1. Brede beeldvorming of diagnostiek
Op het examen krijg je een casus en moet je zeggen welke stoornis je daarbij vindt passen en
daarna opzoeken
inleiding
beeldvorming, diagnostiek.. What’s in a name
Geen eenduidige visie op het concept diagnosiek. Verschillende termen worden binnen de
zorgsector vaak door elkaar gebruikt. Vb: Ortho context VS CLB VS klinisch psychiatrische
dienst
Verschillende organisaties en professionals hebben geen eenduidige visie over hoe
diagnostiek concreet moet ingevuld worden.
Organisaties werken vanuit hun eigen doelstellingen en gewoontes
Leidt tot onduidelijkheden en verschillende verwachtingen tussen de verschillende spelers.
1. diagnostiek
1.1 definitie
Grieks: Diagnoskein, dia: onderscheid, gnose: kennis
Diagnostiek is het systematisch verzamelen en ordenen van informatie, testgegevens en
observaties aangaande het functioneren van het kind, met als mogelijke doelstellingen:
Het classificeren van een ziekte, stoornis of syndroom
Het inventariseren van symptomen, hun aard (fysiek, mentaal) en hun graad (licht, milde,
ernstige)
Het inventariseren van de noden gerelateerd aan de stoornis (leren voorstellen, werk
zoeken)
De indicatiestelling van de nodige zorg en ondersteuning
Het creëren van toegang tot specifieke revalidatie- of zorgprogramma’s en/of
zorgvoorzieningen
Het creëren van toegang tot ondersteunende financieringssystemen.
De redenen kunnen heel verschillend zijn om een diagnose te stellen (in een aparte ruimte
gaan studeren
1.2 soorten
1.2.1 Onderkennende of classificerende diagnostiek (bij kinderen met gedragsproblemen)
Stap 1 : Nagaan: Kloppen de vermoedens? Is er een gedragsprobleem? ->Gegevens verzamelen
over het kind
Hoe? Doen ze dit :
Verkennende interviews
Vragenlijsten (Vb: CBCL -> child behavior check list ,Aseba)
Stap 2 : Onderkennen gedragsstoornis: ja/ nee
Stap 3 : Welk gedragsprobleem is er ?:
Classificeren van probleem door te zoeken naar overeenkomst met vergelijkbare problematieken bij
andere kinderen. (DSM, ASEBA)
Stap 4 : Problematiek wordt benoemd. Vb : ADHD
Voordelen :
Communicatie hulpverleners
Schuldgevoelens van ouders of kind wegnemen
,Nadelen :
Stigmatisering (vooroordelen over stoornissen)
Geen zicht op de oorzaken
Geen zicht op indicatiestelling (wat is er nodig? )µ
1.2.2 verklarende diagnostiek
Inzicht in de oorzakelijke factoren :
Welke condities doen het probleem ontstaan ?
Welke condities helpen het probleem in stand houden ?
Welke condities versterken het probleem ?
1.2.3 (be)handelingsgerichte diagnostiek
Inzicht in de oorzakelijke factoren + hoe kunnen we factoren die samenhangen met het probleem
beïnvloeden zodat ze de problemen verminderen.
Indicatiestelling staat centraal. Indicatiestelling is het zoeken naar de meest gepaste behandeling
voor de problematiek van een cliënt.
Diagnostiek als middel om tot advies te komen (adviesgesprek)
Vanuit verschillende visies: Psycho dynamisch, cliëntgericht, gedragsmatig, cognitief,
systeemgericht, Orthopedagogisch (Zie OPO Orthopedagogie)
2. classificatie
2.1 wat ?
Definitie classificatiemodel : Een classificatiemodel is een raamwerk met gestandaardiseerd
begrippenapparaat voor het beschrijven van het menselijk functioneren en de problemen die
daarbij kunnen optreden om aldus te komen tot een systematische ordening (raamwerk = kader)
2.2 waarom classificeren ?
Onderbrengen in categorieën= Orde scheppen, structureren.
Wetenschappelijk onderzoek en klinische praktijk vooruit helpen. (zie slide
psychopathologie)
Gemeenschappelijke taal hanteren
2.3 classificatie binnen psychopathologie
Communicatiemiddel/onderzoeksinstrument met oog op:
Vóórkomen (aantal) en verspreiding van stoornissen= epidemiologie
Ontstaan stoornissen = Etiologie
Ontwikkeling stoornissen= Pathogenese
Beloop stoornissen= Prognose
Beïnvloedbaarheid stoornissen= Preventie/therapie
Je kan via verschillende soorten gaan classificeren:
1. Volgens prototypische beschrijving (volgens een bepaald beeld, welk beeld past bij welk
beeld?)
2. In categorieën: zwart, bruin, blond, ros,…
3. In verschillende dimensies: Lang- kort, dik, dun, licht- donker,…
,2.4 soorten classificatie
2.4.1 descriptieve classificatie (beschrijven)
Descriptieve classificatie: Stoornissen worden geclassificeerd door “goodness of fit” tussen klinisch
beeld patiënt en diagnostische prototypes (illustratieve casussen die in literatuur beschreven
staan ), Prototypische diagnostiek
-> Wordt niet meer gebruikt.
Vb hysterie
Bv. Ter illustratie : Betrokkene is voortdurend wantrouwend en neigt ertoe ook neutrale of zelfs
vriendelijke uitingen en handelingen van anderen als agressief en vijandig tegen zijn persoon
gericht te beleven. Verschillende gebeurtenissen in zijn omgeving worden vaak als complotten
tegen hem geduid en beleefd, zij het niet met dezelfde intensiteit als bij de paranoïde psychose. Hij
is echter niet alleen wantrouwend, maar ook zeer kritisch en intolerant tegenover anderen en hij
neigt ertoe bij afwijzing overgevoelig te reageren. Bovendien is hij vaak expansief of ‘ruziezoekerig’
of zelfs regelrecht fanatiek.
2.4.2 categoriale classificatie bv. DSM
Categoriale classificatie: Stoornissen verdelen is gebaseerd op 1 of meer sleutelkenmerken die
onveranderlijk aanwezig zijn bij alle leden van dezelfde categorie.
Onderscheid In categorieën. Ziek of gezond (vb: DSM), stoornis of geen stoornis. Geen ruimte voor
nuance
Oefening 1 : op zoek in DSM- 5 (ODD)
Oefening 2 : casus Timmy (ASS)
3. classificatiesystemen
3.1 klinisch- psychiatrisch classificatiesysteem DSM
APA (American psychiatric association): Diagnostic and Statistical Manual of mental disorders. ->
Amerikaanse versie
Het is een uitgebreid overzicht van alle westerse erkende geestelijke gezondheidsstoornissen
Ze zijn onderverdeeld in verschillende groepen
DSM I (1952): 106 stoornissen
DSM V (2013): 1211 Stoornissen
Wordt binnen de psychiatrie het meest gebruikt (bijbel van de psychiatrie genoemd)
Iedereen weet wat bepaalde stoornissen inhouden (huis- tuin en keuken diagnostiek)
Politieke factor: Stoornis labels uit DSM bepalen toegang tot zorg en begeleiding (VB:VAPH, MFC,
BUSO of faciliteitenattest studenten met functiebeperking)
Het is alleen beschrijvend. (Geen oorzaken, behandeling,…)
3.1.1 doel DSM V
Medische classificatie van stoornissen.
Communiceren over stoornissen: Heldere beschrijving en gemeenschappelijke taal.
Helpt bij onderzoek naar stoornissen: Psychische problemen cijfermatig in kaart brengen.
3.1.2 opbouw DSM
DSM bestaat uit drie secties :
I Uitleg en instructies gebruik
II Beschrijving stoornissen (angststoornissen, despressieve- stemmingsstoornissen,
psychotraume- en stressgerelateerde stoornissen, persoonlijkheidsstoornissen)
III Toekomstige ontwikkelingen: (Verder onderzoek verreist)
, 1. Geclusterd volgens internaliserende en externaliserende factoren. (Na neurobiologische ontw.
Stoornissen)
Internaliserende problemen (zelf slachtoffer) : VB Angst, Depressie
Externaliserend problemen (omgeving is slachtoffer) : Vb disruptief gedrag, middelengebruik
2. Geclusterd volgens levensloop:
Start met stoornissen met verstoorde ontwikkeling in jonge leeftijd, eindigt met stoornissen die zich
vooral op latere leeftijd manifesteren
Bij stoornissen in deel II aandacht voor:
Classificatiecriteria
Subtype en specificities
ICD-11 codering
Diagnostische kenmerken
Prevalentie (hoeveelheid mensen -> voorkomen)
Culturele kwesties (andere culturen kijken anders naar gedrag)
Genderverschillen
Gevolgen voor het functioneren
Comorbiditeit
Differentiële diagnostiek
3.1.3 kritieken op DSM
Ontstaan op vraag van epidemiologen en statictici
Diagnose vaak verengt tot classificatie
Additief van aard: Diagnose stellen door optellen criteria
Symptomen worden afzonderlijk onderzocht. Geen inbedding in ruimer functioneren.
(=decontextualiserende benadering)
Weinig transparantie bij opstellen criteria.
Gevaar Reïficatie ( drogreden waarbij een idee of hypothese als een werkelijke gebeurtenis
wordt beschouwd)
3.1.4 DSM categoriale classificatie ?
Categoriale classificatie maar steeds meer dimensionele benadering bv. In het DSM 4 had
autistische stoornis, syndroom van Asperger, syndroom van Rett,… -> nu in het DSM 5 : ASS
3.2 empirisch- statistische classificatiesysteem ASEBA
ASEBA: Achenbach system of empirically based assassment.
Gedragsvragenlijsten. CBCL (child behaviour checklist), TRF (teachers report form) om
gedrag in kaart te brengen vanuit verschillende bronnen.
Syndroomschalen: Vaak samen voorkomend probleemgedrag wordt afgebakend in clusters
of syndroomschalen. P 29
Er zijn 8 syndroomschalen :
1. Teruggetrokken depressief (vb: eenzaam of alleen voelen)
2. Lichamelijke klachten (vb: maagpijn/buikpijn)
3. Angstig depressief (vb: Zich waardeloos voelen)
4. Sociale problemen (vb: niet met anderen kunnen opschieten)
Op het examen krijg je een casus en moet je zeggen welke stoornis je daarbij vindt passen en
daarna opzoeken
inleiding
beeldvorming, diagnostiek.. What’s in a name
Geen eenduidige visie op het concept diagnosiek. Verschillende termen worden binnen de
zorgsector vaak door elkaar gebruikt. Vb: Ortho context VS CLB VS klinisch psychiatrische
dienst
Verschillende organisaties en professionals hebben geen eenduidige visie over hoe
diagnostiek concreet moet ingevuld worden.
Organisaties werken vanuit hun eigen doelstellingen en gewoontes
Leidt tot onduidelijkheden en verschillende verwachtingen tussen de verschillende spelers.
1. diagnostiek
1.1 definitie
Grieks: Diagnoskein, dia: onderscheid, gnose: kennis
Diagnostiek is het systematisch verzamelen en ordenen van informatie, testgegevens en
observaties aangaande het functioneren van het kind, met als mogelijke doelstellingen:
Het classificeren van een ziekte, stoornis of syndroom
Het inventariseren van symptomen, hun aard (fysiek, mentaal) en hun graad (licht, milde,
ernstige)
Het inventariseren van de noden gerelateerd aan de stoornis (leren voorstellen, werk
zoeken)
De indicatiestelling van de nodige zorg en ondersteuning
Het creëren van toegang tot specifieke revalidatie- of zorgprogramma’s en/of
zorgvoorzieningen
Het creëren van toegang tot ondersteunende financieringssystemen.
De redenen kunnen heel verschillend zijn om een diagnose te stellen (in een aparte ruimte
gaan studeren
1.2 soorten
1.2.1 Onderkennende of classificerende diagnostiek (bij kinderen met gedragsproblemen)
Stap 1 : Nagaan: Kloppen de vermoedens? Is er een gedragsprobleem? ->Gegevens verzamelen
over het kind
Hoe? Doen ze dit :
Verkennende interviews
Vragenlijsten (Vb: CBCL -> child behavior check list ,Aseba)
Stap 2 : Onderkennen gedragsstoornis: ja/ nee
Stap 3 : Welk gedragsprobleem is er ?:
Classificeren van probleem door te zoeken naar overeenkomst met vergelijkbare problematieken bij
andere kinderen. (DSM, ASEBA)
Stap 4 : Problematiek wordt benoemd. Vb : ADHD
Voordelen :
Communicatie hulpverleners
Schuldgevoelens van ouders of kind wegnemen
,Nadelen :
Stigmatisering (vooroordelen over stoornissen)
Geen zicht op de oorzaken
Geen zicht op indicatiestelling (wat is er nodig? )µ
1.2.2 verklarende diagnostiek
Inzicht in de oorzakelijke factoren :
Welke condities doen het probleem ontstaan ?
Welke condities helpen het probleem in stand houden ?
Welke condities versterken het probleem ?
1.2.3 (be)handelingsgerichte diagnostiek
Inzicht in de oorzakelijke factoren + hoe kunnen we factoren die samenhangen met het probleem
beïnvloeden zodat ze de problemen verminderen.
Indicatiestelling staat centraal. Indicatiestelling is het zoeken naar de meest gepaste behandeling
voor de problematiek van een cliënt.
Diagnostiek als middel om tot advies te komen (adviesgesprek)
Vanuit verschillende visies: Psycho dynamisch, cliëntgericht, gedragsmatig, cognitief,
systeemgericht, Orthopedagogisch (Zie OPO Orthopedagogie)
2. classificatie
2.1 wat ?
Definitie classificatiemodel : Een classificatiemodel is een raamwerk met gestandaardiseerd
begrippenapparaat voor het beschrijven van het menselijk functioneren en de problemen die
daarbij kunnen optreden om aldus te komen tot een systematische ordening (raamwerk = kader)
2.2 waarom classificeren ?
Onderbrengen in categorieën= Orde scheppen, structureren.
Wetenschappelijk onderzoek en klinische praktijk vooruit helpen. (zie slide
psychopathologie)
Gemeenschappelijke taal hanteren
2.3 classificatie binnen psychopathologie
Communicatiemiddel/onderzoeksinstrument met oog op:
Vóórkomen (aantal) en verspreiding van stoornissen= epidemiologie
Ontstaan stoornissen = Etiologie
Ontwikkeling stoornissen= Pathogenese
Beloop stoornissen= Prognose
Beïnvloedbaarheid stoornissen= Preventie/therapie
Je kan via verschillende soorten gaan classificeren:
1. Volgens prototypische beschrijving (volgens een bepaald beeld, welk beeld past bij welk
beeld?)
2. In categorieën: zwart, bruin, blond, ros,…
3. In verschillende dimensies: Lang- kort, dik, dun, licht- donker,…
,2.4 soorten classificatie
2.4.1 descriptieve classificatie (beschrijven)
Descriptieve classificatie: Stoornissen worden geclassificeerd door “goodness of fit” tussen klinisch
beeld patiënt en diagnostische prototypes (illustratieve casussen die in literatuur beschreven
staan ), Prototypische diagnostiek
-> Wordt niet meer gebruikt.
Vb hysterie
Bv. Ter illustratie : Betrokkene is voortdurend wantrouwend en neigt ertoe ook neutrale of zelfs
vriendelijke uitingen en handelingen van anderen als agressief en vijandig tegen zijn persoon
gericht te beleven. Verschillende gebeurtenissen in zijn omgeving worden vaak als complotten
tegen hem geduid en beleefd, zij het niet met dezelfde intensiteit als bij de paranoïde psychose. Hij
is echter niet alleen wantrouwend, maar ook zeer kritisch en intolerant tegenover anderen en hij
neigt ertoe bij afwijzing overgevoelig te reageren. Bovendien is hij vaak expansief of ‘ruziezoekerig’
of zelfs regelrecht fanatiek.
2.4.2 categoriale classificatie bv. DSM
Categoriale classificatie: Stoornissen verdelen is gebaseerd op 1 of meer sleutelkenmerken die
onveranderlijk aanwezig zijn bij alle leden van dezelfde categorie.
Onderscheid In categorieën. Ziek of gezond (vb: DSM), stoornis of geen stoornis. Geen ruimte voor
nuance
Oefening 1 : op zoek in DSM- 5 (ODD)
Oefening 2 : casus Timmy (ASS)
3. classificatiesystemen
3.1 klinisch- psychiatrisch classificatiesysteem DSM
APA (American psychiatric association): Diagnostic and Statistical Manual of mental disorders. ->
Amerikaanse versie
Het is een uitgebreid overzicht van alle westerse erkende geestelijke gezondheidsstoornissen
Ze zijn onderverdeeld in verschillende groepen
DSM I (1952): 106 stoornissen
DSM V (2013): 1211 Stoornissen
Wordt binnen de psychiatrie het meest gebruikt (bijbel van de psychiatrie genoemd)
Iedereen weet wat bepaalde stoornissen inhouden (huis- tuin en keuken diagnostiek)
Politieke factor: Stoornis labels uit DSM bepalen toegang tot zorg en begeleiding (VB:VAPH, MFC,
BUSO of faciliteitenattest studenten met functiebeperking)
Het is alleen beschrijvend. (Geen oorzaken, behandeling,…)
3.1.1 doel DSM V
Medische classificatie van stoornissen.
Communiceren over stoornissen: Heldere beschrijving en gemeenschappelijke taal.
Helpt bij onderzoek naar stoornissen: Psychische problemen cijfermatig in kaart brengen.
3.1.2 opbouw DSM
DSM bestaat uit drie secties :
I Uitleg en instructies gebruik
II Beschrijving stoornissen (angststoornissen, despressieve- stemmingsstoornissen,
psychotraume- en stressgerelateerde stoornissen, persoonlijkheidsstoornissen)
III Toekomstige ontwikkelingen: (Verder onderzoek verreist)
, 1. Geclusterd volgens internaliserende en externaliserende factoren. (Na neurobiologische ontw.
Stoornissen)
Internaliserende problemen (zelf slachtoffer) : VB Angst, Depressie
Externaliserend problemen (omgeving is slachtoffer) : Vb disruptief gedrag, middelengebruik
2. Geclusterd volgens levensloop:
Start met stoornissen met verstoorde ontwikkeling in jonge leeftijd, eindigt met stoornissen die zich
vooral op latere leeftijd manifesteren
Bij stoornissen in deel II aandacht voor:
Classificatiecriteria
Subtype en specificities
ICD-11 codering
Diagnostische kenmerken
Prevalentie (hoeveelheid mensen -> voorkomen)
Culturele kwesties (andere culturen kijken anders naar gedrag)
Genderverschillen
Gevolgen voor het functioneren
Comorbiditeit
Differentiële diagnostiek
3.1.3 kritieken op DSM
Ontstaan op vraag van epidemiologen en statictici
Diagnose vaak verengt tot classificatie
Additief van aard: Diagnose stellen door optellen criteria
Symptomen worden afzonderlijk onderzocht. Geen inbedding in ruimer functioneren.
(=decontextualiserende benadering)
Weinig transparantie bij opstellen criteria.
Gevaar Reïficatie ( drogreden waarbij een idee of hypothese als een werkelijke gebeurtenis
wordt beschouwd)
3.1.4 DSM categoriale classificatie ?
Categoriale classificatie maar steeds meer dimensionele benadering bv. In het DSM 4 had
autistische stoornis, syndroom van Asperger, syndroom van Rett,… -> nu in het DSM 5 : ASS
3.2 empirisch- statistische classificatiesysteem ASEBA
ASEBA: Achenbach system of empirically based assassment.
Gedragsvragenlijsten. CBCL (child behaviour checklist), TRF (teachers report form) om
gedrag in kaart te brengen vanuit verschillende bronnen.
Syndroomschalen: Vaak samen voorkomend probleemgedrag wordt afgebakend in clusters
of syndroomschalen. P 29
Er zijn 8 syndroomschalen :
1. Teruggetrokken depressief (vb: eenzaam of alleen voelen)
2. Lichamelijke klachten (vb: maagpijn/buikpijn)
3. Angstig depressief (vb: Zich waardeloos voelen)
4. Sociale problemen (vb: niet met anderen kunnen opschieten)