LEREN & ONTWIKKELEN
SAMENVATTING BOEK
Bo Arts
[BEDRIJFSNAAM] [Bedrijfsadres]
,Ontwikkelingspsychologie deel 1
HOOFDSTUK 1 (1.1.1 - 1.1.2 – 1.2.3
1.1.1
De omgeving waarin kinderen opgroeien kan natuurlijk heel verschillend zijn.
Sommigen hebben bijvoorbeeld te maken met armoede, oorlog of gezinsproblemen,
zoals scheidingen. Toch vertonen hun globale ontwikkelingslijnen opmerkelijke
gelijkenissen.
Ontwikkelingspsychologie (levenslooppsychologie) = de wetenschappelijke studie
naar patronen van groei, verandering en stabiliteit bij mensen vanaf de conceptie
helemaal tot aan de ouderdom, maar met een accent op de jaren tot de
volwassenheid, waarin veranderingen elkaar het snelst opvolgen.
➔ Ontwikkelingspsychologie richt zich op de menselijke ontwikkeling. Sommige
ontwikkelingspsychologen proberen de universele (algemeen geldende)
ontwikkelingsprincipes te doorgronden, terwijl andere specifieker kijken.
Ontwikkelingspsychologen houden zich niet alleen bezig met de manier waarop
mensen tijdens hun leven groeien en veranderen, maar ook met stabiliteit in
het leven van kinderen, adolescenten en volwassenen.
Onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen is grofweg te verdelen in 4 centrale
thema’s:
1. Fysieke ontwikkeling
2. Cognitieve ontwikkeling
3. Sociaal-emotionele ontwikkeling
4. Persoonlijkheidsontwikkeling
Fysieke ontwikkeling = ontwikkeling die betrekking heeft op de fysieke opbouw van
het lichaam, zoals hersenen, het zenuwstelsel, de spieren, de zintuigen en de behoefte
aan eten, drinken en slaap.
Cognitieve ontwikkeling = ontwikkeling die betrekking heeft op intellectuele
vermogens, zoals denken, leren, geheugen en probleemoplossing.
Sociaal-emotionele ontwikkeling = ontwikkeling die betrekking heeft op sociale
relaties, interacties met anderen en op het omgaan met emoties.
Persoonlijkheidsontwikkeling = ontwikkeling van duurzame gedragingen en
(karakter) – eigenschappen die de ene persoon van de andere onderscheiden.
,Ontwikkelingspsychologen specialiseren zich niet alleen vaak in een thematisch
gebied, tegelijkertijd kijken ze meestal ook naar specifieke leeftijdsgroepen. In dit
boek maken we de volgende globale onderverdeling:
- Prenatale periode (van conceptie tot geboorte)
- Babytijd (van geboorte tot 2 jaar)
- Peuter- kleutertijd (van 2 tot 6 jaar)
- Schooltijd (van 6 tot 12 jaar)
- Adolescentie (van 12 tot 20 jaar)
Een sociale constructie is een idee over de realiteit die weliswaar breed geaccepteerd
is, maar afhangt van de maatschappij en de cultuur op een bepaald moment.
Een ander voorbeeld van zo’n specifieke ontwikkelingsperiode is de prepuberteit: de
periode voorafgaand aan de puberteit, waarin al (hormonale) veranderingen in het
lichaam optreden, maar deze nog niet van buitenaf zichtbaar zijn.
De tijdstippen waarop gebeurtenissen zich in het leven van mensen voltrekken,
kunnen aanzienlijk variëren. Dat heeft deels een biologische oorzaak: de ene mens is
sneller volgroeid dan de andere.
Maar ook omgevingsfactoren spelen een belangrijke rol. De leeftijd waarop mensen
meestal liefdesrelaties aangaan, varieert bijvoorbeeld per cultuur en is deels
afhankelijk van de manier waarop mensen in die cultuur aankijken tegen relaties.
1.1.2
Ieder mens behoort tot een specifieke cohort: een groep mensen die rond dezelfde
tijd op dezelfde plek zijn geboren.
➔ Invloeden van cohorten op de ontwikkeling, zogenoemde cohorteffecten, zijn
voorbeelden van historisch bepaalde invloeden: omgevingsinvloeden en
biologische invloeden die verbonden zijn aan een specifiek historisch moment.
Naast het cohort waartoe iemand behoort, zijn er natuurlijk nog vele andere factoren
of gebeurtenissen die de ontwikkeling mede bepalen. We maken hierbij een
onderscheid tussen normatieve en niet-normatieve gebeurtenissen.
➔ Met normatieve gebeurtenissen worden hier gebeurtenissen bedoeld die zich
voor de meeste individuen binnen een groep op dezelfde manier voltrekken.
Normatieve gebeurtenissen kunnen historische, leeftijdsgebonden of sociaal-
cultureel bepaald zijn.
➔ Niet-normatieve gebeurtenissen zijn ook van invloed op de ontwikkeling. Dit zijn
specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven van een bepaald
, persoon, terwijl de meeste andere mensen hier niet mee te maken krijgen. (Bijv.
een kind dat op haar 6e haar ouders kwijtraakt bij een auto-ongeluk).
Leeftijdsgebonden invloeden zijn biologische invloeden en omgevingsinvloeden die gelijk
zijn voor mensen in een bepaalde leeftijdsgroep, ongeacht waar of wanneer ze
opgroeien.
Ontwikkeling wordt ook bepaald door sociaal-culturele invloeden, zoals etnische
afkomst, sociale klasse, lidmaatschap van een subcultuur en dergelijke.
1.2.3
Een belangrijke kwestie binnen de ontwikkelingspsychologie is de vraag of
ontwikkeling zich op een continue of discontinue manier voltrekt.
Bij een continue verandering is de ontwikkeling geleidelijk en vloeien de prestaties op
een bepaald niveau voort uit de prestaties op de vorige niveaus. Continue verandering
is kwantitatief, oftewel heeft te maken met hoeveelheid.
➔ Verandering in lengte zijn bijvoorbeeld continu
Discontinue verandering vindt plaats in aparte stappen of stadia. Elk stadium levert
gedrag op dat kwalitatief, dus qua inhoud en hoedanigheid, anders is dan gedrag in
eerdere stadia.
➔ Vanuit het standpunt van discontinue verandering bezien, kan een
ontwikkeling abrupt, met sprongetjes, verlopen. Zoals bij een kind dat opeens
niet meer in bed plast, wanneer het door rijping eenmaal zijn blaas kan
beheersen.
Kritieke periode = een specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde
gebeurtenis de grootste – en zelfs onomkeerbare - gevolgen heeft.
Plasticiteit: de mate waarin een zich ontwikkelde gedragspatroon of fysieke structuur
veranderlijk is.
Gevoelige periode = een afgebakende tijdspanne, meestal vroeg in het leven, waarin
mensen extra gevoelig zijn voor bepaalde omgevingsinvloeden en sterk ontvankelijk
zijn voor het leren van specifieke vaardigheden. (Als je jong bent kan je bijvoorbeeld
gemakkelijk een tweede taal leren.
SAMENVATTING BOEK
Bo Arts
[BEDRIJFSNAAM] [Bedrijfsadres]
,Ontwikkelingspsychologie deel 1
HOOFDSTUK 1 (1.1.1 - 1.1.2 – 1.2.3
1.1.1
De omgeving waarin kinderen opgroeien kan natuurlijk heel verschillend zijn.
Sommigen hebben bijvoorbeeld te maken met armoede, oorlog of gezinsproblemen,
zoals scheidingen. Toch vertonen hun globale ontwikkelingslijnen opmerkelijke
gelijkenissen.
Ontwikkelingspsychologie (levenslooppsychologie) = de wetenschappelijke studie
naar patronen van groei, verandering en stabiliteit bij mensen vanaf de conceptie
helemaal tot aan de ouderdom, maar met een accent op de jaren tot de
volwassenheid, waarin veranderingen elkaar het snelst opvolgen.
➔ Ontwikkelingspsychologie richt zich op de menselijke ontwikkeling. Sommige
ontwikkelingspsychologen proberen de universele (algemeen geldende)
ontwikkelingsprincipes te doorgronden, terwijl andere specifieker kijken.
Ontwikkelingspsychologen houden zich niet alleen bezig met de manier waarop
mensen tijdens hun leven groeien en veranderen, maar ook met stabiliteit in
het leven van kinderen, adolescenten en volwassenen.
Onderzoek naar de ontwikkeling van kinderen is grofweg te verdelen in 4 centrale
thema’s:
1. Fysieke ontwikkeling
2. Cognitieve ontwikkeling
3. Sociaal-emotionele ontwikkeling
4. Persoonlijkheidsontwikkeling
Fysieke ontwikkeling = ontwikkeling die betrekking heeft op de fysieke opbouw van
het lichaam, zoals hersenen, het zenuwstelsel, de spieren, de zintuigen en de behoefte
aan eten, drinken en slaap.
Cognitieve ontwikkeling = ontwikkeling die betrekking heeft op intellectuele
vermogens, zoals denken, leren, geheugen en probleemoplossing.
Sociaal-emotionele ontwikkeling = ontwikkeling die betrekking heeft op sociale
relaties, interacties met anderen en op het omgaan met emoties.
Persoonlijkheidsontwikkeling = ontwikkeling van duurzame gedragingen en
(karakter) – eigenschappen die de ene persoon van de andere onderscheiden.
,Ontwikkelingspsychologen specialiseren zich niet alleen vaak in een thematisch
gebied, tegelijkertijd kijken ze meestal ook naar specifieke leeftijdsgroepen. In dit
boek maken we de volgende globale onderverdeling:
- Prenatale periode (van conceptie tot geboorte)
- Babytijd (van geboorte tot 2 jaar)
- Peuter- kleutertijd (van 2 tot 6 jaar)
- Schooltijd (van 6 tot 12 jaar)
- Adolescentie (van 12 tot 20 jaar)
Een sociale constructie is een idee over de realiteit die weliswaar breed geaccepteerd
is, maar afhangt van de maatschappij en de cultuur op een bepaald moment.
Een ander voorbeeld van zo’n specifieke ontwikkelingsperiode is de prepuberteit: de
periode voorafgaand aan de puberteit, waarin al (hormonale) veranderingen in het
lichaam optreden, maar deze nog niet van buitenaf zichtbaar zijn.
De tijdstippen waarop gebeurtenissen zich in het leven van mensen voltrekken,
kunnen aanzienlijk variëren. Dat heeft deels een biologische oorzaak: de ene mens is
sneller volgroeid dan de andere.
Maar ook omgevingsfactoren spelen een belangrijke rol. De leeftijd waarop mensen
meestal liefdesrelaties aangaan, varieert bijvoorbeeld per cultuur en is deels
afhankelijk van de manier waarop mensen in die cultuur aankijken tegen relaties.
1.1.2
Ieder mens behoort tot een specifieke cohort: een groep mensen die rond dezelfde
tijd op dezelfde plek zijn geboren.
➔ Invloeden van cohorten op de ontwikkeling, zogenoemde cohorteffecten, zijn
voorbeelden van historisch bepaalde invloeden: omgevingsinvloeden en
biologische invloeden die verbonden zijn aan een specifiek historisch moment.
Naast het cohort waartoe iemand behoort, zijn er natuurlijk nog vele andere factoren
of gebeurtenissen die de ontwikkeling mede bepalen. We maken hierbij een
onderscheid tussen normatieve en niet-normatieve gebeurtenissen.
➔ Met normatieve gebeurtenissen worden hier gebeurtenissen bedoeld die zich
voor de meeste individuen binnen een groep op dezelfde manier voltrekken.
Normatieve gebeurtenissen kunnen historische, leeftijdsgebonden of sociaal-
cultureel bepaald zijn.
➔ Niet-normatieve gebeurtenissen zijn ook van invloed op de ontwikkeling. Dit zijn
specifieke gebeurtenissen die plaatsvinden in het leven van een bepaald
, persoon, terwijl de meeste andere mensen hier niet mee te maken krijgen. (Bijv.
een kind dat op haar 6e haar ouders kwijtraakt bij een auto-ongeluk).
Leeftijdsgebonden invloeden zijn biologische invloeden en omgevingsinvloeden die gelijk
zijn voor mensen in een bepaalde leeftijdsgroep, ongeacht waar of wanneer ze
opgroeien.
Ontwikkeling wordt ook bepaald door sociaal-culturele invloeden, zoals etnische
afkomst, sociale klasse, lidmaatschap van een subcultuur en dergelijke.
1.2.3
Een belangrijke kwestie binnen de ontwikkelingspsychologie is de vraag of
ontwikkeling zich op een continue of discontinue manier voltrekt.
Bij een continue verandering is de ontwikkeling geleidelijk en vloeien de prestaties op
een bepaald niveau voort uit de prestaties op de vorige niveaus. Continue verandering
is kwantitatief, oftewel heeft te maken met hoeveelheid.
➔ Verandering in lengte zijn bijvoorbeeld continu
Discontinue verandering vindt plaats in aparte stappen of stadia. Elk stadium levert
gedrag op dat kwalitatief, dus qua inhoud en hoedanigheid, anders is dan gedrag in
eerdere stadia.
➔ Vanuit het standpunt van discontinue verandering bezien, kan een
ontwikkeling abrupt, met sprongetjes, verlopen. Zoals bij een kind dat opeens
niet meer in bed plast, wanneer het door rijping eenmaal zijn blaas kan
beheersen.
Kritieke periode = een specifieke tijd in de ontwikkeling waarin een bepaalde
gebeurtenis de grootste – en zelfs onomkeerbare - gevolgen heeft.
Plasticiteit: de mate waarin een zich ontwikkelde gedragspatroon of fysieke structuur
veranderlijk is.
Gevoelige periode = een afgebakende tijdspanne, meestal vroeg in het leven, waarin
mensen extra gevoelig zijn voor bepaalde omgevingsinvloeden en sterk ontvankelijk
zijn voor het leren van specifieke vaardigheden. (Als je jong bent kan je bijvoorbeeld
gemakkelijk een tweede taal leren.