Biologie SE-2
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 7: Evolutie 1
Hoofdstuk 13: Zenuwstelsel 6
Hoofdstuk 14: Waarnemen 11
Hoofdstuk 19: Sport 16
Hoofdstuk 20: Planten 21
Hoofdstuk 21: Afweer 22
, Hoofdstuk 7: Evolutie
7.1 Ontstaan van de mens
Scheppingstheorieën
Creationisme: geloof in bovennatuurlijke schepper
➔ Metafoor of echte beschrijving.
➔ Organismen veranderen niet.
⬇
➔ Cuvier, de grondlegger van paleontologie = de wetenschap die fossielen
bestudeert, ontdekte fossielen die niet leken op de organismen die er toen
leefden in dat gebied.
➔ Catastrofetheorie: natuurrampen zorgde ervoor dat alle levende organismen
in een getroffen gebied stierven -> een nieuwe schepping zorgde voor nieuwe
organismen.
Evolutietheorieën
De Lamarck:
Een organisme past zich aan aan zijn leefomgeving en gaf dat door aan
nakomelingen.
➔ Gebruik = ontwikkeling.
➔ Geen gebruik = degeneratie.
Darwin:
On the origin of species: individuen verschillen in eigenschappen en de
leefomgeving oefent een selectiedruk uit op hun overlevingskansen -> survival of
the fittest = individuen die beter zijn aangepast aan hun leefomgeving leven langer
en krijgen de meeste nakomelingen.
➔ Struggle for life: organismen voeren een dagelijkse strijd met elkaar om te
overleven.
Mendel:
Aanvulling op Darwin met erfelijkheidswetten.
↓
Neodarwinistische theorie = Darwin + Mendel + ontdekking DNA, mutaties en
recombombinatie.
Oorsprong van de mens
12 miljoen jaar geleden begon de Afrikaanse plaat te scheuren, rift vallei Ethiopië:
➔ Westen: vochtige omgeving met bomen.
- Soorten evolueerden die goed waren aangepast aan de omgeving.
- Mensapen.
➔ Oosten: savanne.
➔ Soorten evolueerden die goed waren aangepast aan de omgeving.
➔ Selectiedruk op overleven in de savanne:
- Bipedie: lopen op twee benen -> handen kwamen vrij.
- Gereedschappen -> meer nadenken -> meer hersenvolume.
1
, ➔ Mensachtigen.
Oorsprong moderne mens
Moderne mens: homo sapiens, ontstaan in Afrika.
‘Out of Africa’-hypothese
➔ Migratiepatroon was achter te halen door bevolkingsgroepen hun DNA te
vergelijken door middel van bv mutaties:
- Mensen in delen op basis van haplotype bij een haplogroep.
- Via het DNA op het Y-chromosoom (erf je van je vader) kan de
gemeenschappelijke voorouder afgeleid worden: Y-chromosomale
Adam.
- Via het mtDNA (erf je van de moeder) kan de gemeenschappelijke
voorouder worden afgeleid: mitochondriale Eva.
➔ De mitochondriale Eva is via migratiepatronen en mutaties kunnen
afleiden naar Afrika; via de mutatiesnelheid is er berekend dat ze
200.000 jaar geleden geleefd heeft.
7.2 Ontstaan van nieuwe soorten
Soortvorming
Er zijn twee soorten soortvorming:
➔ Allopatrische soortvorming = evolutie van soorten door het splitsen van een
populatie door een barrière. Door mutaties en andere selectiedruk ontstaan
andere soorten.
➔ Sympatrische soortvorming = evolutie van soorten doordat individuen
binnen hetzelfde gebied uitsluitend voortplanten binnen een kleine deelgroep.
Soorten kunnen samen evolueren -> co-evolutie: soorten passen zich aan aan
elkaar en evolueren gezamenlijk.
Selectie zorgt ook voor nieuwe soorten:
➔ Domesticeren = kweken van wilde planten en fokken van wilde dieren om
een nuttige functie te vervullen.
- Klassieke veredeling = kweken of fokken van rassen.
- Kunstmatige selectie = selectie waarbij mensen een rol spelen.
➔ Seksuele selectie.
- Selectie die plaatsvindt bij het uitkiezen van een sekspartner binnen de
eigen soort -> heeft invloed op de allelen mix van de nakomelingen.
➔ Natuurlijke selectie.
Verder zorgen mutaties en isolatie ook voor nieuwe soorten.
2
, 7.3 Het verhaal van de fossielen
Fossielen = resten van organismen die vroeger leefden en die bewaard zijn in de
aardbodem.
Ontstaan fossielen
Fossiliseren = proces waarbij fossielen ontstaan.
Fossilisatie is mogelijk wanneer micro-organismen geen kans krijgen, dus onder
extreme omstandigheden.
⬇
Verstening: wanneer een laag zand op slik het lichaam bedekt. Door hoge druk
verstenen de lagen sediment en houden de resten van het dier in een steenlaag.
Beweging van aardlagen en erosie maken de fossielen zichtbaar.
Verdroging: weinig water conserveert.
Lage temperatuur: kou conserveert.
Lage pH: zure omgeving is ongunstig voor bacteriën.
Zuurstofgebrek: zuurstofarme omstandigheden zijn ongunstig voor bacteriën.
Opsluiten in barnsteen: organismen zijn opgesloten in de hars en de hars is hard
geworden.
Dateren van fossielen
➔ Relatieve leeftijd:
- Fossielen uit een aardlaag te vergelijken met een gidsfossiel =
hebben een korte tijd op aarde geleefd, maar zijn wel veel verspreid.
➔ Absolute leeftijd:
- Door middel van isotopenonderzoek. Meeste isotopen zijn instabiel en
vervallen tot een stabiele vorm -> hierbij komt radioactieve straling vrij.
Met de halveringstijd kun je achterhalen hoe oud het fossiel is.
Verwantschap in lichaamsbouw van soorten
Homologe structuren = zelfde bouw, andere functie.
Analoge structuren = andere bouw, zelfde functie.
rudimentaire organen = organen die hun functie hebben verloren.
7.4 Evolutietheorie in ontwikkeling
Ontstaan van leven
Ideeën van ontstaan van leven:
➔ Generatio Spontanea = leven ontstaat spontaan, vliegen ontstonden uit
vlees en muizen uit graan.
Deze theorie wordt ontkracht door het testen van potten met vlees en maden.
➔ Nabootsing oeratmosfeer.
➔ Buitenlandse oorsprong van leven op aarde.
3
Inhoudsopgave
Hoofdstuk 7: Evolutie 1
Hoofdstuk 13: Zenuwstelsel 6
Hoofdstuk 14: Waarnemen 11
Hoofdstuk 19: Sport 16
Hoofdstuk 20: Planten 21
Hoofdstuk 21: Afweer 22
, Hoofdstuk 7: Evolutie
7.1 Ontstaan van de mens
Scheppingstheorieën
Creationisme: geloof in bovennatuurlijke schepper
➔ Metafoor of echte beschrijving.
➔ Organismen veranderen niet.
⬇
➔ Cuvier, de grondlegger van paleontologie = de wetenschap die fossielen
bestudeert, ontdekte fossielen die niet leken op de organismen die er toen
leefden in dat gebied.
➔ Catastrofetheorie: natuurrampen zorgde ervoor dat alle levende organismen
in een getroffen gebied stierven -> een nieuwe schepping zorgde voor nieuwe
organismen.
Evolutietheorieën
De Lamarck:
Een organisme past zich aan aan zijn leefomgeving en gaf dat door aan
nakomelingen.
➔ Gebruik = ontwikkeling.
➔ Geen gebruik = degeneratie.
Darwin:
On the origin of species: individuen verschillen in eigenschappen en de
leefomgeving oefent een selectiedruk uit op hun overlevingskansen -> survival of
the fittest = individuen die beter zijn aangepast aan hun leefomgeving leven langer
en krijgen de meeste nakomelingen.
➔ Struggle for life: organismen voeren een dagelijkse strijd met elkaar om te
overleven.
Mendel:
Aanvulling op Darwin met erfelijkheidswetten.
↓
Neodarwinistische theorie = Darwin + Mendel + ontdekking DNA, mutaties en
recombombinatie.
Oorsprong van de mens
12 miljoen jaar geleden begon de Afrikaanse plaat te scheuren, rift vallei Ethiopië:
➔ Westen: vochtige omgeving met bomen.
- Soorten evolueerden die goed waren aangepast aan de omgeving.
- Mensapen.
➔ Oosten: savanne.
➔ Soorten evolueerden die goed waren aangepast aan de omgeving.
➔ Selectiedruk op overleven in de savanne:
- Bipedie: lopen op twee benen -> handen kwamen vrij.
- Gereedschappen -> meer nadenken -> meer hersenvolume.
1
, ➔ Mensachtigen.
Oorsprong moderne mens
Moderne mens: homo sapiens, ontstaan in Afrika.
‘Out of Africa’-hypothese
➔ Migratiepatroon was achter te halen door bevolkingsgroepen hun DNA te
vergelijken door middel van bv mutaties:
- Mensen in delen op basis van haplotype bij een haplogroep.
- Via het DNA op het Y-chromosoom (erf je van je vader) kan de
gemeenschappelijke voorouder afgeleid worden: Y-chromosomale
Adam.
- Via het mtDNA (erf je van de moeder) kan de gemeenschappelijke
voorouder worden afgeleid: mitochondriale Eva.
➔ De mitochondriale Eva is via migratiepatronen en mutaties kunnen
afleiden naar Afrika; via de mutatiesnelheid is er berekend dat ze
200.000 jaar geleden geleefd heeft.
7.2 Ontstaan van nieuwe soorten
Soortvorming
Er zijn twee soorten soortvorming:
➔ Allopatrische soortvorming = evolutie van soorten door het splitsen van een
populatie door een barrière. Door mutaties en andere selectiedruk ontstaan
andere soorten.
➔ Sympatrische soortvorming = evolutie van soorten doordat individuen
binnen hetzelfde gebied uitsluitend voortplanten binnen een kleine deelgroep.
Soorten kunnen samen evolueren -> co-evolutie: soorten passen zich aan aan
elkaar en evolueren gezamenlijk.
Selectie zorgt ook voor nieuwe soorten:
➔ Domesticeren = kweken van wilde planten en fokken van wilde dieren om
een nuttige functie te vervullen.
- Klassieke veredeling = kweken of fokken van rassen.
- Kunstmatige selectie = selectie waarbij mensen een rol spelen.
➔ Seksuele selectie.
- Selectie die plaatsvindt bij het uitkiezen van een sekspartner binnen de
eigen soort -> heeft invloed op de allelen mix van de nakomelingen.
➔ Natuurlijke selectie.
Verder zorgen mutaties en isolatie ook voor nieuwe soorten.
2
, 7.3 Het verhaal van de fossielen
Fossielen = resten van organismen die vroeger leefden en die bewaard zijn in de
aardbodem.
Ontstaan fossielen
Fossiliseren = proces waarbij fossielen ontstaan.
Fossilisatie is mogelijk wanneer micro-organismen geen kans krijgen, dus onder
extreme omstandigheden.
⬇
Verstening: wanneer een laag zand op slik het lichaam bedekt. Door hoge druk
verstenen de lagen sediment en houden de resten van het dier in een steenlaag.
Beweging van aardlagen en erosie maken de fossielen zichtbaar.
Verdroging: weinig water conserveert.
Lage temperatuur: kou conserveert.
Lage pH: zure omgeving is ongunstig voor bacteriën.
Zuurstofgebrek: zuurstofarme omstandigheden zijn ongunstig voor bacteriën.
Opsluiten in barnsteen: organismen zijn opgesloten in de hars en de hars is hard
geworden.
Dateren van fossielen
➔ Relatieve leeftijd:
- Fossielen uit een aardlaag te vergelijken met een gidsfossiel =
hebben een korte tijd op aarde geleefd, maar zijn wel veel verspreid.
➔ Absolute leeftijd:
- Door middel van isotopenonderzoek. Meeste isotopen zijn instabiel en
vervallen tot een stabiele vorm -> hierbij komt radioactieve straling vrij.
Met de halveringstijd kun je achterhalen hoe oud het fossiel is.
Verwantschap in lichaamsbouw van soorten
Homologe structuren = zelfde bouw, andere functie.
Analoge structuren = andere bouw, zelfde functie.
rudimentaire organen = organen die hun functie hebben verloren.
7.4 Evolutietheorie in ontwikkeling
Ontstaan van leven
Ideeën van ontstaan van leven:
➔ Generatio Spontanea = leven ontstaat spontaan, vliegen ontstonden uit
vlees en muizen uit graan.
Deze theorie wordt ontkracht door het testen van potten met vlees en maden.
➔ Nabootsing oeratmosfeer.
➔ Buitenlandse oorsprong van leven op aarde.
3