Samenvatting
Nectar biologie: Hoofdstuk 2;
Soorten en populaties
Judith Vuijst
CSVVG Vincent van Gogh
, Biologie samenvatting Hs 2; Soorten en populaties
2.1 Definitie van een soort
Individuen met min of meer gelijke uiterlijk behoren tot dezelfde soort als ze vruchtbare nakomelingen
kunnen krijgen. Soms lijken twee dieren qua uiterlijk op elkaar, maar herkennen zij elkaar niet als
soortgenoot. Het gedrag, geluid, voedsel en leefgebied is totaal anders. Het zijn 2 verschillende soorten.
Soortnamen
Is een soort eenmaal beschreven, dan krijgt hij een wetenschappelijke naam. Die bestaat uit 2 delen: de
geslachtsnaam en de soortaanduiding. Dit is een binominale naamgeving. Linnaeus heeft deze naamgeving
ingevoerd. Door taxonomie, de wetenschappelijke indeling van soorten, classificeerde Linnaeus duizenden
planten en dieren. Hij lette op overeenkomstige kenmerken zoals de bouw vd voortplantingsorganen van
planten. Linnaeus’ indeling plaatst organismen in steeds grotere groepen: Organismen soorten
geslachten families orden klassen rijken.
DNA
Soorten kunnen erg op elkaar lijken doordat ze bijv in een gebied leven met vergelijkbare milieufactoren.
Dat de soorten niet verwant zijn, blijkt uit hun DNA. DNA is betrouwbaarder dan je waarnemingen omdat
dit doorgegeven wordt van generatie op generatie. Biologen gebruiken DNA-onderzoek om tot een
betrouwbare indeling van soorten te komen. Een indeling volgens uiterlijke kenmerken bijv kan 2 dieren
dicht bij elkaar plaatsen maar totaal verschillend zijn obv DNA.
Als soorten zich niet aan de regels houden
Soms kruisen soorten zich met elkaar en krijgen ze levensvatbare nakomelingen: hybriden. Hybriden helpen
familierelaties tussen soorten vast te stellen. 2 soorten kunnen alleen jongen krijgen als’t DNA voor een
groot deel gelijk is. Leeuw en tijger kunnen samen jongen krijgen en zijn dus nauw verwant. Meestal zijn
hybriden onvruchtbaar, zodat grotere vermenging van soorten niet optreedt. Een wandelende tak plant
zich ongeslachtelijk voort. Het kenmerk dat soortgenoten vruchtbare nakomelingen kunnen krijgen, vervalt
bij deze soorten.
2.2 Populaties
Een populatie zijn organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied. Binnen een populatie paren dieren
vaker onderling dan met soortgenoten uit andere populaties. Zeker als kolonies ver uit elkaar liggen.
Daardoor zijn individuen in een populatie vaak directe familie van elkaar. Dat maakt ze bijv kwetsbaar voor
ziektes waardoor populatie ineens kan verdwijnen. Als omstandigheden gunstig zijn en er is veel
uitwisseling van erfelijk materiaal, kan de populatie snel groeien. Als dieren wegtrekken starten ze een
nieuwe populatie. Wegtrekkende dieren brengen hun DNA in een andere populatie waardoor de variatie in
die populatie toeneemt.
Beperkende factor
In een jong bos is nestgelegenheid de beperkende factor vanwege weinig holle bomen. Op een bepaald
moment is hvlheid voedsel te krap voor alle nieuwe dieren en trekken jongen weg uit leefgebied van hun
ouders. Blijven ze id buurt, dan kunnen ze een eigen territorium bemachtigen. In dat geval versterken ze
hun oorspronkelijke populatie. Als ze een nieuw gebied koloniseren, vormen ze een nieuwe populatie. Daar
dragen ze bij aan genetische diversiteit. Planten verspreiden hun zaden via wind, water en dieren.