Oefententamen familie & gezin
(Toets 1)
40 vragen, waarvan 20 verdiepend. Allemaal meerkeuze (a-b-c-d)
Hoorcollege 1 – Inleiding in de Gezinspedagogiek
1. Wat is de belangrijkste functie van gehechtheid volgens Bowlby?
A. Het bevorderen van sociale vaardigheden
B. Het beschermen tegen onveiligheden
C. Het ontwikkelen van zelfstandigheid
D. Het stimuleren van cognitieve groei
2. Welke van de volgende componenten hoort NIET bij het gehechtheidsgedrag volgens
Bowlby?
A. Zuigen
B. Volgen
C. Praten
D. Huilen
3. Wat was de belangrijkste conclusie van Mary Ainsworth’s Strange Situation
Procedure?
A. Alle kinderen zijn veilig gehecht
B. Hechtingsstijlen verschillen per kind
C. Moeders bepalen de hechtingsstijl volledig
D. Gehechtheid kan alleen in de kindertijd ontstaan
4. Wat toonde Harlow’s experiment met apenmoeders aan?
A. Kinderen hechten zich vooral aan degene die hen voedt
B. Fysiek contact is belangrijker dan voeding voor gehechtheid
C. Apen tonen geen gehechtheid aan hun moeder
D. Alleen biologische moeders kunnen gehechtheid bevorderen
Hoorcollege 2 – Kind en Gezin Transacties
5. Welke van de volgende begrippen verwijst naar het idee dat ouders en kinderen elkaar
wederzijds beïnvloeden in opvoeding?
A. Differentiële ontvankelijkheid
B. Coerciviteitstheorie
C. Sociale leer theorie
D. Transactionele socialisatie
6. Welke opvoedingsstijl wordt gekenmerkt door hoge controle en weinig warmte?
A. Autoritatief
B. Permissief
C. Autoritair
D. Laissez-faire
7. Wat is volgens de coerciviteitstheorie een effect van toegeven aan negatief gedrag van
een kind?
A. Het versterkt het negatieve gedrag op lange termijn
B. Het vermindert gedragsproblemen op lange termijn
, C. Het heeft geen effect op de ontwikkeling van het kind
D. Het verhoogt de zelfstandigheid van het kind
Hoorcollege 3 – Mind-Mindedness & Beperkingen
8. Wat houdt mind-mindedness in?
A. Het stimuleren van cognitieve ontwikkeling bij kinderen
B. Het vermogen om het kind te zien als een autonoom individu
C. Het toepassen van strikte opvoedingsregels
D. Het trainen van de sociale vaardigheden van een kind
9. Wat is een voorbeeld van een appropriate mind-mindedness opmerking?
A. “Je bent altijd boos”
B. “Je houdt echt van tekenen, hè?”
C. “Je doet dat expres verkeerd”
D. “Jij bent een moeilijke eter”
10. Welke van de volgende risico’s wordt vaak genoemd voor broertjes en zusjes (brusjes)
van kinderen met een beperking?
A. Verhoogd risico op gedragsproblemen
B. Minder sociale contacten met leeftijdsgenoten
C. Sterkere ouder-kindrelatie
D. Betere schoolprestaties
Hoorcollege 4 – Vaders en Opvoeding
11. Volgens de gender similarity hypothesis van Hyde…
A. Zijn er grote opvoedingsverschillen tussen vaders en moeders
B. Zijn vaders en moeders biologisch niet in staat om op dezelfde manier op te voeden
C. Zijn de verschillen tussen vaders en moeders meestal klein
D. Zijn moeders beter in opvoeding dan vaders
12. Wat is een typisch kenmerk van vaderschap volgens Cabrera?
A. Vaderschap heeft geen biologische basis
B. Vaderschap gaat gepaard met hormonale veranderingen
C. Vaders hebben een minder belangrijke rol dan moeders
D. Vaders moeten zich vooral richten op discipline
Hoorcollege 5 – Gezinsstructuren
13. Wat is een van de voornaamste zorgen over gezinnen met homoseksuele ouders
volgens tegenstanders?
A. Kinderen krijgen vaker gedragsproblemen
B. Kinderen missen een vader- of moederfiguur
C. Kinderen hebben een grotere kans om zelf homoseksueel te worden
D. Kinderen presteren slechter op school
14. Wat bleek uit onderzoek naar gezinnen met homoseksuele ouders?
A. Kinderen ervaren meer gedragsproblemen dan in heteroseksuele gezinnen
B. Er zijn nauwelijks verschillen in kindontwikkeling vergeleken met heteroseksuele
gezinnen
C. Niet-biologische ouders hechten minder aan hun kind
D. Kinderen hebben een slechtere band met hun leeftijdsgenoten
(Toets 1)
40 vragen, waarvan 20 verdiepend. Allemaal meerkeuze (a-b-c-d)
Hoorcollege 1 – Inleiding in de Gezinspedagogiek
1. Wat is de belangrijkste functie van gehechtheid volgens Bowlby?
A. Het bevorderen van sociale vaardigheden
B. Het beschermen tegen onveiligheden
C. Het ontwikkelen van zelfstandigheid
D. Het stimuleren van cognitieve groei
2. Welke van de volgende componenten hoort NIET bij het gehechtheidsgedrag volgens
Bowlby?
A. Zuigen
B. Volgen
C. Praten
D. Huilen
3. Wat was de belangrijkste conclusie van Mary Ainsworth’s Strange Situation
Procedure?
A. Alle kinderen zijn veilig gehecht
B. Hechtingsstijlen verschillen per kind
C. Moeders bepalen de hechtingsstijl volledig
D. Gehechtheid kan alleen in de kindertijd ontstaan
4. Wat toonde Harlow’s experiment met apenmoeders aan?
A. Kinderen hechten zich vooral aan degene die hen voedt
B. Fysiek contact is belangrijker dan voeding voor gehechtheid
C. Apen tonen geen gehechtheid aan hun moeder
D. Alleen biologische moeders kunnen gehechtheid bevorderen
Hoorcollege 2 – Kind en Gezin Transacties
5. Welke van de volgende begrippen verwijst naar het idee dat ouders en kinderen elkaar
wederzijds beïnvloeden in opvoeding?
A. Differentiële ontvankelijkheid
B. Coerciviteitstheorie
C. Sociale leer theorie
D. Transactionele socialisatie
6. Welke opvoedingsstijl wordt gekenmerkt door hoge controle en weinig warmte?
A. Autoritatief
B. Permissief
C. Autoritair
D. Laissez-faire
7. Wat is volgens de coerciviteitstheorie een effect van toegeven aan negatief gedrag van
een kind?
A. Het versterkt het negatieve gedrag op lange termijn
B. Het vermindert gedragsproblemen op lange termijn
, C. Het heeft geen effect op de ontwikkeling van het kind
D. Het verhoogt de zelfstandigheid van het kind
Hoorcollege 3 – Mind-Mindedness & Beperkingen
8. Wat houdt mind-mindedness in?
A. Het stimuleren van cognitieve ontwikkeling bij kinderen
B. Het vermogen om het kind te zien als een autonoom individu
C. Het toepassen van strikte opvoedingsregels
D. Het trainen van de sociale vaardigheden van een kind
9. Wat is een voorbeeld van een appropriate mind-mindedness opmerking?
A. “Je bent altijd boos”
B. “Je houdt echt van tekenen, hè?”
C. “Je doet dat expres verkeerd”
D. “Jij bent een moeilijke eter”
10. Welke van de volgende risico’s wordt vaak genoemd voor broertjes en zusjes (brusjes)
van kinderen met een beperking?
A. Verhoogd risico op gedragsproblemen
B. Minder sociale contacten met leeftijdsgenoten
C. Sterkere ouder-kindrelatie
D. Betere schoolprestaties
Hoorcollege 4 – Vaders en Opvoeding
11. Volgens de gender similarity hypothesis van Hyde…
A. Zijn er grote opvoedingsverschillen tussen vaders en moeders
B. Zijn vaders en moeders biologisch niet in staat om op dezelfde manier op te voeden
C. Zijn de verschillen tussen vaders en moeders meestal klein
D. Zijn moeders beter in opvoeding dan vaders
12. Wat is een typisch kenmerk van vaderschap volgens Cabrera?
A. Vaderschap heeft geen biologische basis
B. Vaderschap gaat gepaard met hormonale veranderingen
C. Vaders hebben een minder belangrijke rol dan moeders
D. Vaders moeten zich vooral richten op discipline
Hoorcollege 5 – Gezinsstructuren
13. Wat is een van de voornaamste zorgen over gezinnen met homoseksuele ouders
volgens tegenstanders?
A. Kinderen krijgen vaker gedragsproblemen
B. Kinderen missen een vader- of moederfiguur
C. Kinderen hebben een grotere kans om zelf homoseksueel te worden
D. Kinderen presteren slechter op school
14. Wat bleek uit onderzoek naar gezinnen met homoseksuele ouders?
A. Kinderen ervaren meer gedragsproblemen dan in heteroseksuele gezinnen
B. Er zijn nauwelijks verschillen in kindontwikkeling vergeleken met heteroseksuele
gezinnen
C. Niet-biologische ouders hechten minder aan hun kind
D. Kinderen hebben een slechtere band met hun leeftijdsgenoten