt als bescherming. Tegenwoordig zijn er dijken, te
zien in het dwarsprofiel.
De vertragingstijd is verkort doordat het neerslagregiem onregelmatiger is geworden en
rivieren zijn gekanaliseerd (rechtgetrokken, kribben en stuwen met sluizen aangelegd). Dit
leidt tot vaker een piekafvoer, om deze op te vangen zijn er retentiegebieden. Het
IJsselmeer wordt beschermd door primaire en secundaire keringen.
Een strand kun je indelen in de zachte kust met duinen, de wadden en estuariums en heeft
een hoge dynamiek, veroorzaakt door: zeestromingen, getijden stromingen (eb en vloed) en
de opbouw in de zomer en afbraak in de winter. Tot de harde kust behoren zeedijken,
primaire dammen en waterkeringen. Door klimaatverandering is er relatieve
zeespiegelstijging (bodemdaling) en absolute zeespiegelstijging (meer water).
Het beleidsplan “ruimte voor de rivier” werd tussen 2007-2018 uitgevoerd en had 13
actiepunten: 1. Kribverlaging en plaatsing langsdammen 2. Verdieping zomerbed 3.
Natuurlijke oever creëren 4. Verwijderen zomerdijken 5. Aanleggen nevengeul 6.
Uiterwaardvergraving → bergingscapaciteit neemt toe 7. Natuurontwikkeling (droog en nat)
8. Verwijderen obstakels in winterbed 9. Dijkversterking (verzwaring) 10.
Rivierbedverruiming 11. Noodoverloopgebieden aanleggen 12. Vermindering zijdelingse
toestroom 13. DIjkverhoging. Het Nationaal Waterplan (NWP) is het waterbeleid voor
2021-2050. Dit bestaat uit een deltaprogramma met samenwerking tussen meerdere
instanties (integraal waterbeleid). Dit beleid bestaat uit adaptief deltamanagement en
vergroting van het overstromingsrisico bewustzijn.
Rivieren komen voor op fluviaal schaalniveau (voorbij grenzen) en worden daarom op dit
niveau bestudeerd door:
1. Intergouvernementele samenwerkingen: elke 5 jaar RIjnconferentie voor de Rijn
2. Samenwerking EU en Internationale Commissie Bescherming vd Rijn (ICBR)
Voor de kust wordt gebruikgemaakt van dynamisch kustbeheer, hierdoor wordt de
biodiversiteit vergroot. Dit kan gedaan worden door zandsuppleties, voorbeelden zijn de
zandmotor en de kust bij Katwijk. Bij een slufter (zeen kan duinen in) ontstaat een grote
biodiversiteit. Bebouwing langs de kust zorgt voor verlies van flexibiliteit van de kust
(bolwerkvorming). Primaire keringen (dijken, duinen) beschermen ons tegen water.
Grote rampen bij overstromingen worden voorkomen door meerlaagsveiligheid:
Laag 1: overstromingen voorkomen met suppleties en waterkeringen
Laag 2: overstromingen beperken door bv terpen, vergroening, minder verstening
Laag 3: Preventie en voorlichters om slachtoffers te verminderen
Een stroomgebied is het gebied waarbinnen alle neerslag naar één rivier gaat. De
waterscheiding is de grens. Een stroomstelsel is een rivier + zijtakken. Het lengteprofiel is de
boven-, midden-, benedenloop. Hoogteverschillen tussen boven en benedenloop zijn te
meten in het verval (aantal meters) en het verhang (cm per
km). De totale afvoer van een rivier in een jaar is het debiet,
de schommeling in het jaar het regiem. Er zijn 3 soorten
rivieren: gletsjers-, regen-, gemengde rivieren. Vroeger
werden terpen/woerden (heuvel waar bv huis op staat)
gebruikt als bescherming. Tegenwoordig zijn er dijken, te
zien in het dwarsprofiel.
De vertragingstijd is verkort doordat het neerslagregiem onregelmatiger is geworden en
rivieren zijn gekanaliseerd (rechtgetrokken, kribben en stuwen met sluizen aangelegd). Dit
leidt tot vaker een piekafvoer, om deze op te vangen zijn er retentiegebieden. Het
IJsselmeer wordt beschermd door primaire en secundaire keringen.
Een strand kun je indelen in de zachte kust met duinen, de wadden en estuariums en heeft
een hoge dynamiek, veroorzaakt door: zeestromingen, getijden stromingen (eb en vloed) en
de opbouw in de zomer en afbraak in de winter. Tot de harde kust behoren zeedijken,
primaire dammen en waterkeringen. Door klimaatverandering is er relatieve
zeespiegelstijging (bodemdaling) en absolute zeespiegelstijging (meer water).
Het beleidsplan “ruimte voor de rivier” werd tussen 2007-2018 uitgevoerd en had 13
actiepunten: 1. Kribverlaging en plaatsing langsdammen 2. Verdieping zomerbed 3.
Natuurlijke oever creëren 4. Verwijderen zomerdijken 5. Aanleggen nevengeul 6.
Uiterwaardvergraving → bergingscapaciteit neemt toe 7. Natuurontwikkeling (droog en nat)
8. Verwijderen obstakels in winterbed 9. Dijkversterking (verzwaring) 10.
Rivierbedverruiming 11. Noodoverloopgebieden aanleggen 12. Vermindering zijdelingse
toestroom 13. DIjkverhoging. Het Nationaal Waterplan (NWP) is het waterbeleid voor
2021-2050. Dit bestaat uit een deltaprogramma met samenwerking tussen meerdere
instanties (integraal waterbeleid). Dit beleid bestaat uit adaptief deltamanagement en
vergroting van het overstromingsrisico bewustzijn.
Rivieren komen voor op fluviaal schaalniveau (voorbij grenzen) en worden daarom op dit
niveau bestudeerd door:
1. Intergouvernementele samenwerkingen: elke 5 jaar RIjnconferentie voor de Rijn
2. Samenwerking EU en Internationale Commissie Bescherming vd Rijn (ICBR)
Voor de kust wordt gebruikgemaakt van dynamisch kustbeheer, hierdoor wordt de
biodiversiteit vergroot. Dit kan gedaan worden door zandsuppleties, voorbeelden zijn de
zandmotor en de kust bij Katwijk. Bij een slufter (zeen kan duinen in) ontstaat een grote
biodiversiteit. Bebouwing langs de kust zorgt voor verlies van flexibiliteit van de kust
(bolwerkvorming). Primaire keringen (dijken, duinen) beschermen ons tegen water.
Grote rampen bij overstromingen worden voorkomen door meerlaagsveiligheid:
Laag 1: overstromingen voorkomen met suppleties en waterkeringen
Laag 2: overstromingen beperken door bv terpen, vergroening, minder verstening
Laag 3: Preventie en voorlichters om slachtoffers te verminderen