Blok 2.4 – Integratie
,Nummer Vraag Antwoord
1. Als er bij de screening ‘pluis/niet-pluis’ sprake is van een voor de B
fysiotherapeut niet herkenbaar profiel, zal de fysiotherapeut als
volgt moeten handelen:
a. De patiënt behandelen op basis van een werkhypothese
b. De patiënt verwijzen naar de huisarts voor een second
opinion
c. De patiënt een aantal proefbehandelingen geven, gevolgd
door een evaluatie
2. In de KNGF-richtlijn ‘Fysiotherapeutische verslaglegging 2011’ A
wordt geschreven over de vastlegging van belemmerende en/of
bevorderende externe factoren. Onder belemmerende en/of
bevorderende externe factoren vallen:
a. Beschikbaarheid van adequate hulpmiddelen en
aanpassingen in de omgeving
b. Fysieke en psychische belastbaarheid
c. Leeftijd (zoals bewegings- en voedingsgewoonten)
3. Stel: een fysiotherapeut verzoekt de patiënt de huisarts te C
consulteren. De fysiotherapeut wil door middel van een tussentijds
verslag de huisarts op de hoogte brengen van het bereikte
resultaat van de fysiotherapie behandelingen. De fysiotherapeut
overweegt:
Mogelijkheid 1: het tussentijdse verslag aan de patiënt
mee te geven in een open envelop.
Mogelijkheid 2: de informatie per niet-versleutelde e-mail
te versturen.
Welke mogelijkheid geeft/welke mogelijkheden geven
onvoldoende beveiliging van de medisch inhoudelijke informatie?
a. Alleen mogelijkheid 1
b. Alleen mogelijkheid 2
c. Beide mogelijkheden
4. De functie van de M. Extensor carpi radialis longus is: A
a. Lichte flexie elleboog en pols extensie en abductie
b. Lichte flexie elleboog en pols extensie en adductie
c. Lichte flexie elleboog en semipronatie onderarm
5. Bij perifere sensitisatie is er sprake van: B
a. Een verhoogde responsiviteit van de achterhoorn
b. Een verhoogde responsiviteit van de perifere nocisensoren
c. Sensitisatie van centraal pijnmodulerend systeem
6. Artrose is een degeneratieve aandoening die primair het gevolg is A
van:
a. Microtraumata van het gewrichtskraakbeen
b. Een ontsteking van het synoviale membraan
c. Afname van bloedtoevoer van het betreffende gewricht
7. Pijn vanuit een rotator cuff tendinitis is het ergst: C
a. In de ochtend
b. Gedurende de dag
c. In de nacht
8. De evidence statement ‘Subacromiale klachten’ gaat over A
klachten op basis van een extern impingement. Een extern
impingement is:
a. Inklemming in de subacromiale ruimte
1
, b. Inklemming tussen de humeruskop en de cavitas
glenoidalis scapulae
c. Inklemming in de scapulothoracale ruimte
9. Een ‘secundair’ impingement is: B
a. Structurele vernauwing van de subacromiale ruimte
b. Inklemming tijdens specifieke houdingen en/of
bewegingen
c. Zwelling van de rotatorcuffpezen of bursa
10. Capsulitis adhesive is een zeer pijnlijke aandoening, maar C
onbehandeld zal deze binnen … genezen.
a. 6 weken
b. 6 maanden
c. 1 tot 2 jaar
11. Capsulair patroon van het glenohumerale gewricht is: A
a. Exorotatie, abductie, endorotatie
b. Abductie, endorotatie, exorotatie
c. Endorotatie, exorotatie, abductie
12. Het ellebooggewricht (ulno-humeraal) is in zijn close packed B
position als deze in … stand is.
a. Flexie met pronatie
b. Extensie met supinatie
c. Extensie met pronatie
13. Passief bewegen als behandeling is minder effectief in het … dan B
actieve oefentherapie.
a. Onderhouden van de actieve range of motion
b. Ondersteunen van de circulatie
c. Verminderen van gewrichtspijn
14. Door het slapper worden van bindweefsel wordt de passieve A
beweeglijkheid van het schoudergewricht …:
a. Minder
b. Gelijk/onveranderd
c. Meer
15. De dynamische stabiliteit van de schouder (glenohumeraal) kan B
getraind worden door oefeningen van de:
a. M. Pectoralis
b. M. Supraspinatus
c. M. Deltoïdeus
16. Gegeven: een patiënt heeft een beperkte dorsaalflexie van de A
pols. De fysiotherapeut mobiliseert deze beweging door middel
van een translatie van de handwortelbeentjes, graad II volgens
Kaltenborn. In welke richting moet de fysiotherapeut de translatie
maken?
a. Richting palmair
b. Richting radiaal
c. Richting dorsaal
17. In het ASE-model hebben drie componenten invloed op de C
intentie tot gedragsverandering. Welke zijn dat?
a. Attitude, sociale invloed, eigenwaarde
b. Attitude, sociale vaardigheden, eigen effectiviteit
c. Attitude, sociale invloed, eigen effectiviteit
18. Gegeven: volgens het Transtheoretisch model van Prochaska en B
DiClemente vindt gedragsverandering in vijf fasen plaats. In welke
fase toont de patiënt de meeste weerstand om daadwerkelijk
zijn/haar gedrag te veranderen?
2